De Eerste bleef stokstijf staan en nam hem op zoals vrouwen altijd deden. Aan hun ogen te zien waren ze daarna in staat een hemd voor hem naaien, te vertellen hoe zwaar hij was en dan ook nog te zeggen wanneer hij voor het laatst in bad was geweest. Toen draaide ze zich om en mompelde iets in zichzelf. Hij ving alleen maar op: ‘Lijkt te veel op mij.’
Hij staarde haar stomverbaasd na. Geen enkel woord! Dat gezicht, die sierlijke stap, en met haar neus zo hoog in de lucht dat het een wonder was dat ze niet zweefde. Zo werd hij behandeld als hij met mensen als Berelain en Elayne praatte. Edellieden vonden je vuil, tenzij je een paleis had en een stamboom tot aan Artur Haviksvleugel. Nou, hij kende een stevige helpster van een kokkin – net stevig genoeg – die hem geen stof vond. Dara kon zo lekker aan zijn oor knabbelen – Geschokt bleef hij doodstil staan. Hij had lopen overwegen of hij Dara zou opzoeken, om lekker samen in bed te kruipen. Hij had zelfs aan Berelain lopen denken. Berelain! En zijn laatste woorden tegen Perijn waren nog wel geweest: Hou een oogje op mijn zusjes! Alsof hij reeds besloten had, alsof hij al wist wat hij ging doen. Maar hij had nog niet besloten! Zo gemakkelijk nam hij geen besluit, zeker niet door alles z’n beloop te laten. Misschien was er een andere mogelijkheid. Hij viste een gouden munt uit zijn zak, gooide hem omhoog en ving hem weer op de rug van zijn hand. Nu pas zag hij dat het een Tarvalonse mark was; hij stond naar de traanvorm van de Tarvalonse Vlam te staren. ‘Bloed en as, voor alle Aes Sedai!’ verkondigde hij hardop. ‘En bloedvuur voor Rhand dat ik er zo ingestonken ben!’ Een bediende in het zwart en goud van de Steen bleef opeens stokstijf staan en nam hem bezorgd op. Het zilveren dienblad van de man stond vol rolletjes verband en kruikjes zalf. Zodra de man besefte dat Mart hem gezien had, maakte hij een sprongetje van schrik. Mart gooide de munt op het dienblad. ‘Van de grootste stommeling van de wereld. Zorg ervoor dat je dat goed uitgeeft. Aan vrouwen en wijn.’
‘D... dank u, mijn heer,’ stamelde de man stomverbaasd.
Mart liet hem achter. De grootste stommeling van de wereld. Dat ben ik zeker.
14
Gewoonten van Mayene
Perijn keek de vertrekkende Mart hoofdschuddend na. Mart zou zich liever met een hamer op zijn kop slaan dan naar Tweewater terugkeren. Tenzij hij moest. Perijn zou ook graag een manier vinden om niet naar huis te hoeven gaan, maar die was er niet; dat was een onverbiddelijk, staalhard feit. In tegenstelling tot Mart was hij echter bereid dat te aanvaarden, ook al wilde hij liever niet gaan. Hij trok voorzichtig zijn hemd uit en kreunde. Zijn hele linkerschouder was één grote kneuzing die al naar geel en bruin verkleurde. Een Trollok was langs zijn bijl gegleden en alleen het snelle messenwerk van Faile had erger voorkomen. Wassen was een pijnlijk gedoe, maar over koud water in Tyr hoefde hij zich tenminste geen zorgen te maken.
Alles was ingepakt, hij was gereed en de schone kleren voor morgenochtend lagen klaar. Bij zonsopgang zou hij Loial opzoeken. Het had geen zin de Ogier vannacht nog lastig te vallen. Hij sliep waarschijnlijk al en Perijn wilde zijn voorbeeld zo snel mogelijk volgen. Alleen Faile was een probleem. Hij had nog geen oplossing voor haar kunnen bedenken. Zelfs in Tyr blijven was beter dan met hem meegaan. De deur ging open, het verraste hem. Een reukwaterlucht dreef op hem toe zodra de deur piepte, waardoor hij moest denken aan wingerdbloemen op een hete zomeravond. Een verlokkende geur – behalve voor hem – niet te zwaar, maar niet iets wat Faile zou opdoen. Hij was verbaasd toen hij Berelain zijn kamer zag binnenstappen. Ze hield zich met knipperende ogen aan de deur vast, waardoor hij besefte hoe donker het voor haar moest zijn. ‘Ga je ergens heen?’ vroeg ze aarzelend. Met het licht van de ganglampen achter haar moest hij zich bedwingen niet te gaan staren.
‘Ja, mijn vrouwe.’ Hij maakte een buiging, niet erg sierlijk maar zo goed hij kon. Faile kon wat hem betrof zo giftig snuiven als ze wilde, maar hij zag geen reden onbeleefd te zijn. ‘Morgenochtend.’ ik ook.’ Ze sloot de deur en sloeg haar armen over elkaar. Hij keek de andere kant op en hield haar vanuit zijn ooghoeken in de gaten, zodat ze niet kon denken dat hij haar stond aan te gapen. Ze ging door alsof ze niets had gemerkt. De kaarsvlam spiegelde in haar ogen. ‘Na vanavond... Morgen vertrek ik met een koets naar Godan, waar ik me inscheep voor Mayene. Ik had enkele dagen geleden al moeten gaan, maar ik wilde een oplossing vinden. Die was er natuurlijk niet. Ik had dat eerder moeten inzien. Deze avond heeft me overtuigd. De manier waarop hij... Al die bliksems die door de gangen vlogen... Ik vertrek morgen.’
‘Mijn vrouwe, waarom vertelt u dit aan mij?’ vroeg Perijn verwonderd.
De manier waarop ze haar kin omhoogstak, herinnerde hem aan een merrie in Emondsveld die hij een paar keer had beslagen en die hem dan had willen bijten. ‘Zodat je het aan Heer Draak kunt vertellen, natuurlijk.’
Hij begreep er nog steeds niets van. ‘Dat kunt u hem beter zelf zeggen,’ antwoordde hij een tikkeltje ongeduldig, ik heb voor mijn vertrek geen tijd om boodschappen door te geven.’ ik... ik denk niet dat hij me wil ontvangen.’
Iedere man zou haar graag willen ontvangen; ze was prachtig om te zien en dat wist ze maar al te goed. Hij meende dat ze iets anders had willen zeggen. Was ze misschien bang geworden door wat er vanavond in Rhands slaapvertrek was gebeurd? Of door wat Rhand had gedaan om er een eind aan te maken? Misschien, maar zo bangelijk was ze niet, als hij zag hoe koel ze hem opnam. ‘Geef uw boodschap aan een dienaar, mijn vrouwe. Ik betwijfel of ik Rhand nog zie. Zeker niet voor ik vertrek. Elke dienaar kan hem een briefje brengen.’
‘Maar jij bent een vriend van hem, het kan beter van jou...’
‘Geef Het aan een dienaar. Of aan een Aiel.’
‘Je doet niet wat ik je vraag?’ vroeg ze ongelovig. ‘Nee. Hebt u niet geluisterd?’
Opnieuw wierp ze haar hoofd in de nek, maar ditmaal was het anders, hoewel hij niet precies kon zeggen hoe. Ze nam hem nadenkend op, half in zichzelf mompelend. ‘Zulke opvallende ogen.’
‘Wat?’ Opeens drong het tot hem door dat hij daar halfnaakt stond. Ze bekeek hem zo nauwkeurig dat hij opeens moest denken aan het keuren van een paard vóór de koop. Als hij niet oppaste, zou ze straks zijn enkels bevoelen en zijn tanden bekijken. Hij griste het hemd dat hij voor morgen had bedoeld van het bed en trok het aan. ‘Geef uw boodschap aan een dienaar. Ik wil gaan slapen, want ik wil vroeg op. Voor de zon opkomt.’
‘Waar ga je heen?’
‘Naar huis. Tweewater. Het is al laat. Als u morgen ook afreist, neem ik aan dat u ook nog wilt slapen. Ik weet dat ik doodmoe ben.’ Hij gaapte zo luid mogelijk.
Nog steeds maakte ze geen aanstalten om naar de deur te gaan. ‘Jij bent smid? Ik heb in Mayene een smid nodig. Voor siersmeedwerk. Wat dacht je van een kort verblijf daar voor je naar Tweewater terugkeert? Je zult Mayene heel... onderhoudend vinden.’ ik ga naar huis,’ vertelde hij haar vastbesloten, ‘en u gaat terug naar uw eigen vertrekken.’
Ze schokschouderde, waardoor hij weer haastig de andere kant opkeek. ‘Misschien later. Uiteindelijk krijg ik altijd wat ik wil. En ik denk dat ik...’ Ze zweeg, nam hem van boven tot onder op. ‘... siersmeedwerk wens. Voor de ramen van mijn slaapkamer.’ Haar glimlach was zo onschuldig dat in zijn hoofd de noodklokken begonnen te luiden. Opnieuw ging de deur open en Faile kwam binnen. ‘Perijn, ik was je in de stad aan het zoeken en toen hoorde ik een gerucht dat...’ Ze bleef stokstijf staan en keek Berelain kil aan.