Выбрать главу

‘Ik trouw met geen enkele bloedvrouwe,’ vertelde hij de ter’angreaal. ik trouw pas wanneer ik te oud ben om nog lol te hebben, en dat is dat. Rhuidean, die bloed...’

Een laars stapte achterwaarts uit de vervormde deuropening, gevolgd door de rest van Rhand, die een vlammend zwaard vasthield. Het wapen verdween toen hij er helemaal doorheen was en hij slaakte een diepe zucht van opluchting. Zelfs in het schemerlicht zag Mart dat hij bezorgd was. Hij schrok toen hij Mart zag. ‘Aan het rondsnuffelen, Mart? Of ben jij er ook doorheen gegaan?’

Mart nam hem behoedzaam op. Het zwaard was gelukkig verdwenen. Hij leek niet te geleiden – maar hoe kon je dat zien? – en hij zag er niet echt krankzinnig uit. Hij zag er eigenlijk uit als de Rhand van vroeger. Hij moest zichzelf eraan herinneren dat ze niet meer thuis waren en dat Rhand niet meer die jongen van vroeger was. ‘Ach, ik ben er inderdaad doorheen gegaan. Een stelletje rottige leugenaars, als je het mij vraagt! Wat zijn het? Ze deden me aan slangen denken.’

‘Geen leugenaars, denk ik.’ Het klonk alsof Rhand dat liever zelf geweest was. ‘Nee, dat niet. Ze waren bang voor me, al meteen vanaf het begin. En toen die klokken begonnen... Het zwaard hield ze uit mijn buurt; ze wilden er niet eens naar kijken. Wendden zich af. Bedekten hun ogen. Heb jij antwoorden gekregen?’

‘Alleen maar onzin,’ mompelde Mart. ‘En jij?’

Opeens verscheen Moiraine uit de ter’angreaal, sierlijk uit het niets stappend, zwevend. Het zou leuk zijn om met haar te dansen als ze geen Aes Sedai geweest was. Haar mond verstrakte toen ze hen zag staan.

‘Jullie! Jullie waren er allebei in. Daarom...’ Ze siste geërgerd. ‘Een van jullie was al erg genoeg, maar twee ta’veren tegelijk... Jullie hadden de verbinding totaal kunnen verbreken en dan hadden jullie daar opgesloten gezeten. Vervloekte knapen die spelen met dingen waar ze het gevaar niet van kennen. Perijn! Is Perijn er ook in? Is hij ook mee geweest op jullie... ontdekkingstocht?’

‘Toen ik Perijn voor het laatst zag,’ zei Mart, ‘stond hij op het punt te gaan slapen.’ Misschien zou Perijn hem meteen hierna als leugenaar te kijk zetten door uit dat ding te stappen, maar als hij het kon, wilde hij de boosheid van de Aes Sedai op iets anders richten. Het was niet nodig dat Perijn er ook moeilijkheden door kreeg. Misschien lukt het hem tenminste om uit haar buurt te komen, als hij ervandoor weet te gaan voor ze erachter komt. Bloedvrouw! Ik wed dat zij van hoge geboorte is.

Moiraine was zeker erg kwaad. Alle bloed was uit haar wangen verdwenen en haar donkere ogen boorden zich in die van Rhand. ‘Jullie zijn er tenminste levend uit gekomen. Wie heeft het jullie verteld? Wie van hen? Ik zal haar laten wensen dat ik haar huid afgestroopt had als een handschoen.’

‘Uit een boek,’ zei Rhand kalm. Hij ging zitten op de rand van een krat, dat angstwekkend kraakte onder zijn gewicht en sloeg zijn armen over elkaar. ‘Twee boeken feitelijk. De schatten van de Steen van Tyr en Verdragen met het land Mayene. Verbazingwekkend wat je uit boeken kunt halen, als je maar lang genoeg leest, nietwaar?’

‘En jij?’ Ze richtte haar moordende blikken op Mart. ‘Heb jij het ook in een boek gelezen? Jij?’

‘Soms lees ik weieens wat,’ zei hij droogjes. Hij stond niet geheel afkerig tegenover het idee dat ze een beetje vel van Egwene en Nynaeve zou afstropen na wat die hem hadden aangedaan toen hij de brief van de Amyrlin had verstopt – hem vastbinden met de Kracht was al erg genoeg, maar daarna! – maar het was leuker om Moiraine om de tuin te leiden. ‘Schatten. Zaken. Er staat veel in boeken.’ Gelukkig hoefde hij die boektitels niet te herhalen; hij had er niet meer op gelet toen Rhand de boeken noemde.

In plaats daarvan wendde ze zich met een ruk weer tot Rhand. ‘En jouw antwoorden?’

‘Zijn van mij,’ antwoordde Rhand en fronste toen. ‘Maar het was niet gemakkelijk. Ze haalden er een vrouw bij om het te vertalen, maar ze praatte als een oud boek. Sommige woorden kon ik amper begrijpen. Ik had nooit gedacht dat ze een andere taal zouden spreken.’

‘De Oude Spraak,’ vertelde Moiraine hem. ‘Ze gebruiken de Oude Spraak – een tamelijk ruwe vorm ervan – als ze met mensen te maken krijgen. En jij, Mart? Kon jij je vertaalster gemakkelijk begrijpen?’

Hij moest zijn mond weer bevochtigen voor hij antwoord gaf. ‘De Oude Spraak? Dus dat was het? Ze haalden er voor mij niemand bij. Feitelijk kwam ik niet eens toe aan mijn vragen. Die klok begon de muren omver te luiden en ze sleepten me weg alsof ik koeienstront aan mijn laarzen had.’ Ze bleef hem strak aankijken; haar ogen boorden zich in zijn hoofd. Ze wist dat hij soms woorden in de Oude Spraak uitkraamde. ‘Ik... verstond hier en daar een woord, bijna, maar begreep er niets van. Jij en Rhand hebben antwoorden gekregen. Worden zij er ook beter van? Die slangen op poten. Het is toch niet zo dat we merken dat er tien jaren voorbij zijn als we naar boven gaan, hè? Zoals bij Bili uit dat verhaal.’

‘Gevoelens,’ antwoordde Moiraine met een grimas. ‘Gevoelens, emoties, ervaringen. Ze snuffelen ze allemaal na. Je kunt voelen dat ze dat doen, je krijgt er kippenvel van. Misschien voeden ze zich er op de een of andere manier mee. Toen deze ter’angreaal nog in Mayene stond, hebben Aes Sedai hem bestudeerd en ze schreven dat ze daarna ontzettend graag een bad wilden nemen. Ik ben dat zeker van plan.’

‘Maar hun antwoorden zijn waar?’ vroeg Rhand toen ze zich wilde omdraaien. ‘Weet je het zeker? De boeken duiden het wel aan, maar kunnen ze echt ware antwoorden over de toekomst geven?’

‘De antwoorden zijn waar,’ zei Moiraine langzaam, ‘zolang ze betrekking hebben op je eigen toekomst; daarvan zijn we zeker.’ Ze nam Rhand en Mart op en overwoog hoe die haar woorden zouden opvatten. ‘Maar naar het hoe kun je slechts gissen. Die wereld is op een vreemde wijze... gevouwen... Ik kan het niet beter zeggen. Wellicht kunnen ze daardoor de draad van een mensenleven lezen en zien hoe die op verschillende manieren in het Patroon kan worden verweven. Misschien is het een gave van die mensen. De antwoorden zijn echter vaak duister. Als jullie hulp nodig hebben om erachter te komen wat jullie antwoorden betekenen, bied ik mijn diensten aan.’ Haar ogen schoten van de een naar de ander en Mart vloekte bijna. Ze geloofde er niets van dat hij geen antwoorden gekregen had. Tenzij het de gebruikelijke achterdocht van iedere Aes Sedai was. Rhand glimlachte zuinig. ‘En dan vertel je mij wat jij vroeg en welk antwoord ze gaven?’

Bij wijze van antwoord keek ze hem strak en onderzoekend aan en begaf zich toen naar de deur. Een kleine lichtbol, zo helder als een lantaarn, zweefde ineens voor haar uit en verlichtte de gang. Mart besefte dat hij beter zijn mond kon houden. Haar gewoon laten gaan en hopen dat ze vergat dat hij hier was geweest. Maar nog steeds ziedde iets van zijn boosheid in hem. Al die belachelijke dingen die ze gezegd hadden. Nou, misschien waren ze wel waar, als Moiraine dat zei, maar hij wilde die kerels bij de kraag vatten, of bij wat tussen die lappen voor een kraag doorging, en ze nog enkele zaken duidelijk laten maken.

‘Waarom kun je er niet tweemaal in, Moiraine?’ riep hij haar na. ‘Waarom niet?’ Hij vroeg haar bijna ook waarom ze zich daar zorgen maakten over ijzer en muziekinstrumenten, maar slikte dat haastig in. Hij kon dat niet weten, tenzij hij hun taal had begrepen. In de deuropening naar de gang bleef ze staan en hij kon niet zien of ze naar de ter’angreaal of naar Rhand keek. ‘Als ik alles wist, Martrim, hoefde ik geen vragen te stellen.’ Ze bleef nog wat langer de ruimte inturen – ze stónd naar Rhand te staren! – en verdween toen zonder er iets aan toe te voegen.