Zweet parelde op het gezicht van de koopman. ‘Niemand, mijn heer. Ik heb verder van niemand gehoord. Het zijn maar geruchten, mijn heer. Stro in de wind, niks meer. Een rookwolkje dat snel verdwijnt. Kan ik u dienen met een vat tobak uit Tweewater? Een gebaar van achting... een grote eer voor... om uit te drukken hoezeer...’ Mart gooide een Andoraanse goudkroon op de tafel. ‘Drink wat van mij tot dat op is.’
Toen hij zich omdraaide, hoorde hij het gemompel opstijgen, ik dacht dat hij me de keel ging afsnijden. Je weet hoe die jonge heren zijn als ze vol wijn zitten.’ Dat kwam van de man met het vorkbaardje. ‘Een vreemde jongeman,’ zei de vrouw. ‘Gevaarlijk. Probeer geen kunstjes bij dat slag mensen, Paetram.’ ik denk dat het helemaal geen echte heer is,’ zei een andere mannenstem gemelijk. De Cairhienin, veronderstelde Mart. Zijn mondhoeken krulden. Een heer? Van z’n levensdagen wilde hij geen heer zijn, al boden ze hem het aan. Witmantels in Tweewater. Licht’. Licht sta ons bij!
Hij baande zich een weg naar buiten en trok een paar houten klompen uit de stapel naast de deur. Hij had geen idee of het de zijne waren – ze leken allemaal op elkaar – en gaf er geen steen om. Ze pasten.
Het was gaan regenen, wat de duisternis nog zwarter maakte. Hij sloeg zijn kraag op en liep in een onhandig drafje spetterend door de modderstraten van de Maule, voorbij lawaaierige taveernes, goed verlichte herbergen en huizen met donkere ramen. Toen de modder bij de muur rond de binnenstad overging in stenen, schopte hij z’n klompen uit en holde verder. De Verdedigers die de poort naar de Steen bewaakten, lieten hem zonder meer naar binnen; ze kenden hem. Hij bleef doorhollen tot hij bij Perijns kamer was en gooide de deur open, amper de gesplinterde barst in het hout opmerkend. Perijns zadeltas lag op het bed en Perijn pakte zijn hemden en kousen in. Er brandde slechts een kaars, maar hij leek de schemer niet erg te vinden. ‘Je hebt het al gehoord,’ zei Mart.
Perijn ging verder met inpakken. ‘Over thuis? Ja, ik was in de stad om een of ander gerucht voor Faile op te vangen. Na vanavond moet ik haar meer dan ooit...’ Zijn lage kelige gegrom bezorgde Mart kippenvel; het klonk als een boze wolf. ‘Doet er niet toe. Ik heb het gehoord. Misschien voldoet dit even goed.’
Even goed als wat? vroeg Mart zich af. ‘Geloof je het?’ Heel even keek Perijn op; zijn ogen vingen het kaarslicht op en glommen flonkerend goudgeel. ‘Voor mij bestaat er weinig twijfel. Het komt veel te dicht bij de waarheid.’
Mart schuifelde onrustig met zijn voeten. ‘Weet Rhand het?’ Perijn knikte slechts en begon weer in te pakken. ‘Nou? Wat zegt hij ervan?’ Perijn hield op en staarde naar de opgevouwen mantel in zijn handen. ‘Hij mompelde wat in zichzelf. Hij zei dat hij het ging doen. Hij zei: “Ik had hem moeten geloven.” Zoiets. Allemaal onzin. Toen greep hij me bij m’n kraag en zei dat hij iets moest doen “waar ze niet op rekenden”. Hij wilde dat ik hem begreep, maar ik vraag me af of hij het zelf weet. Hij leek het niet belangrijk te vinden of ik bleef of vertrok. Nee, dat neem ik terug. Ik denk dat het hem opluchtte dat ik vertrok.’
‘Het komt er dus op neer dat hij helemaal niks doet,’ zei Mart. ‘Licht, met Callandor kan hij wel duizend Witmantels verslaan! Heb je gezien wat hij met die vervloekte Trolloks heeft gedaan? Je gaat weg, hè? Terug naar Tweewater? Alleen?’
‘Tenzij jij meegaat.’ Perijn propte de mantel in de tas. ‘Ga je mee?’ Mart antwoordde niet, maar begon te ijsberen, zijn gezicht beurtelings in het duister en de schemer. In Emondsveld waren zijn vader en moeder, en zijn zusjes. De Witmantels hadden geen reden om hen kwaad te doen. Als hij naar huis ging, had hij het gevoel dat hij nooit meer weg zou komen, dat zijn moeder hem zou laten trouwen voor hij was gaan zitten. Maar als hij niet ging, als de Witmantels hen kwaad zouden doen... Die Witmantels hadden genoeg aan een gefluisterd woord, had hij weieens gehoord. Maar waarom zouden er over hem geruchten de ronde doen? Zelfs die leugenaars en herrieschoppers van Kopin mochten zijn vader. ledereen mocht Abel Cauton. ‘Je hoeft niet te gaan,’ zei Perijn kalm. ‘Ik heb over jou niks gehoord. Alleen over Rhand en mij.’
‘Bloedvuur, ik g...’ Hij kon het niet zeggen. Denken aan vertrekken was heel gemakkelijk, maar zeggen dar hij ging? Zijn keel kneep zich samen en wurgde de woorden weg. ‘Is het gemakkelijk voor jou, Perijn? Weggaan bedoel ik? Voel jij... niets? Iets wat jou probeert tegen te houden? Iets wat je redenen geeft om niet te gaan?’
‘Honderden, Mart, maar ik weet dat het allemaal neerkomt op Rhand en ta’veren. Jij wilt dat niet toegeven, hè? Er zijn honderden redenen om te blijven, maar die ene reden om te gaan, weegt zwaarder. De Witmantels zitten in Tweewater en ze zullen mensen pijn doen om mij te vinden. Ik kan ze tegenhouden als ik ga.’
‘Waarom willen de Witmantels jou zo graag in handen krijgen dat ze anderen ervoor willen straffen? Licht, als ze daar rondvragen naar een jongen met gele ogen, weet niemand in Emondsveld waar ze het over hebben! En hoe kun je zoiets tegenhouden? Een stel handen erbij zal weinig helpen. Ha! De Witmantels zullen een lap leer moeten wegslikken als ze denken dat ze de mensen van Tweewater kunnen koeioneren.’
‘Ze weten hoe ik heet,’ zei Perijn zachtjes. Zijn blik gleed naar zijn bijl, die vastgebonden aan de muur hing. De riem was om de steel en rond de haak in de muur gewikkeld. Of misschien staarde hij naar zijn hamer, die onder de bijl tegen de muur stond; Mart wist het niet zeker. ‘Ze kunnen mijn familie vinden. En het waarom? Ze hebben hun redenen, Mart. Net zoals ik mijn reden heb. Wie kan zeggen welke de beste is?’
‘Bloedvuur, Perijn! Bloedvuur! Ik wil g... g... Zie je? Ik kan het niet eens meer zeggen. Alsof mijn hoofd weet dat ik het zal doen als ik het zeg. Ik kan het niet eens uit mijn hoofd zetten!’
‘Verschillende paden. We zijn al eens eerder gescheiden op pad gegaan.’
‘Verschillende paden, bloed en as,’ mopperde Mart. ik heb straal genoeg van Rhand. En van Aes Sedai die me aan hun bloedtouwtjes meevoeren. Ik wil voor de verandering eens ergens heen waar ik heen wil en doen wat ik wil doen.’ Hij draaide zich om naar de deur, maar Perijns stem hield hem staande.
‘Ik hoop dat jouw pad een goed pad is, Mart. Moge het Licht je mooie meisjes en domme dobbelaars geven.’
‘Ach, ik mag branden, Perijn. Moge het Licht jou eveneens geven wat je wenst.’
‘Ik denk het wel.’ Hij leek niet erg blij met het vooruitzicht.
‘Wil je mijn pa zeggen dat het goed met me gaat? En mijn moeder? Ze maakt zich altijd zoveel zorgen. En hou een oogje op mijn zusjes. Ze bespiedden me altijd en verklikten alles aan moeder, maar ik wil niet dat hun iets overkomt.’
‘Dat beloof ik je, Mart.’
Mart sloot de deur achter zich en liep doelloos de gang uit. Zijn zussen Eldrin en Bodewin stonden altijd klaar met hun geroep: ‘Mama! Mart zit weer in moeilijkheden. Mart doet iets wat niet mag, mama.’ Vooral Bode. Ze zouden nu zestien en zeventien zijn. Binnen niet al te lange tijd zouden ze aan trouwen gaan denken, met de een of andere saaie boer die het waarschijnlijk nog niet eens wist. Was hij alweer zo lang weg? Soms leek het nog maar kort. Soms voelde het net alsof hij pas een week of twee uit Emondsveld weg was. Andere keren leken het wel jaren die hij zich vaag herinnerde. Hij wist nog hoe Eldrin en Bode vol leedvermaak toekeken wanneer hij weer eens een pak rammel kreeg, maar hun gezichten kon hij zich niet meer scherp voor de geest halen. De gezichten van zijn eigen zusjes! Die rottige gaten in zijn geheugen, net alsof hij gaten in zijn leven had.
Berelain kwam hem tegemoet en hij moest ondanks zichzelf grinniken. Ze mocht dan haar maniertjes hebben, maar ze bleef een bééld van een vrouw. Dat strakke gewaad van witte zijde was zo dun als wat en dan keek hij nog maar niet naar die lage halslijn, waardoor er een aanzienlijke hoeveelheid van haar prachtige witte borsten zichtbaar was. Hij maakte zijn mooiste diepe buiging, sierlijk en vormelijk. ‘Een goede avond voor u, mijn vrouwe.’ Ze leek langs hem heen te schuiven zonder hem één blik waardig te keuren en hij richtte zich boos op. ‘Ben je zowel doof als blind, mens? Ik ben geen tapijt waar je overheen kunt stappen en ik heb me toch echt iets horen zeggen! Als ik in je billen knijp, kun je me een klap geven, maar zolang ik dat niet doe, verwacht ik een beleefd woord bij een beleefde groet.’