‘Dan bestaat het dus echt,’ zei Amys bijna fluisterend. ‘Een Ajah van schaduwlopers in de Witte Toren.’ Ze schudde haar hoofd. ‘Je bent net een meisje dat zojuist met de speer is gehuwd en dat nu denkt dat ze met mannen kan worstelen en over bergen kan springen. Voor haar betekent het een paar kneuzingen en een waardevolle les in nederigheid. Voor jou kan het hier de dood betekenen.’ Amys keek om zich heen naar de witte gebouwen en haar gezicht vertrok. ‘Tanchico? In... Tarabon? Deze stad is stervende, deze stad vreet zichzelf op. Hier heerst een duisternis, een kwaad. Erger dan mannen kunnen aanrichten. Of vrouwen.’ Ze keek Egwene doordringend aan. ‘Jij kunt het niet zien of voelen, is het wel? En jij wilt in Tel’aran’rhiod op schaduwlopers jagen?’
‘Een kwaad?’ zei Egwene haastig. ‘Dat kan het zijn. Weet u het zeker? Als ik u vertel hoe zij eruitzien, zou u dan kunnen zeggen of zij het zijn? Ik kan hen beschrijven. Ik kan een ervan tot aan haar laatste vlecht beschrijven.’
‘Een kind,’ mompelde Amys, ‘dat op staande voet een zilveren armband van haar vader verlangt, terwijl ze niets weet van handel of het maken van armbanden. Je hebt nog veel te leren. Veel meer dan waar ik nu mee kan beginnen. Kom met me mee naar het Drievoudige Land. Ik zal de stammen berichten dat een Aes Sedai die Egwene Alveren heet naar mij gebracht moet worden in Koudrotsveste. Geef je naam en toon je ring van het Grote Serpent, en je zult een veilige doortocht hebben. Daar ben ik momenteel niet, ik ben in Rhuidean, maar vóór je komst ben ik weer in de veste.’
‘Alstublieft, u moet me helpen. Ik moet weten of ze hier zijn. Ik moet het weten.’
‘Maar ik kan het je niet zeggen. Ik ken hen niet, noch deze plek, dit Tanchico. Je moet naar mij komen. Wat jij doet is gevaarlijk, veel gevaarlijker dan je denkt. Je moet... Waar ga je naartoe? Blijf!’ Iets scheen Egwene te grijpen en de duisternis in te trekken. Amys’ stem volgde haar, hol en wegstervend. ‘Je moet naar me toekomen om te Ieren. Je moet...’
12
Tanchico of Tar Valon
Elayne haalde moeizaam maar opgelucht adem toen Egwene zich eindelijk bewoog en haar ogen opende. Aviendha stond bij het voeteneind en de trekken van verbeten bezorgdheid in haar gezicht verdwenen. Ze glimlachte snel toen Egwene bijgekomen bleek te zijn. De kaars was tot vlak onder het merkteken opgebrand, het leek echter langer dan een uur geleden.
‘Je wilde maar niet wakker worden,’ zei Elayne beverig, ik bleef steeds aan je schudden en je werd maar niet wakker.’ Ze lachte ietwat benauwd. ‘O, Egwene, je hebt zelfs Aviendha bang gemaakt.’ Egwene gaf haar een geruststellend kneepje in de arm. ‘Maar nu ben ik terug.’ Ze klonk vermoeid en haar nachthemd was helemaal bezweet. ik denk dat ik een reden had om nog iets langer te blijven dan we afgesproken hadden. De volgende keer zal ik voorzichtiger zijn, dat beloof ik je.’
Nynaeve zette de lampetkan tamelijk heftig terug op de wastafel, en er klotste wat water uit. Ze had op het punt gestaan water in Egwenes gezicht te gooien. Ze deed beheerst, maar de kan kletterde in de waskom en ze liet het water gewoon op het tapijt druppelen. ‘Heb je iets gevonden? Of was het...? Egwene, als de Wereld der Dromen je op de een of andere manier in haar greep kan krijgen, dan is het misschien te gevaarlijk en moet je er meer over leren. Misschien wordt het, hoe vaker je gaat, steeds moeilijker om terug te komen. Misschien... Ik weet het niet. Maar ik weet wel dat we niet het gevaar mogen lopen jou te verliezen.’ Ze sloeg haar armen over elkaar, klaar voor elke tegenwerping.
‘Dat weet ik,’ zei Egwene bijna gedwee. Elaynes wenkbrauwen gingen omhoog; Egwene was nooit gedwee als het Nynaeve betrof. Allesbehalve.
Egwene kwam moeizaam overeind. Ze sloeg Elaynes hulp af en zocht haar weg naar de wastafel om haar gezicht en armen in het betrekkelijk koele water te dompelen. Elayne vond een droog nachthemd in de kast en Egwene trok haar doorweekte hemd uit. ‘Ik heb een Wijze ontmoet. Ze heet Amys.’ Egwenes stem klonk gedempt tot haar hoofd uit het schone nachthemd schoot. ‘Ze zei dat ik naar haar toe moest komen om Tel’aran’rhiod te leren kennen. Ergens in de Woestenij, op een plek die Koudrotsveste heet.’ Elayne zag een vonkje in Aviendha’s ogen toen de naam van de Wijze viel. ‘Ken je haar? Die Amys?’
De Aielvrouw knikte aarzelend. ‘Een Wijze. Een droomloopster. Amys was Far Dareis Mai tot ze de speer opgaf om zich naar Rhuidean te begeven.’
‘Een Speervrouwe!’ riep Egwene uit. ‘Dus daarom... Laat maar. Ze zei dat ze nu in Rhuidean is. Weet je waar Koudrotsveste ligt, Aviendha?’
‘Natuurlijk. Koudrots is Rhuarcs veste. Rhuarc is de man van Amys. Ik bezoek de veste soms. Dat deed ik tenminste. Mijn zustermoeder Lian is de zustergade van Amys.’
Elayne wisselde vragende blikken met Egwene en Nynaeve. Ze had ooit gedacht dat ze behoorlijk veel over de Aiel wist, allemaal opgestoken van haar leraren in Caemlin, maar sinds ze Aviendha kende, had ze ontdekt hoe weinig ze eigenlijk wist. Gewoonten en familiebanden waren een doolhof. Eerstezusters betekende dat men dezelfde moeder had. Het was echter voor vriendinnen mogelijk eikaars eerstezuster te wórden door een gelofte af te leggen voor een Wijze. Tweedezusters betekende dat de moeders zusters waren. Als de vaders broeders waren, dan ging het om vaderzusters, wat werd beschouwd als een minder nauwe band dan die van tweedezusters. Daarna werd het werkelijk verwarrend.
‘Wat betekent “zustergade”?’ vroeg ze aarzelend. ‘Dat je dezelfde man hebt.’ Aviendha keek wat verstoord toen Egwene naar adem hapte en Nynaeves ogen zich wagenwijd opensperden. Elayne had dit antwoord half en half verwacht, maar ze bleef haar rok, die al keurig zat, goed strijken. ‘Jullie hebben die gewoonte niet?’ vroeg de Aielvrouw.
‘Nee,’ zei Egwene zwakjes. ‘Nee, wij niet.’
‘Maar jij en Elayne zorgen voor elkaar als eerstezusters. Wat zou je gedaan hebben als een van jullie niet bereid was om vanwege Rhand Altor opzij te stappen? Om hem strijden? Een man die jullie band verzwakt? Dan is het toch beter om hem allebei te huwen?’
Elayne keek naar Egwene. De gedachte aan... Zou ze zoiets kunnen doen? Zelfs met Egwene? Ze voelde haar wangen gloeien. Egwene keek slechts ietwat verschrikt.
‘Maar ik wilde zelf opzij stappen,’ zei Egwene.
Elayne wist dat die opmerking zowel haar als Aviendha gold, maar ze bleef erover doordenken. Had Min zo’n soort visioen gehad? Wat zou ze doen als Min er een had gekregen? Als het Berelain is, wurg ik baar, en hem erbij! Als er iemand moet zijn, waarom Egwene dan niet? Licht, wat zit ik eigenlijk te denken? Ze wist dat ze bloosde en daarom zei ze luchtig: ‘Je klinkt alsof de man hierin geen keus heeft.’
‘Hij kan nee zeggen,’ zei Aviendha, alsof dat het meest voor de hand lag, ‘maar als hij de een wil huwen, moet hij de ander ook huwen, als zij daar om vragen. Wees alsjeblieft niet beledigd, maar ik was ontsteld toen ik hoorde dat in jullie landen een man aan een vrouw vraagt hem te huwen. Een man hoon zijn belangstelling kenbaar te maken en dan te wachten tot de vrouw zich uitspreekt. Natuurlijk zijn er vrouwen die een man een duwtje geven om te zien waar zijn belangstelling ligt, maar het recht van die vraag ligt bij haar. Ik weet niet veel van deze zaken af. Ik wilde van kinds af aan Far Dareis Mai zijn. Het enige dat ik in mijn leven verlang, zijn de speer en mijn speerzusters,’ besloot ze heftig.
‘Niemand probeert jou tot een huwelijk te bewegen,’ zei Egwene kalmerend. Aviendha keek haar verschrikt aan.
Nynaeve schraapte luidruchtig haar keel. Elayne vroeg zich af of ze aan Lan had zitten denken; haar wangen vertoonden duidelijk rode plekken. ‘Ik neem aan, Egwene,’ zei Nynaeve met een al te harde stem, ‘dat je niet gevonden hebt wat je zocht, anders zou je er onderhand iets over hebben gezegd.’