Выбрать главу

Sommigen stonden al in het voorvertrek. Bij de pilaren aan de andere kant stond een tweede Myrddraal, terwijl een groepje terugdeinzende Trolloks naar de neerdwarrelende as staarde, de laatste restjes van de Myrddraal en zijn kleding. Toen ze Rhand met de vlammende Callandor zagen staan, jankten de Trolloks als beesten. De Schim stond erbij alsof de schok hem verlamd had. Rhand gaf hun geen kans om ervandoor te gaan. Hij stapte vastberaden verder en geleidde, en vlammen bulderden op uit het kale zwarte marmer onder het Schaduwgebroed, zo heet dat hij de hand voor zijn gezicht sloeg. Toen hij bij hen was, waren de vlammen verdwenen en bleven slechts doffe kringen op het marmer achter. Hij liep verder de Steen in en iedere Trollok of Myrddraal die hij zag, stierf in opvlammend vuur. Hij verzengde ze in hun gevechten met Aiel en Tyreners, tijdens het doden van dienaren die zich probeerden te verdedigen met de speren van de doden. Hij verzengde rennende Trolloks die op zoek waren naar nieuwe slachtoffers of voor hem op de vlucht sloegen. Hij ging steeds sneller lopen, holde, rende toen, voorbij de gewonden en de doden op de vloer. Het was niet genoeg. Hij was niet snel genoeg. Terwijl hij hele groepen Trolloks tegelijk velde, waren er nog steeds andere aan het moorden, al was het maar om weg te kunnen vluchten.

Opeens bleef hij staan in een brede gang, omringd door doden. Hij moest iets anders doen... veel meer doen. De Kracht vloeide door zijn botten, puur naakt vuur. Meer doen. De Kracht bevroor zijn merg. Ze allemaal doden, allemaal tegelijk. De smet op saidin gleed over hem heen, een lawine van rottend vuil dreigde zijn ziel te overweldigen. Hij hief Callandor, onttrok nog meer aan de Ware Bron, trok nog meer saidin aan tot het leek of elke ademtocht een schreeuw van bevroren vlammen was. Hij moest ze allemaal doden.

Vlak onder de zoldering, recht boven zijn hoofd, begon de lucht langzaam rond te draaien, steeds sneller te wentelen tot tollende strepen rood, zwart en zilver. De lucht kolkte en stroomde in een middelpunt samen, ziedde nog harder, gierde terwijl hij rondtolde en werd voortdurend kleiner.

Zweetdruppels rolden van Rhands gezicht omlaag toen hij opkeek. Hij had geen idee wat het was, alleen dat ontelbare razende stromen hem met de massa verbonden. Het had massa, een gewicht dat toenam naarmate de tollende stromen in zichzelf terugkronkelden. Callandor vlamde feller en feller, schitterde te fel om naar te kijken. Hij sloot zijn ogen en het licht leek door zijn oogleden te branden. De Kracht golfde door hem heen, een woedende maalstroom die zijn hele wezen in de wervelstroom dreigde mee te sleuren. Hij moest het loslaten. Hij moest. Hij dwong zijn ogen zich te openen en het leek of hij naar alle onweersstormen van de hele wereld keek, samengeperst tot de grootte van een Trollokkop. Hij moest... hij moest... hij moest... Nu. De gedachte dreef als kakelend gelach langs de rand van zijn bewustzijn. Hij kapte de stromen die uit hem kolkten, maar het ding tolde door, jankend als een drooggelopen molenrad. Nu. En de bliksems verschenen, links en rechts langs het plafond flitsend als zilveren tongen. Een Myrddraal stapte uit een zijgang en voor het wezen een voet kon verzetten, dook een handvol bliksemschichten omlaag, sloeg hem kapot. Andere stromen rolden verder, verdeelden zich naar zijgangen en werden aangevuld door nieuwe vuurtongen die achter elkaar wegsprongen.

Rhand had geen idee wat hij had gemaakt of hoe het werkte. Hij kon alleen maar rechtop staan, trillend van de Kracht die hij uit noodzaak had moeten gebruiken. Zelfs als hij erdoor vernietigd zou worden. Hij voelde Myrddraal en Trolloks sterven, voelde de bliksems toeslaan en doden. Hij kon ze overal doden, overal ter wereld. Hij wist het zeker. Met Callandor kon hij alles. En hij wist even zeker dat die poging hem zou doden.

De bliksemflitsen stierven met het laatste Schaduwgebroed. De tollende massa verdween spoorloos met een luide klap van binnenstromende lucht. Maar Callandor glansde nog steeds als de zon en trilde van de Kracht.

Een tiental passen verder stond Moiraine naar hem te kijken. Haar gewaad was keurig netjes, ieder blauwzijden plooitje zat op de juiste plaats, maar enkele van haar lokken zaten in de war. Ze zag er moe uit – en geschokt. ‘Hoe...? Wat jij hebt gedaan, was volgens mij onmogelijk.’ Lan kwam op een holletje door de gang aanrennen, zijn zwaard in de hand, met bebloed gezicht en een gescheurde jas. Zonder haar ogen van Rhand af te wenden stak Moiraine haar hand op en hield de zwaardhand tegen. Behoorlijk ver van Rhand af. Als hij zelfs voor Lan te gevaarlijk was om te benaderen. ‘Ben je... in orde, Rhand?’

Rhand wendde zijn blik af en zijn ogen vielen op het lijk van een donkerharig meisje, nauwelijks meer dan een kind. Ze lag plat op haar rug, haar wijd open ogen staarden strak naar het plafond en bloed kleurde haar lijfje donker. Bedroefd bukte hij zich om de lokken uit haar gezicht te strelen. Licht, ze is nog een kind. Ik was te laat. Waarom deed ik het niet eerder? Een kind!

‘Ik zal haar door iemand laten halen, Rhand,’ zei Moiraine zachtjes. ‘Je kunt haar nu niet meer helpen.’

Zijn hand die Callandor vasthield, beefde zo erg dat hij het zwaard amper kon vasthouden. ‘Hiermee kan ik alles.’ Zijn stem klonk hem schor in de oren. ‘Alles!’

‘Rhand!’ zei Moiraine fel.

Hij wilde niet luisteren. De Kracht zat in hem. Callandor vlamde en hij was de Kracht. Hij geleidde, stuurde stromen in het lichaampje, zoekend, tastend, voelend. Ze schoot overeind en haar armen en benen schokten star en onnatuurlijk. ‘Rhand! Dit kun je niet. Dit niet!’

Adem! Ze moet ademen. De kinderborst begon op en neer te gaan. Hart! Moet kloppen. Bloed dat reeds dik en donker was, spoot uit de wond in haar borst. Leef! Leef, bloedvuur! Ik wilde niet te laat komen. Haar donkere kijkers staarden hem glazig aan. Levenloos. Tranen druppelden vrijelijk langs zijn wangen. ‘Ze moet leven! Heel haar, Moiraine! Ik weet niet hoe. Heel haar!’

‘Voor de dood bestaat geen Heling, Rhand. Je bent niet de Schepper.’ Rhand staarde in de levenloze ogen en trok langzaam alle stromen terug. Het lichaampje viel stijf neer. Het lijk. Hij hield zijn hoofd achterover en jankte zo woest als een Trollok. Strengen vuur knetterden langs muren en plafond toen hij zijn woede en pijn wegsabelde. In elkaar zakkend liet hij saidin los, duwde het weg. Het was of hij een rotswand wegduwde, alsof hij het leven wegduwde. Zijn kracht leek tegelijk met de Kracht weg te druppelen. De smet bleef achter, een smoezelige vlek die hem omlaag trok in de duisternis. Hij moest op Callandor leunen om overeind te blijven.

‘De anderen.’ Het spreken viel hem moeilijk; zijn keel deed pijn. ‘Elayne, Perijn, de anderen? Was ik voor hen ook te laat?’

‘Je was niet te laat,’ zei Moiraine kalm. Maar ze kwam niet dichterbij en Lan stond klaar om tussen Rhand en haar in te springen. ‘Je moet je geen...’

‘Zijn ze nog in leven?’ schreeuwde Rhand. ‘Ja,’ verzekerde ze hem.

Hij knikte, vermoeid en opgelucht. Hij probeerde niet naar het lijkje van het meisje te kijken. Drie dagen gewacht om nog snel enkele kussen te stelen. Als hij drie dagen geleden in beweging was gekomen...

Maar hij had veel geleerd in die drie dagen, dingen die hij misschien kon gebruiken als hij ze goed begreep. Als. In ieder geval niet te laat voor zijn vrienden. Niet te laat voor hen. ‘Hoe zijn de Trolloks binnengekomen? Het zijn geen Aiel, ik denk niet dat ze de muren hebben beklommen, niet op klaarlichte dag. Is de zon nog op?’ Hij schudde zijn hoofd om de nevel te verjagen. ‘Doet er niet toe. De Trolloks. Hoe?’

Ditmaal gaf Lan antwoord. ‘Laat in de middag meerden acht grote graanschepen af bij de Steen. Blijkbaar vroeg niemand zich af waarom schepen vol graan naar het zuiden voeren,’ – zijn stem was een en al minachting – ‘of waarom ze bij de Steen aanlegden, of waarom de bemanning tot zonsondergang de luiken dichthield. Er kwam ook een handelskaravaan binnen, enkele uren geleden — dertig wagens, zogenaamd om de bezittingen van een heer over te brengen van het platteland in verband met zijn terugkeer. Toen de dekzeilen werden teruggeslagen, zaten de wagens vol Halfmannen en Trolloks. Ik heb nog niet gehoord of ze een derde manier hebben gebruikt.’ Rhand knikte weer en die inspanning deed hem door zijn knieën zakken. Opeens stond Lan naast hem en trok Rhands arm om zijn schouder om hem overeind te houden. Moiraine nam zijn gezicht tussen haar handen. Koude rimpelde door hem heen, niet de doordringende kou van een volledige Heling, maar een koude die zijn uitputting verdreef. Het grootste deel van zijn uitputting. Een kiempje bleef zitten, alsof hij een hele dag de tobaksplanten had geschoffeld. Hij trok zich terug van de steun die hij niet langer nodig had. Lan nam hem nauwlettend op om te zien of hij echt kon staan, of misschien omdat de zwaardhand niet zeker wist hoe gevaarlijk hij was, of hoe gezond van geest, ik heb met opzet wat laten zitten,’ vertelde Moiraine hem. ‘Je moet vannacht slapen.’