Even viel haar mond ongelovig open terwijl ze van de ene op de andere voet danste. Ze had gedacht dat je onmogelijk iets bij een ander kon veranderen. Zoveel mogelijkheden, zoveel regels die ze niet kende. Haastig dacht ze zichzelf terug in stevige schoenen en donkere kleding en liet tegelijkertijd de kleding van de Aielvrouw verdwijnen. Ze moest saidar geleiden om dat klaar te spelen; de vrouw moest het ontkleden van Egwene al haar aandacht hebben gegeven. Ze hield een stroom klaar om de speer te grijpen als de andere vrouw die wilde werpen.
Het was de beurt van de Aielvrouw om geschokt te kijken. Ze liet de speer vallen en Egwene benutte dat moment om haar ogen te sluiten en zichzelf naar Tanchico terug te brengen, terug naar het skelet van dat enorme everzwijn. Of wat het ook maar was. Dit keer keek ze er nauwelijks naar. Ze had genoeg van dingen die leken op everzwijnen en dat niet waren. Hoe kreeg ze dat voor elkaar? Nee! Telkens als ik over dingen pieker, dwaal ik van mijn pad af. Deze keer blijf ik het volgen.
Ze aarzelde echter. Op het moment dat ze haar ogen gesloten had, leek ze achter de Aielvrouw een andere vrouw te hebben gezien, die hen beiden gadesloeg. Een vrouw met gouden haar die een zilveren boog vasthield. Je laat je door je verbeelding meesleuren. Je hebt te veel naar Thom Merrilins verhalen geluisterd. Birgitte was allang dood; ze zou niet terugkeren vóór de Hoorn van Valere haar uit het graf zou oproepen. Geen enkele dode vrouw, zelfs niet de heldin uit legenden, kon zich Tel’aran’rhiod indromen.
De aarzeling was van korte duur. Ze kapte haar vruchteloze gepieker af en holde terug naar het plein. Hoeveel tijd had ze nog? Ze moest een hele stad doorzoeken, terwijl de tijd voorbijging en ze nog even weinig wist als toen ze begon. Had ze maar een idee waar ze naar moest kijken. Of op welke plek. Hardlopen leek haar in Wereld der Dromen niet te vermoeien, maar hoe hard ze ook rende, ze zou nooit de hele stad kunnen afwerken voordat Elayne en Nynaeve haar zouden wekken. Ze wilde niet gedwongen terugkeren. Plotseling verscheen er een vrouw tussen de zwerm duiven op het plein. Haar dunne, lichtgroene gewaad kleedde zo strak af dat het zelfs Berelain tevreden zou stellen. Haar donkere haar was in tientallen vlechtjes gekapt en haar gezicht was tot de ogen bedekt met eenzelfde doorzichtige sluier als die van de vallende man. De duiven vlogen op, net als de vrouw. Ze gleed met hen over de dichtstbijzijnde daktoppen voordat ze plotsklaps in her niets verdween.
Egwene glimlachte. Ze had altijd al willen vliegen als een vogel, en dit was tenslotte een droom. Ze sprong in de lucht, steeg verder omhoog naar de daken. Ze wiebelde even toen ze bedacht hoe belachelijk dit was – Vliegen? Mensen kunnen niet vliegen! – en kwam weer tot rust toen ze haar zelfvertrouwen had hervonden. Ze deed het gewoon en daar ging het om. Dit was een droom, en ze vloog. De wind blies in haar gezicht en ze wilde gaan giechelen.
Ze scheerde over de Panarchenkring, waar stenen banken rij na rij omlaag liepen van de hoge muur tot aan een uitgestrekt veld van harde aarde. Ze stelde zich de mensenmassa’s voor die zich daar verzameld hadden om naar een vuurfeest van het Vuurwerkersgilde te kijken. Thuis was vuurwerk iets zeldzaams. Ze kon zich het handjevol feesten met vuurwerk in Emondsveld herinneren, waarbij de volwassenen net zo opgewonden waren geweest als de kinderen. Ze zeilde als een valk over de daken, over paleizen en statige huizen, over eenvoudige woningen en winkels, pakhuizen en stallen. Ze gleed langs koepels die bekroond werden door gouden spitsen en bronzen windvanen, langs torens vol opengewerkte stenen balkons. Wagens en karren stonden te wachten op erven. Rijen schepen lagen voor anker aan de kaden in de grote haven en in de baaien tussen de schiereilanden. Alles leek in slechte staat te verkeren, elke kar, elk schip, maar ze zag niets wat op de Zwarte Ajah wees. Zou ze het wel herkennen als ze het zag?
Ze overwoog of ze zich Liandrin voor de geest zou halen – ze kende dat poppengezicht met die vele blonde vlechtjes, die zelfvoldane bruine ogen en dat meesmuilende rozenknopmondje maar al te goed – in de hoop dat ze naar de Zwarte zuster zou worden geleid. Maar als dat lukte, zou ze Liandrin ook in Tel’aran’rhiod kunnen tegenkomen, en misschien nog enkele Zwarte zusters. Dat kon ze nu niet aan. Ze bedacht opeens dat ze zich aardig te kijk zette als de Zwarte Ajah in het Tanchico van Tel’aran’rhiod zat. Ieder oog dat de hemel afzocht, zou een vliegende vrouw opmerken die niet binnen enkele tellen verdween. Haar zweefvlucht haperde en ze dook omlaag tot tussen de dakgoten. Ze zweefde nu wel langzamer door de straten, maar toch nog sneller dan een paard kon rennen. Misschien raasde ze op hen af, maar ze kon zichzelf er niet toe brengen om stil te staan en op hen te wachten.
Dwaas! riep ze zichzelf woedend toe. Dwaas! Ze kunnen al weten dat ik hier ben. Ze kunnen de val al klaarmaken. Ze overwoog om uit de droom te stappen, terug naar haar bed in Tyr, maar ze had nog niets ontdekt. Als er al iets te vinden was.
Plotseling stond er in de straat voor haar een grote, slanke vrouw, gekleed in een enorme rok en een ruimvallend wit hemd. Om de schouders had ze een bruine sjaal en om haar voorhoofd een gevouwen sjaal, die het witte haar weghield dat tot haar middel reikte. Ondanks haar eenvoudige kleren droeg ze een heleboel halskettingen en armbanden van goud en ivoor of allebei. Ze keek Egwene fronsend recht in de ogen, met haar vuisten op de heupen.
Weer zo’n dwaze vrouw die zichzelf naar een plaats heeft gedroomd waar ze niet hoort te komen en niet kan geloven wat ze ziet, dacht Egwene. Ze had een beschrijving van elke vrouw die met Liandrin was meegegaan, en geen ervan paste. Maar de vrouw verdween niet; ze bleef staan, terwijl Egwene snel naderbij kwam. Waarom gaat ze niet weg? Waarom...? O Licht! Ze is eigenlijk...! Ze griste naar de stromen om een bliksem te weven, om de vrouw in Lucht te verstrikken, en door haar verschrikte haast verprutste ze het.
‘Zet je voeten op de grond, meisje,’ blafte de vrouw, ik had al genoeg moeite om je terug te vinden zonder dat je meteen weer als een vogel wegvliegt.’
Abrupt hield Egwene op met vliegen. Haar voeten sloegen tegen het plaveisel en ze wankelde. Het was de stem van de Aielvrouw, maar deze vrouw was ouder. Niet zo oud als Egwene eerst had gedacht – feitelijk leek ze veel jonger dan de witte haren deden vermoeden – maar door haar stem en scherpe blauwe ogen was ze er zeker van dat het dezelfde vrouw was. ‘U bent... anders,’ zei ze.
‘Hier kun je zijn wat je wilt.’ De vrouw klonk ietwat beschaamd, maar slechts een klein beetje. ‘Er zijn tijden die ik me graag herinner... Dat is niet belangrijk. Jij bent van de Witte Toren? Het is lang geleden dat ze een droomloopster hadden. Heel lang. Ik ben Amys van de Negendalensibbe van de Taardad Aiel.’
‘U bent een Wijze? Dat bent u! En u kunt dromen, u kent Tel’aran’rhiod. U kunt... Mijn naam is Egwene. Egwene Alveren. Ik...’ Ze haalde diep adem; Amys leek geen vrouw om tegen te liegen, ik ben Aes Sedai. Van de Groene Ajah.’
Amys’ gezichtsuitdrukking veranderde niet echt. Misschien kneep ze even twijfelend haar ogen samen. Egwene leek amper oud genoeg voor een volwaardige Aes Sedai. Maar ze zei alleen: ik had je in je blote vel laten staan tot je om de juiste kleren zou vragen. Op die manier cadin’sor aan te trekken, alsof je... Je verraste me toen je je vrijmaakte en mijn eigen speer tegen me keerde. Maar hoe sterk je ook bent, je bent nog steeds ongeoefend. Anders zou je niet op die manier midden in mijn jacht zijn gesprongen, waar je klaarblijkelijk ook helemaal niet wilde zijn. En dit vliegen? Ben je naar Tel’aran’rhiod – Tel’aran’rhiod! – gekomen voor een plezierig tochtje naar deze stad, waar die ook mag liggen?’
‘Het is Tanchico,’ zei Egwene zwakjes. Ze wist het niet. Maar hoe had Amys haar dan kunnen vinden? Ze wist duidelijk veel meer van de Wereld der Dromen dan Egwene. ‘U kunt me helpen. Ik probeer vrouwen van de Zwarte Ajah te vinden, Duistervrienden. Ik geloof dat ze hier zijn en als dat waar is, moet ik ze vinden.’