Slaap. Er was veel te veel te doen om te gaan slapen. Maar wederom knikte hij. Hij wilde niet dat zij hem stiekem volgde. Desondanks zei hij nog: ‘Lanfir was hier. Dit alles was niet haar werk. Dat zei ze en ik geloof haar. Je lijkt me niet verbaasd, Moiraine.’ Zou Lanfirs aanbod haar verbazen? Kon iets dat doen? ‘Lanfir was hier en ik heb met haar gepraat. Ze heeft niet geprobeerd mij te doden en ik heb niet geprobeerd haar te doden. En toch ben je niet verbaasd?’ ik betwijfel of je haar nu al kunt doden.’ Haar donkere ogen schoten even naar Callandor. ‘Niet zonder hulp. En ik betwijfel of ze zal proberen jou te doden. Nog niet. We weten niet zoveel persoonlijke dingen van de Verzakers en van Lanfir nog het minst, maar we weten wel dat ze van Lews Therin Telamon hield. Om te zeggen dat je bij haar veilig bent, is te sterk uitgedrukt. Ze kan je een heleboel kwaad doen, ook zonder je te doden. Maar ik denk niet dat ze zal trachten jou te doden zolang zij denkt dat ze Lews Therin kan terugwinnen.’ Lanfir wilde hem. De Dochter van de Nacht. Een naam die bijgelovige moeders gebruikten om hun kinderen schrik aan te jagen. Ze maakte hem zeker bang. Hij moest er bijna om lachen. Hij had zich altijd schuldig gevoeld als hij naast Egwene naar een andere vrouw keek en hoewel Egwene hem niet meer wilde, was de erfdochter van Andor bereid hem te kussen en beweerde een Verzaker dat ze van hem hield. Hij kon er bijna om lachen, maar niet echt. Lanfir leek jaloers te zijn op Elayne; die stroharige huilebalk, had ze haar genoemd. Waanzin. allemaal waanzin.
‘Morgen.’ Hij zette zich in beweging en liep weg. ‘Wat morgen?’ vroeg Moiraine.
‘Morgen vertel ik je wat ik ga doen.’ Een deel ervan tenminste. Bij de gedachte aan Moiraines gezicht indien hij haar alles zou vertellen, schoot hij bijna in de lach. Alsof hijzelf alles al wist. Lanfir had hem onbewust een van de laatste stukjes van de puzzel gegeven. Vannacht nog één stap. De hand waarin hij Callandor droeg beefde. Daarmee kon hij alles. Ik ben nog niet gek. Daarvoor nog niet gek genoeg. ‘Morgen. Ik wens iedereen een goede nacht, zo het Licht het wil.’ Morgen zou hij een ander soort bliksemschicht af laten gaan. Een andere bliksemflits die hem zou kunnen redden. Of doden. Hij was nog niet krankzinnig.
11
Verborgen zaken
Slechts gekleed in haar nachtgewaad haalde Egwene diep adem. Ze liet de stenen ring naast een open boek op het bedtafeltje vallen. De ring was helemaal gevlekt en gestreept in bruin, rood en blauw, en was iets te groot voor een vinger. En verkeerd gemaakt, plat en verwrongen, zodat een vingertop langs de rand zowel de binnen – als de buitenkant omcirkelde voordat hij terugkwam bij het beginpunt. Er was slechts een enkele rand, hoe onwaarschijnlijk dat ook leek. Ze legde de ring niet weg omdat ze bang was of niet wilde dat het zonder ring niet zou lukken. Vroeg of laat moest ze het zonder ring proberen, of het zou nooit meer worden dan pootjebaden terwijl ze droomde van zwemmen. Het kon net zo goed nu gebeuren. Dat was de reden. Het dikke, in leer gebonden boek – Een reis naar Tarabon, van Eurian Romavni uit Kandor – was drieënvijftig jaar geleden geschreven, volgens de datum die de schrijver in de eerste regel vermeldde, maar in zo’n korte tijd zou er in Tanchico weinig belangrijks veranderd zijn. Bovendien was dit het enige boek met bruikbare tekeningen dat ze had kunnen vinden. De meeste boeken bevatten alleen maar portretten van koningen of verslagen van oorlogen die waren opgesmukt door mannen die ze niet hadden meegemaakt.
Buiten was het donker, maar de lampen gaven meer dan genoeg licht. In een vergulde kandelaar op het bedtafeltje brandde een grote waskaars. Ze had die kaars zelf gehaald; dit was geen nacht om een dienares om een kandelaar te sturen. De meeste dienaren zorgden voor de gewonden, huilden om geliefden of werden zelf verzorgd. Er waren te veel gewonden geweest, en alleen degenen die anders gestorven zouden zijn, werden geheeld.
Aan beide kanten van het bed met de lange posten met uitgesneden zwaluwen zaten Elayne en Nynaeve op stoelen met hoge ruggen. Ze wachtten en probeerden hun bezorgdheid te verbergen. Elayne slaagde er redelijk in een statige kalmte te bewaren, maar ze bedierf het door de rimpels in haar voorhoofd en door op haar onderlip te bijten als ze dacht dat Egwene niet keek. Nynaeve straalde een en al kordate zekerheid uit, waarbij je je veilig voelde als ze je in een ziekbed instopte, maar Egwene kende die oogopslag van haar: Nynaeve was bang.
Aviendha zat in kleermakerszit naast de deur. Het bruin en grijs van haar kleding staken scherp af tegen het diepblauwe tapijt. Deze keer droeg de Aielvrouw haar mes met het lange lemmet rechts aan haar riem, en een volle pijlkoker links, en op haar knieën lagen vier korte speren. Haar ronde, leren schild lag binnen handbereik, boven op een hoornboog in een bewerkte leren hoes met riemen om hem op de rug te kunnen dragen. Na vannacht kon Egwene het haar niet kwalijk nemen dat ze gewapend was. Zelf wilde ze nog steeds een bliksemschicht klaar hebben om weg te kunnen slingeren.
Licht, wat had Rhand gedaan? Drakenvuur, hij joeg me bijna evenveel angst aan als de Schimmen. Misschien nog wel meer. Het is niet eerlijk dat hij zoiets kan als ik niet eens de stromen kan zien. Ze klom op het bed en nam het leren boek op de knie. Ze keek fronsend naar een gegraveerde kaart van Tanchico. Er stond eigenlijk weinig bruikbaars op. Een tiental vestingen die de haven omringden en de stad op zijn drie heuvelachtige schiereilanden beschermden: Verana in het oosten, Maseta in het midden en Calpene het dichtst bij de zee. Een paar grote pleinen, enkele open plekken die parken schenen aan te duiden en een aantal monumenten voor heersers die allang tot stof waren vergaan. Allemaal nutteloos. Een paar paleizen en een paar dingen die vreemd leken. Zoals de Grote Kring op Calpene. Op de kaart was het slechts een ring, maar meester Romavni beschreef hem als een enorme verzamelplaats voor de duizenden toeschouwers bij de paardenrennen of de vuurfeesten van het Vuurwerkersgilde. Er was ook een Koningskring, op Maseta, die nog groter was dan de Grote Kring, en een iets kleinere Panarchenkring op Verana. Het gildehuis van de Vuurwerkers was eveneens aangegeven. Allemaal nutteloos. De tekst bevatte totaal niets bruikbaars.
‘Weet je zeker dat je het zonder ring wilt proberen?’ vroeg Nynaeve zacht.
‘Heel zeker,’ antwoordde Egwene, zo kalm als ze maar kon. Haar maag gedroeg zich al even opstandig als gisteravond, toen ze een Trollok een arme vrouw bij haar haren had zien grijpen, waarna haar keel als bij een konijn werd doorgesneden. De vrouw had ook zo gegild. Het doden van de Trollok had haar niet geholpen; de vrouw was even dood als het monster. Maar haar schrille schreeuw kon ze maar niet vergeten. ‘Als het niet werkt, kan ik het altijd nog met de ring proberen.’ Ze boog zich voorover en kraste met haar duimnagel een streep in de kaars. ‘Maak me wakker als de vlam hier is. Licht, ik wou dat we een klok hadden.’