Выбрать главу

Het was wederom een rond vertrek, met rode en witte tegelspiralen onder een koepelgewelf. Er waren geen zuilen en er stond geen enkel meubelstuk; er waren slechts drie omhoog kronkelende sokkels rond het middelpunt van de tegelspiralen. Mart begreep niet hoe iemand erbovenop kon komen, behalve door langs de windingen te klimmen, maar boven op elke sokkel zat een man in kleermakerszit. Ze leken op zijn gids, maar deze drie waren gekleed in vele lagen rode stof. Niet alleen mannen, besloot hij na een tweede nauwkeurige blik. Twee van die langwerpige gezichten met vreemde ogen hadden iets vrouwelijks. Ze staarden hem intens en doordringend aan en ademden diep in en uit, bijna hijgend. Hij vroeg zich af of hij hen op de een of andere manier zenuwachtig maakte. Bestaat bloedweinig kans op. Maar mij jagen ze wel de stuipen op het lijf. ‘Het is lang geleden,’ zei de vrouw rechts. ‘Heel lang,’ voegde de vrouw links eraan toe. ‘Niettemin komen ze weer,’ beaamde de man.

Alle drie hadden ze net zo’n hijgende stem als zijn gids – die was er feitelijk nauwelijks van te onderscheiden – en ze spraken hun woorden even ruw uit. Ze begonnen tegelijk te praten; de woorden hadden uit één mond kunnen komen. ‘Treed nader en vraag, volgens de aloude overeenkomst.’

Misschien had Mart eerder gedacht de bibbers te krijgen, maar nu wist hij zeker dat hij beefde van top tot teen. Hij vermande zich en stapte naderbij. Zorgvuldig – er goed op lettend dat geen enkele zin als een vraag kon worden opgevat – zette hij de toestand uiteen. De Witmantels, zeker in zijn geboortedorp, zeker op jacht naar vrienden van hem, misschien naar hem. Eén vriend die de Witmantels het hoofd ging bieden, de andere niet. Zijn familie, waarschijnlijk niet in gevaar, maar nu die vervloekte Kinderen van het vervloekte Licht daar waren... Een ta’veren die zo hard aan hem trok dat hij nauwelijks weg kon. Hij zag geen reden ze namen te geven of te vermelden dat Rhand de Herrezen Draak was. Zijn eerste vraag – en ook de twee volgende – had hij al bedacht voor hij de Grote Borg was binnengegaan. ‘Moet ik naar huis om mijn mensen te helpen?’ vroeg hij ten slotte. Drie paar slangenogen maakten zich zo te zien aarzelend van hem los en bestudeerden de lucht boven zijn hoofd. Ten slotte zei de vrouw links: ‘U moet naar Rhuidean.’

Zodra zij de .woorden had geuit, gleden zes ogen weer naar hem omlaag. Ze bogen zich voorover, opnieuw luid snuivend, maar op dat moment klepte een klok, een doordringend schel geluid dat in het vertrek weergalmde. Ze richtten zich op, staarden eerst elkaar aan en toen weer naar de lucht boven Marts hoofd.

‘Hij is er een van,’ fluisterde de vrouw links. ‘De spanning. De spanning.’

‘De smaak,’ zei de man. ‘Het heeft lang geduurd.’

‘Er is nog tijd,’ zei de andere vrouw tegen hen. Ze klonken kalm, alledrie, maar er lag iets scherps in haar stem toen ze zich tot Mart wendde. ‘Vraag. Vraag.’

Mart keek hen woedend aan. Rhuidean! Licht! Dat lag ergens in de Woestenij en het Licht of de Aiel mochten weten waar. Dat was zowat alles wat hij wist. In de Woestenij! Hij had willen vragen hoe hij aan de Aes Sedai kon ontkomen en hoe hij de verloren stukken van zijn geheugen kon terugkrijgen, maar zijn boosheid verdreef elke vraag regelrecht uit zijn gedachten. ‘Rhuidean!’ blafte hij. ‘Het Licht brande mijn botten tot as als ik naar Rhuidean ga! En mijn bloed op de aarde als ik dat doe! Waarom zou ik? Jullie geven geen antwoord op mijn vraag. Van jullie wordt verwacht antwoorden te geven, geen raadsels.’

‘Als u niet naar Rhuidean gaat,’ zei de vrouw op de rechtersokkel, ‘sterft u.’

Weer klepte de klok, nog harder ditmaal. Mart vóelde de trillingen door zijn laarzen. De blikken die het drietal elkaar toewierp, waren duidelijk bezorgd. Hij deed z’n mond open, maar ze hielden zich slechts met elkaar bezig.

‘De spanning,’ zei een van de vrouwen gehaast, ‘is te groot.’

‘Zijn smaak,’ zei de andere vrouw. ‘Het is zo heel, heel lang geleden.’ Voor ze was uitgesproken, sprak de man weer. ‘De spanning is te groot. Te groot. Vraag. Vraag!’

‘Bloedvuur in je ziel voor een bloedhart,’ grauwde Mart. ‘Dat doe ik zeker. Waarom zal ik sterven als ik niet naar Rhuidean ga? Ik sterf waarschijnlijk al op de reis erheen. Dat is onzin...’ De man onderbrak hem en sprak haastig. ‘U zult dan van het webdraad van uw lot zijn gestapt, uw lot aan de winden van de tijd hebben overgelaten, en u zult worden gedood door diegenen die niet willen dat die lotsbestemming wordt vervuld. Ga, nu. U moet gaan! Snel!’ Opeens stond de man in het geel naast Mart en trok met die te lange magere handen aan zijn mouw.

Mart trok zich los. ‘Nee! Ik ga niet. Je hebt me afgeleid van mijn eigen vragen en onzin geantwoord. Daar mogen jullie het niet bij laten. Over welk lot hebben jullie het? Ik wil op z’n minst één duidelijk antwoord!’

Voor de derde keer galmde de klok treurig; de hele kamer trilde. ‘Ga!’ riep de man. ‘U hebt uw antwoorden. U moet gaan voor het te laat is.’

Plotseling stond een tiental in het geel geklede mannen rond Mart. Ze leken uit het niets te zijn opgedoken en probeerden hem naar de deur te trekken. Hij verweerde zich met zijn ellebogen, knieën en vuisten. ‘Welk lot? Jullie harten mogen branden, welk lot?’ De kamer zelf leek te galmen, de muren en vloer beefden en wierpen Mart en zijn belagers bijna omver. ‘Welk lot?’

De drie stonden nu boven op hun sokkel en hij wist niet wie een antwoord krijste.

‘De Dochter van de Negen Manen te huwen.’

‘Te sterven en weer te leven, en wederom een deel te beleven van wat eens was.’

‘Het halve Licht der wereld op te geven om de wereld te redden.’ Gedrieën stonden ze te huilen als stoom die uit een ketel ontsnapt. ‘Ga naar Rhuidean, zoon van de strijd! Ga naar Rhuidean, bedrieger! Zwendelaar! Ga, gokker! Ga!’

Marts belagers tilden hem aan armen en benen omhoog en gingen er op een drafje vandoor, waarbij ze hem hoog boven hun hoofden hielden. ‘Laat me los, doorgedraaide bokken,’ schreeuwde hij al worstelend. ‘Jullie ogen mogen branden! De Schaduw neme je ziel, laat me los! Ik maak paardentuig van jullie darmen!’ Maar hoe hij ook kronkelde en vloekte, de magere vingers hielden hem als ijzeren boeien vast. Nog tweemaal luidde de klok, of het paleis. Alles trilde als bij een aardbeving. De muren schalden van een oorverdovend weergalmen, elke galm steeds luider dan de vorige. Marts bewakers struikelden verder, vielen bijna, maar hielden hun onstuimige ren vol. Hij zag niet eens waar ze hem heen brachten, tot ze opeens stopten en hem wegslingerden. Toen pas zag hij de verwrongen doorgang van de ter’angreaal, terwijl hij erop afschoot.

Wit licht verblindde hem; het gebulder vulde zijn hoofd tot het elke gedachte verjoeg.

Met een klap viel hij in het schemerlicht neer op de stoffige vloer in de Grote Borg en rolde tegen het vat met zijn lamp. Het vat wankelde, pakjes en beeldjes vielen op de vloer met het gekletter van brekend aardewerk, ivoor en porselein. Hij sprong op en stortte zich weer op de doorgang. ‘Bloedvuur, jullie kunnen me er niet...’ Hij schoot erdoorheen en struikelde tegen de kratten en vaten aan de andere kant. Hij aarzelde geen moment, draaide zich om en sprong er weer doorheen. Nog steeds de Grote Borg. Ditmaal viel hij tegen het vat waarop zijn lamp stond, die bijna omviel. Hij greep hem nog net op tijd vast, brandde zich en zette de lamp snel terug op een betere plaats.

Ik mag branden als ik hier in het donker wil zitten, dacht hij aan zijn vinger zuigend. Licht, als mijn geluk me zo uit de handen glipt, had ik een vuur veroorzaakt en was ik levend verbrand. Hij keek woedend naar de ter’angreaal. Waarom werkte het ding niet? Misschien hadden die lui aan de andere kant het op de een of andere manier afgesloten. Hij begreep maar weinig van wat er gebeurd was. Die klok en hun paniek. Hij zou bijna denken dat ze bang waren dat het dak op hen neer zou storten. Als hij er nog eens goed over nadacht, was dat ook bijna gebeurd. En Rhuidean en al die andere dingen. De Woestenij was al erg genoeg, maar ze zeiden dat hij was voorbestemd om met iemand te trouwen die de Dochter van de Negen Manen werd genoemd. Trouwen! En nog wel een edelvrouwe, aan de naam te horen. Hij zou nog liever met een varken trouwen dan met een edelvrouwe. En dan dat gepraat over sterven en weer leven. Aardig van ze, om dat laatste stukje eraan toe te voegen! Als een zwartgesluierde Aiel hem op weg naar Rhuidean vermoordde, zou hij ontdekken hoeveel waarheid erin school. Het was allemaal onzin en hij geloofde er geen woord van. Maar... Die rottige doorgang had hem ergens heen gebracht en ze hadden inderdaad slechts drie vragen willen beantwoorden, net zoals Egwene had gezegd.