Выбрать главу

Maar dat weet ik pas als ik het probeer, hè? Geluk! Hij haalde diep adem en stak er kuchend van het stof zijn voet in. Hij leek door een schild van felwit licht heen te stappen, oneindig fel, oneindig dik. Voor een ogenblik, dat eeuwen leek te duren, was hij blind. In zijn oren daverde een gebulder alsof hij alle geluiden van de wereld tegelijk hoorde. Het duurde slechts zo lang als zijn ene, onmeetbare stap.

Struikelend deed hij nog een stap en staarde stomverbaasd rond. De ter’angreaal stond er nog steeds, maar dit was zeker niet dezelfde plek waar hij vandaan gekomen was. De verwrongen stenen doorgang stond midden in een ronde zaal met een plafond dat zo hoog was dat het in de schaduwen verdween. Hij werd omringd door vreemde gele spiraalzuilen die kronkelend opstegen naar het hoge duister, alsof enorme klimranken zich verstrengeld hadden rond hoge palen die later waren weggehaald. Een zacht licht kwam van gloeiende bollen boven op een verstrengelde standaard van een soort wit metaal. Geen zilver, daar glom het niet genoeg voor. Hij kon de bron van het gloeilicht niet ontdekken; het leek geen vuur, de bollen glansden gewoon. De vloertegels liepen in spiralen van witte en gele banen weg van de ter’angreaal. Er hing een sterke geur, scherp en droog en niet echt prettig. Hij wilde zich eigenlijk ter plekke omdraaien en teruggaan. ‘Een lange tijd geleden.’

Hij sprong op, een mes verscheen in zijn hand en hij zocht tussen de zuilen naar de bron van die hijgende stem die de woorden zo grof uitsprak.

‘Een lange tijd geleden, maar de zoekers komen wederom voor antwoorden. Wederom verschijnen de vragenstellers.’ Tussen de zuilen bewoog een schaduw; een man, dacht Mart. ‘Goed, u hebt geen lampen of fakkels meegenomen, zoals de overeenkomst was, is en immer zal zijn. U hebt geen ijzer? Geen muziekinstrumenten?’ De gestalte stapte tussen de zuilen vandaan. Zijn armen, benen en lijf waren in vele lagen gele stof gewikkeld en hij liep op blote voeten. Opeens wist Mart niet meer zo zeker of het wel een man was. Of een mens. Op het eerste gezicht zag hij er wel menselijk uit, misschien iets te rank, maar zijn lange gezicht en lijf leken veel te mager voor zijn lengte. De huid en ook de gladde zwarte haren weerkaatsten het bleke licht op een manier die hem aan slangenschubben deed denken. En die ogen! De pupillen vormden zwarte, rechtopstaande spleetjes. Nee, niet menselijk.

‘Ijzer. Muziekinstrumenten. Hebt u die op uw persoon?’ Mart vroeg zich af waarvan de man dacht dat een mes gemaakt was, maar hij leek er zich geen zorgen om te maken. Nou ja, het lemmet was van uitstekend staal, niet van ijzer. ‘Nee. Geen ijzer en geen muziek... Waarom?’ Hij zweeg abrupt. Drie vragen had Egwene gezegd. Hij wilde er geen verknoeien aan ‘ijzer’ of ‘muziekinstrumenten’. Waarom zou hij erom geven of ik een handvol muzikanten in mijn zak heb en een smidse op mijn rug meedraag? ik ben hier voor ware antwoorden. Als u niet degene bent die ze geeft, breng me dan naar degene die dat wel kan.’

De man – het was toch wel een man, besloot Mart – glimlachte zuinig. Zijn tanden bleven onzichtbaar. ‘Volgens de overeenkomst. Volg mij.’ Hij wenkte met een lange wijsvinger. ‘Volg.’ Mart liet het mes in zijn mouw verdwijnen. ‘Ga maar voor, ik kom achter je aan.’ Blijf keurig voor me uitlopen en in het volle zicht. Ik krijg de bibbers van deze plek.

Toen hij de vreemde man volgde, viel er nergens één rechte lijn te ontdekken, afgezien van de vlakke vloer zelf. Zelfs de zoldering was een en al boog en de wanden bolden naar buiten. De gangen draaiden voortdurend in kringen, de doorgangen vertoonden bogen en de vensters waren volmaakt rond. Tegels vormden spiralen en kronkelende lijnen, en een soort bronzen rooster dat regelmatig in het plafond terugkeerde, vertoonde ingewikkelde krullen. Nergens hingen afbeeldingen, wandtapijten of schilderingen. Slechts patronen en kronkels. Hij zag niemand, behalve zijn zwijgende gids. Hij zou zonder meer hebben aangenomen dat het gebouw verlaten was, afgezien van hem en de gids. Ergens bezat hij een vage herinnering aan door gangen lopen waar in honderden jaren geen mens een voet had gezet en dit voelde hetzelfde aan. Niettemin ving hij vanuit z’n ooghoeken toch zo nu en dan een flikkerende beweging op. Hoe snel hij zich ook omdraaide, hij zag nooit iemand. Hij deed net alsof hij over zijn onderarmen wreef als hij voor de zekerheid de messen in zijn mouwen bevoelde.

Wat hij door de ronde vensters buiten zag, was nog erger. Hoge sprietige bomen met bovenaan takken als een halve bol en andere bomen als enorme kanten bladerwaaiers. Alles groeide door elkaar heen als in het midden van een door struikheide overwoekerd bosje, in een vaag, bewolkt licht, hoewel er geen enkele wolk te zien was. Er waren altijd vensters, altijd aan een kant van de kromme gang, maar soms veranderde die kant, en wat toch echt een blik op een binnenhof of kamers behoorde te bieden, keek uit op dat woud. Hij ving door die ramen nooit, maar dan ook nooit een glimp op van een ander deel van het paleis, of wat dit gebouw ook was, en ook niet van een ander gebouw. Behalve...

Achter een rond venster zag hij drie hoge zilverige spitsen die naar elkaar toe bogen, zodat hun punten alle drie dezelfde plek aanwezen. Achter het volgende raam, maar drie pas verder, waren ze echter niet meer te zien. Toen hij en zijn gids even later zoveel bochten waren doorgelopen dat hij op een andere richting had moeten uitkijken, zag hij ze opnieuw. Hij probeerde zichzelf wijs te maken dat dit drie andere spitsen waren, maar tussen hem en die spitsen stond net zo’n waaierboom en aan die boom bungelde net zo’n afgebroken tak als aan de boom die hij de eerste keer voor de spitsen had gezien. Toen hij de spitsen en de boom met de afgebroken tak voor de derde keer zag, ditmaal tien passen verder, maar aan de andere kant van de gang, wilde hij helemaal niet meer naar buiten kijken.

Er leek geen eind aan de wandeling te komen.

‘Wanneer...? Zijn we...?’ Mart klemde zijn tanden op elkaar. Drie vragen. Het was moeilijk iets te weten te komen zonder vragen te stellen. ‘Ik hoop dat u me meeneemt naar diegenen die mijn vragen beantwoorden. Mijn botten mogen branden, dat hoop ik echt. Zowel voor jou als voor mij, het Licht weet dat het waar is.’

‘Hier,’ zei de vreemde kerel in de gele kleding en gebaarde met een magere hand naar een ronde doorgang die tweemaal zo groot was als de andere die Mart gezien had. Zijn vreemde ogen namen Mart strak op. Zijn mond hing open en zijn ademhaling was lang en traag. Mart keek hem achterdochtig aan en de vreemdeling gaf een kronkelende ruk aan zijn schouders. ‘Hier zult u wellicht uw antwoorden vinden. Treed binnen. Treed binnen en vraag.’

Mart haalde diep adem, grijnsde toen en wreef over zijn neus. Die scherpe, zware geur was een smerige ergernis. Hij deed aarzelend een pas naar de hoge doorgang en keek om naar zijn gids. De kerel was weg. Licht! Ik vraag me af waarom ik me nog over de dingen hier verbaas. Nou, ik mag branden als ik nu nog terugga. Terwijl hij er niet aan probeerde te denken of hij de ter’angreaal weer zou kunnen terugvinden, ging hij naar binnen.