Een tijdlang stonden Rhand en Mart elkaar zwijgend op te nemen. ‘Heb jij gehoord wat je wilde weten?’ vroeg Rhand ten slotte. ‘En jij?’
Een heldere vlam sprong opeens op en zweefde boven Rhands handpalm. Niet de gladde lichtbol van de Aes Sedai maar een wilde vlam als van een fakkel. Toen Rhand aanstalten maakte om weg te gaan, stelde Mart een tweede vraag. ‘Ben je echt van plan die Witmantels thuis gewoon hun gang te laten gaan? Je weet dat ze op weg zijn naar Emondsveld. Als ze er al niet zijn. Gele ogen, de vervloekte Herrezen Draak. Het is allemaal te nauwkeurig.’
‘Perijn zal doen... wat hij moet doen om Emondsveld te redden,’ antwoordde Rhand met pijn in z’n stem. ‘En ik doe wat ik moet doen, of veel meer dan Emondsveld stort in elkaar, en door ergere dingen dan Witmantels.’
Mart staarde het licht na dat in de gang verdween, tot hij weer besefte waar hij was. Toen greep hij de lamp en haastte zich naar buiten. Rhuidean! Licht, wat moet ik doen?
16
Afscheid
Liggend op de met zweet doordrenkte lakens, starend naar het plafond, besefte Perijn dat de duisternis grijzer werd. Weldra zou de zon boven de kim rijzen. Ochtend. Een tijd van nieuwe hoop, een tijd om op te staan en iets te doen. Nieuwe hoop. Hij moest bijna lachen. Hoelang was hij nu al wakker? Zeker al een hele tijd. Hij krabde zijn krulbaard en kromp ineen. Zijn bezeerde schouder was stijf en hij ging langzaam overeind zitten. Het zweet druppelde over zijn gezicht toen hij zijn arm oefende. Hij zette echter door, onderdrukte het gekreun en slikte zo nu en dan een vloek in, tot hij de arm wat losser kon bewegen, al ging het niet gemakkelijk.
De rusteloze slaap die hij nog had kunnen genieten, was telkens onderbroken. Als hij wakker was, had hij Failes gezicht gezien; haar donkere ogen keken hem beschuldigend aan en de pijn die hij haar had veroorzaakt, deed hem ineenkrimpen. In zijn slaap had hij gedroomd dat hij de ladder naar de galg beklom en Faile stond toe te kijken, of erger nog: ze probeerde het te verhinderen en bevocht de Witmantels met hun speren en zwaarden, en hij gilde toen ze de strop rond zijn nek sloegen, gilde omdat de Witmantels Faile vermoordden. Soms stond ze met een boze glimlach van voldoening toe te kijken hoe hij werd opgehangen. Geen wonder dat die dromen hem met een schok deden ontwaken. Eenmaal had hij gedroomd dat er wolven uit het woud kwamen rennen om zowel Faile ais hem te redden, maar die werden aan de speren van de Witmantels gespietst en met pijlen afgeschoten. Het was geen rustgevende nacht geweest. Na zich zo snel mogelijk te hebben gewassen en aangekleed, verliet hij de kamer, alsof hij hoopte dat hij daarmee de herinnering aan zijn dromen achter kon laten.
Buiten wees nog maar weinig op de aanval van de vorige avond. Hier een met een zwaardhouw gescheurd wandkleed, daar een kist met een door een bijl versplinterde rand of een lichte plek op de stenen tegels waar een met bloed bevlekt kleedje was weggehaald. De majiere had haar leger op volle sterkte aan het werk gezet en de in livrei geklede dienaren, waarvan er velen verbonden waren, waren aan het vegen, dweilen, opruimen en vervangen. De majiere hinkte leunend op een stok rond; een dikke vrouw met haar grijze haren als een ronde muts opgestoken in een om haar hoofd gewikkelde doek. Luidkeels deelde ze bevelen uit met de duidelijke bedoeling alles te verwijderen dat aan de tweede schending van de Steen herinnerde. Ze zag Perijn en schonk hem een oneindig klein knikje; op normale dagen kregen zelfs hoogheren van haar niet veel meer. Ondanks al het schoonmaken en poetsen kon Perijn onder de geur van was, schuurmiddelen en schoonmaakspul nog steeds de zwakke lucht van bloed ruiken, scherp metalig menselijk bloed, kwalijk riekend Trollokbloed en bitterscherp Myrddraalbloed, dat in zijn neus brandde. Hij zou blij zijn als hij hier vertrokken was.
De deur naar Loials kamer was twee pas breed en ruim vier pas hoog met ter hoogte van Perijns hoofd een bovenmaatse deurknop in de vorm van vervlochten ranken. De Steen had een aantal zelden gebruikte gastkamers voor Ogier; de Steen van Tyr stamde zelfs nog van voor de tijd van hun grootse bouwwerken, maar het gaf aanzien om in ieder geval zo nu en dan steenvoegers van de Ogier te gebruiken. Perijn klopte aan en na de roep: ‘Kom binnen,’ door een stem als een trage lawine, drukte hij de knop omlaag en liep naar binnen. De deur stond in verhouding tot de kamer, maar Loial, die met een lange pijp in de mond in zijn hemdsmouwen midden op het tapijt met het bladerpatroon stond, verkleinde het allemaal tot schijnbaar gewone maten. De Ogier, in zijn heup-hoge laarzen met vierkante neuzen, was langer dan een Trollok, zij het niet zo breed. Zijn donkergroene jas, dichtgeknoopt tot aan zijn middel, dan uitwaaierend naar de rand van zijn laarzen, als een mannenrok boven een pofbroek, zag er voor Perijn niet vreemd meer uit, maar één blik op Loial volstond om te zeggen dat dit geen gewone man in een gewone kamer was. De neus van de Ogier was zo breed dat het wel een snuit leek en zijn wenkbrauwen hingen als lange snorpunten naast ogen die zo groot als kopjes waren. Bepluimde oren staken door ruig zwart haar dat bijna tot zijn schouders reikte. Toen hij Perijn zag, grijnsde hij en zijn gezicht spleet bijna doormidden.
‘Goedemorgen, Perijn.’ rommelde hij en nam de pijp uit zijn mond.
‘Goed geslapen? Niet gemakkelijk na zo’n avond. Ik ben zelf nog de halve nacht opgebleven om op te schrijven wat er was gebeurd.’ In zijn andere hand had hij een pen en zijn worstdikke vingers zaten onder de inkt.
Overal lagen boeken, op Ogierstoelen, op het enorme bed en op de tafel die tot Perijns borst reikte. Dat was geen verrassing, maar wat wel bijzonder was, waren de bloemen. Allerlei bloemen in allerlei kleuren. Vazen met bloemen, manden met bloemen, ruikers vastgebonden met linten of koordjes, en overal in het rond stonden enorme bakken met bloemen die deze bloementuin ommuurden. Perijn had zoiets nog nooit in een kamer gezien. De hele kamer rook ernaar. Maar wat hem echt opviel, was de gezwollen bult op Loials hoofd, zo groot als een mannenvuist, en zijn zware hinken. Als hij te zwaar gewond was voor een reis... Hij schaamde zich dat hij er zo over dacht – de Ogier was zijn vriend – maar hij moest wel.
‘Ben je gewond, Loial? Moiraine zou je kunnen helen, dat weet ik zeker.’
‘Ach ik red me wel, geen problemen. En er waren er zoveel die haar hulp echt nodig hadden. Ik wil haar niet lastig vallen. Het is in ieder geval niet zo erg dat ik mijn werk niet kan doen.’ Loial wierp een blik op de tafel waar een groot in linnen gebonden boek – groot voor Perijn, maar het zou best in Loials jaszak passen – open lag naast een ontkurkt inktpotje, ik hoop dat ik het allemaal goed heb weergegeven. Ik heb gisteravond niet zoveel kunnen zien, pas toen het voorbij was.’
‘Loial is een held,’ zei Faile, die vanachter een bloemenberg opstond met een boek in haar hand.
Perijn veerde overeind; de bloemen hadden haar geur volledig verdrongen. Loial maakte afwerende geluiden, zijn oren bewogen verlegen en hij wuifde haar met beide handen toe, maar ze ging door, met een koele stem maar vuurspuwende ogen.
‘Hij haalde in een grote kamer alle kinderen die hij kon vinden bij elkaar – en ook enkele moeders – en verdedigde al die tijd in z’n eentje de deur tegen Trolloks en Myrddraal. Deze bloemen zijn van de vrouwen van de Steen, een eerbetoon voor zijn standvastigheid, moed en trouw.’ Ze liet standvastig en trouw knallen als zweepslagen. Perijn speelde het maar net klaar niet in elkaar te krimpen. Hij had het juiste gedaan, maar hij hoefde niet op haar begrip te rekenen. Zelfs als ze de reden kende, zou ze het niet willen inzien. Het was niet eerlijk dat hij zo volkomen gelijk had en zich toch voelde alsof hij zich misdragen had.