Выбрать главу

Ze hield zichzelf weer voor waarom ze hier was. Wat zou een teken van de Zwarte Ajah zijn? Of van dat gevaar voor Rhand, als het al bestond? De meeste witte gebouwen waren gepleisterd, het pleisterwerk was geschilferd en gebarsten, en vaak kon ze het verweerde hout of de lichtbruine bakstenen eronder zien. Alleen de torens en de grotere bouwwerken – paleizen waarschijnlijk – waren van witte steen. Maar ook daar vertoonden de meeste stenen scheurtjes die te klein waren om met het blote oog te zien, scheurtjes die ze met de Kracht kon zien; een heel fijn web over alle koepels en torens. Misschien betekende dat iets. Misschien betekende het dat Tanchico een stad was waar de inwoners zich niet om bekommerden. Dat kon het zijn, maar net zo goed iets anders.

Ze sprong verschrikt op toen voor haar opeens een krijsende man uit de lucht viel. Ze kon nog net zijn wijde witte broek onderscheiden en een dikke snor onder een doorzichtige sluier, voor hij vlak boven het plaveisel verdween. Als hij hier, in Tel’aran’rhiod, de grond had geraakt, zou hij dood in zijn bed zijn gevonden.

Hij heeft waarschijnlijk net zoveel met alles te maken als de kakkerlakken, bedacht ze.

Misschien was er iets in de gebouwen te vinden. Het was een kleine kans, een wilde hoop, maar in haar wanhoop wilde ze alles proberen. Bijna alles. Tijd. Hoeveel tijd had ze nog? Ze begon langs de deuren te draven en stak haar hoofd naar binnen in winkels, herbergen en huizen.

In de gelagkamers stonden de tafels en banken klaar voor de klanten, even netjes recht als de dofglanzende tinnen bekers en borden op de planken. De winkels waren keurig alsof de winkelier ze net voor de ochtend had geopend. Maar terwijl op de tafel van een kleermaker rollen stof lagen en op die van de scharensliep messen en scharen, waren de vleeshaken en de schappen van de slagerij leeg. Waar ze ook een vinger langs veegde, nergens vond ze stof. Alles was schoon genoeg om haar moeder tevreden te stellen.

In de smallere straten stonden de woonhuizen, kleine, eenvoudige witgepleisterde woningen met platte daken, maar zonder ramen aan de straatkant. Er konden zó gezinnen binnenkomen en op de bank bij de gedoofde haard gaan zitten, of rond een smalle tafel met bewerkte poten, waar de mooiste schaal van de huisvrouw een ereplaatsje had. Er hingen kleren aan haken en potten aan de zoldering, en er lag gereedschap op werkbanken, wachtend.

In een ingeving keerde ze na een tiental deuren op haar schreden terug, gewoon om te kijken. Ze keek nogmaals rond in het huis dat in de echte wereld door een vrouw werd bewoond. Het was bijna hetzelfde als wat ze net had gezien. Bijna. De roodgestreepte schaal op de tafel was nu echter een smalle, blauwe vaas; een bank die bij de haard had gestaan met een kapot tuig erop en gereedschap om het te herstellen, stond nu bij de deur, met een naaimandje erop en een geborduurd kinderjurkje.

Waarom is het veranderd? vroeg ze zich af. Ach, maar waarom zou het hetzelfde blijven? Licht, ik weet helemaal niets! Aan de andere kant van de straat was een stal waarvan grote plekken pleisterwerk verdwenen waren en de baksteen te zien was. Ze liep erheen en trok een deur open. De aarden vloer was bedekt met stro, net als in elke andere gewone stal, maar tussen de schotten stonden geen paarden. Waarom? Er ritselde iets in het stro en ze besefte dat de stallen toch niet leeg waren. Ratten. Tientallen ratten, die haar brutaal aanstaarden en de lucht afsnuffelden. Geen enkele rat ging ervandoor of week terug; ze gedroegen zich alsof ze hier meer rechten hadden dan zij. Onwillekeurig stapte ze achteruit. Duiven, meeuwen en honden, vliegen en ratten. Misschien zou een Wijze de reden weten. En net zo plotseling was ze terug in de Woestenij. Ze viel met een gil achterover toen het harige, op een zwijn lijkende beest recht op haar afschoot. Het was zo groot als een klein paard. Geen varken, zag ze terwijl het soepel over haar heen sprong. De snuit was te spits en zat vol scherpe tanden, en de poten hadden vier tenen. Ze kon er kalm over denken, maar rilde toen het beest tussen de rotsen wegrende. Het was groot genoeg om haar te kunnen vertrappen, het had haar botten kunnen breken of erger; die tanden hadden haar even goed als die van een wolf kunnen bijten en verscheuren. Ze zou met die wonden zijn ontwaakt. Als ze nog wakker was geworden. De ruwe rots onder haar rug voelde aan als een zinderende oven. Ze krabbelde overeind, boos op zichzelf. Als ze haar gedachten niet bij haar daden kon houden, zou ze niets bereiken. Tanchico was waar ze verondersteld werd te zijn; daar moest ze zich op richten. Nergens anders op.

Ze hield op haar rok af te kloppen toen ze de Aielvrouw zag die haar op minder dan tien pas afstand met scherpe blauwe ogen opnam. De vrouw was van Aviendha’s leeftijd, niet ouder dan zijzelf, maar de lokken onder haar sjoefa waren zo verbleekt dat ze bijna wit leken. Ze hield de speer klaar voor een worp en op die afstand zou ze zeker niet missen.

Er werd gezegd dat de Aiel behoorlijk ruw omsprongen met mensen die de Woestenij zonder toestemming betraden. Egwene wist dat ze de vrouw en de speer in Lucht kon wikkelen en hen veilig kon vasthouden, maar zouden de stromen het lang genoeg houden als zij verdween? Of zou dat de vrouw alleen maar zo boos maken dat ze de speer zou werpen zodra ze dat kon, misschien voor zijzelf goed en wel was verdwenen? Het zou weinig helpen als ze met een Aielspeer door zich heen in Tanchico terugkeerde. Als ze de stromen verknoopte, zou de vrouw-in Tel’aran’rhiod worden vastgehouden, maar ze zou hulpeloos zijn als de leeuw of dat zwijn zou terugkomen.

Nee. Ze moest er gewoon voor zorgen dat de vrouw haar speer liet zakken, net lang genoeg om haar ogen veilig te kunnen sluiten en zichzelf naar Tanchico terug te brengen. Terug naar wat ze verondersteld werd te doen. Ze had geen tijd meer voor dit soort spelletjes. Ze wist niet echt of iemand die zich in Tel’aran’rhiod gedroomd had, haar op dezelfde manier kwaad kon doen als andere dingen dat konden, maar ze had geen zin daar bij een Aielspeer achter te komen. Over enkele tellen zou de Aielvrouw verdwijnen. Ze moest de vrouw zolang uit haar evenwicht houden.

Het was makkelijk om haar kleren te veranderen; het gebeurde zodra de gedachte bij haar opkwam. Egwene droeg nu hetzelfde bruin en grijs als de vrouw. ‘Ik heb geen kwaad in de zin,’ zei ze schijnbaar kalm.

De vrouw liet haar speer niet zakken. In plaats daarvan fronste ze haar wenkbrauwen en zei: ‘Je hebt geen recht op het dragen van cadin’sor, meisje.’ En opeens stond Egwene in haar blootje, in de brandende zon en op de schroeiende grond.