Elayne lachte. Het klonk luchthartig en bijna ongedwongen. ‘Een klok in een slaapkamer? Mijn moeder heeft wel tien klokken, maar ik heb nog nooit gehoord van een klok in een slaapkamer.’
‘Nou, mijn vader heeft één klok,’ bromde Egwene, ‘en het is de enige van het hele dorp, en ik wou dat ik die hier had. Denk je dat de kaars in een uur zo ver zal opbranden? Ik wil niet langer slapen. Je moet me wakker maken zodra de vlam die streep bereikt. Meteen!’
‘Dat zullen we doen,’ zei Elayne geruststellend. ‘Ik beloof het.’
‘De stenen ring,’ zei Aviendha plotseling. ‘Als jij hem niet gebruikt, Egwene, zou iemand anders – iemand van ons – de ring kunnen gebruiken om mee te gaan?’
‘Nee,’ mompelde Egwene. Licht, ik wou dat ze allemaal meegingen. ‘Maar bedankt dat je eraan dacht.’
‘Kan alleen jij hem gebruiken, Egwene?’ vroeg de Aielvrouw. ‘Ieder van ons zou het kunnen,’ zei Nynaeve. ‘Zelfs jij, Aviendha. Een vrouw hoeft niet te kunnen geleiden, zolang ze hem maar op haar huid draagt tijdens het slapen. Voor zover ik weet, zou een man het ook kunnen. Maar we kennen Tel’aran’rhiod niet zo goed als Egwene, of de regels ervan.’
Aviendha knikte. ‘Ik snap het. Een vrouw kan fouten maken als ze de wegen niet kent, en haar fouten kunnen zowel haarzelf als anderen doden.’
‘Heel juist,’ zei Nynaeve. ‘De Wereld der Dromen is een gevaarlijke plaats. Zoveel weten we er wel van.’
‘Maar Egwene zal voorzichtig zijn,’ voegde Elayne eraan toe. Ze had het tegen Aviendha, maar het was duidelijk voor Egwenes oren bedoeld. ‘Ze heeft het beloofd. Ze gaat er rondkijken – heel voorzichtig! – maar meer niet!’
Egwene richtte al haar aandacht op de kaart. Voorzichtig. Als ze haar verwrongen stenen ring niet zo jaloers bewaakt had – in haar gedachten was die van haar; de Zaal van de Toren zou er wel anders over denken, maar die wist niet dat zij hem had – als ze bereid was geweest om Elayne of Nynaeve de ring wat vaker te laten gebruiken, dan zouden ze nu genoeg weten om met haar mee te kunnen. Maar het was geen berouw waardoor ze de ogen van de andere vrouwen ontweek. Ze wilde niet dat ze de angst in haar eigen ogen zagen. Tel’aran’rhiod. De Ongeziene Wereld. De Wereld der Dromen. Niet de dromen van gewone mensen, hoewel zij soms even Tel’aran’rhiod aanraakten, in dromen die levensecht leken te zijn. Omdat ze dat waren. Wat er in de Ongeziene Wereld gebeurde, gebeurde echt, op een vreemde manier. Niets wat daar gebeurde, was van invloed op wat was -een deur die in de Wereld der Dromen geopend werd, zou in de echte wereld nog steeds gesloten zijn; een boom die daar werd gekapt, stond hier nog steeds overeind. Maar een vrouw kon daar gedood worden, of gesust. ‘Vreemd’ beschreef het amper. In de Ongeziene Wereld lag de hele wereld voor je open, en misschien ook wel andere werelden. Alle plaatsen waren bereikbaar; dat wil zeggen, de weerspiegeling ervan in de Wereld der Dromen. Daar kon het weefsel van het Patroon gelezen worden – verleden, heden en toekomst – door iemand die wist hoe dat moest. Door een Droomster. In de Witte Toren was er sinds Corianin Nedeal, bijna vijfhonderd jaar geleden, geen Droomster meer geweest.
Om precies te zijn: vierhonderd en drieënzeventig jaar, dacht Egwene. Of is het inmiddels vierhonderd en vierenzeventig jaar? Wanneer was Corianin gestorven? Als Egwene de kans had gehad om haar opleiding in de Toren te voltooien, om daar als Aanvaarde te studeren, had ze het misschien geweten. Er was zoveel dat ze toen had kunnen leren. In Egwenes beurs zat een lijst van dertien ter’angrealen, de meeste klein genoeg om in een zak te worden gestoken. Ze waren gestolen door de Zwarte Ajah toen die uit de Toren vluchtte. Alledrie hadden ze een afschrift. Achter de meeste gestolen ter’angrealen stond ‘gebruik onbekend’ en ‘voor het laatst bestudeerd door Corianin Nedeal’. Misschien had Corianin Sedai hun eigenschappen inderdaad niet ontdekt, maar Egwene was zeker van één eigenschap. De meeste gaven toegang tot Tel’aran’rhiod; misschien niet zo makkelijk als de stenen ring en misschien niet zonder te geleiden, maar ze deden het wel. Twee ter’angrealen waren Joiya en Amico afgenomen. De ene was een ijzeren schijf van drie duim breed, met aan beide kanten een spiraal. De andere was een dunne plaat, niet groter dan haar hand, schijnbaar van doorzichtige barnsteen, maar hard genoeg om krassen in staal te maken. In het midden was op de een of andere manier een slapende vrouw gekerfd. Amico had er vrijuit over gesproken. Joiya eveneens na een gesprek met Moiraine in haar cel, waarna de Duistervriend doodsbleek en bijna beleefd was achtergebleven. Leid een stroom van Geest in die ter’angrealen en ze zouden je doen inslapen en naar Tel’aran’rhiod voeren. Elayne had ze allebei even geprobeerd, en ze werkten, hoewel ze niet meer had gezien dan de binnenkant van de Steen en Morgases koninklijk paleis in Caemlin.
Egwene had niet gewild dat ze het probeerde, hoe kort het bezoek ook geweest was, maar niet uit jaloezie. Ze had haar redenen niet zo goed kunnen uitleggen, maar ze was bang geweest dat Elayne en Nynaeve de angst in haar stem hadden kunnen horen.
Twee teruggevonden en één vernietigd door Perijn toen die Faile had gered. Dat betekende dat er nog steeds tien in handen van de Zwarte Ajah waren. Dat was het punt dat Egwene had willen verduidelijken. Tien ter’angrealen die een vrouw wellicht naar Tel’aran’rhiod konden voeren en in handen waren van de Zwarte zusters. Toen Elayne haar korte reisjes in de Ongeziene Wereld maakte, had ze in een hinderlaag van de Zwarte Ajah kunnen lopen. Of ze had ze tegen het lijf kunnen lopen voor ze doorhad dat ze er waren. Bij die gedachte verkrampte Egwenes maag. Ze konden haar nu ook opwachten. Onwaarschijnlijk, onopzettelijk – hoe konden ze weten dat zij eraan kwam? – maar ze konden er zijn als ze door de scheiding stapte. Een enkele zou ze aankunnen, tenzij ze verrast zou worden, en dat wilde ze zeker voorkomen. Maar als ze haar verrasten? Met twee of drie tegelijk? Liandrin en Rianna, Chesmal Emry en Jeaine Caide en de rest, allemaal tegelijk?
Ze keek nadenkend naar haar handen, die de kaart met witte knokkels vasthielden en ontspande zich. Deze nacht had alles verhaast. Als het Schaduwgebroed de Steen kon aanvallen, als een van de Verzakers plotseling in hun midden kon verschijnen, mocht zij niet aan haar angst toegeven. Ze moesten weten wat hun te doen stond. Ze moesten meer weten dan Amico’s wazige verhaal. Meer. Als ze er maar achter kon komen waar Mazrim Taim zich in zijn gekooide tocht naar Tar Valon bevond, als ze maar een of andere manier kende om in de dromen van de Amyrlin te glippen en met haar te praten. Misschien waren zulke dingen mogelijk voor een Droomster. Als ze mogelijk waren, wist zij niet hoe. Ze moest het met Tanchico doen.
‘Ik moet alleen gaan, Aviendha. Ik moet.’ Ze dacht dat haar stem kalm en rustig was, maar Elayne klopte op haar schouder.
Egwene wist niet waar ze de kaart op afzocht. Ze kende die al helemaal van buiten, wist al waar alles ten opzichte van iets anders lag. Wat er in deze wereld bestond, bestond ook in de Wereld der Dromen, en soms nog meer, natuurlijk. Ze had haar bestemming gekozen. Ze bladerde het boek door tot de enige prent die de binnenkant van een gebouw liet zien. Op de kaart werd dat het Panarchenpaleis genoemd. Het zou haar niet helpen als ze zichzelf in een kamer terugvond zonder te weten waar die in de stad lag. Ach, misschien zou het haar helemaal niet helpen. Ze zette dat uit haar gedachten. Ze moest geloven dat er een kansje was.
De prent toonde een grote zaal met een hoog plafond. Een koord op heuphoogte tussen paaltjes belette iedereen al te dicht bij de zaken te komen die op standaarden en in open kasten tegen de muur stonden. Het meeste dat tentoongesteld werd, was onduidelijk, maar niet wat aan het andere eind van de kamer stond. De kunstenaar had zich grote moeite getroost om het massieve geraamte zo af te beelden dat het leek of de rest van het schepsel net verdwenen was. Het had vier poten met zware beenderen, maar leek overigens op geen enkel dier dat Egwene kende. Het moest minstens twaalf voet hoog zijn, ruim twee keer haar lengte. De ronde schedel stond als bij een stier laag op de schouders en leek groot genoeg om een kind te bevatten, en op de prent leek hij vier oogholten te hebben. Dat geraamte maakte de ruimte volkomen anders dan elke andere kamer; je kon het niet voor iets anders houden. Wat het ook was. Als Eurian Romavni het had geweten, had hij het niet op deze bladzijden vermeld.