Выбрать главу

‘Het was niets, helemaal niets.’ Loials oren bewogen wild op en neer. ‘Gewoon, het was alleen maar dat de kinderen zich niet konden verdedigen. Dat is alles. Geen held. Nee.’

‘Onzin.’ Faile hield haar vinger waar ze in het boek was gebleven en liep naar de Ogier toe. Ze reikte amper tot aan zijn borst, iedere vrouw in de Steen zou met je willen trouwen als je een mens was, en sommigen ook nu je dat niet bent. Loial is een juiste naam voor jou, want je bent trouw van aard. Elke vrouw vindt dat prachtig.’ De oren van de Ogier stonden geschokt overeind en Perijn grijnsde. Ze had Loial waarschijnlijk de hele ochtend stroop om de mond zitten smeren in de hoop de Ogier zover te krijgen om haar mee te nemen, ongeacht wat Perijn wilde, maar met al haar geflikflooi had ze Loial onbewust juist een steen in zijn maag bezorgd. ‘Al iets van je moeder gehoord, Loial?’ vroeg hij.

‘Nee.’ Loial slaagde erin zowel opgelucht als bezorgd te klinken. ‘Maar ik kwam gisteren Laefar in de stad tegen. Hij was even verbaasd mij daar te zien als ik hem; je ziet niet zoveel Ogier in de stad. Hij is uit stedding Shangtai hierheen gekomen voor onderhandelingen over het herstel van wat Ogiersteenwerk in een paleis. “Loial is in Tyr,” zullen ongetwijfeld zijn eerste woorden zijn nadat hij in de stedding is teruggekeerd.’

‘Grote zorgen dus,’ zei Perijn en Loial knikte terneergeslagen. ‘Laefar vertelde dat de Ouderen mij een wegloper hebben genoemd en dat mijn moeder heeft beloofd mij te laten trouwen en ervoor te zorgen dat ik mijn wilde haren kwijtraak. Ze heeft zelfs al iemand uitgekozen. Laefar wist niet wie. Hij zei tenminste van niet. Hij vindt zoiets grappig. Mijn moeder kan binnen een maand hier zijn.’ Failes gezicht was een en al verwarring, zodat Perijn bijna weer moest grinniken. Ze dacht zoveel meer van de wereld te weten dan hij – nou ja, dat deed ze ook – maar Loial kende ze niet. Stedding Shangtai was Loials thuis, in de Rug van de Wereld. Maar hij was nauwelijks ouder dan negentig en dus nog niet oud genoeg om er alleen op uit te trekken. Ogier leefden heel lang, en volgens hun opvattingen was Loial nog niet ouder dan Perijn, misschien wel jonger. Maar Loial had de wereld willen zien en zijn grootste angst was dat zijn moeder hem zou vinden en hem terug naar de stedding zou sleuren om er te trouwen en nooit meer weg te gaan.

Terwijl Faile stond te bedenken wat er aan de hand was, verbrak Perijn de stilte, ik moet terug naar Tweewater, Loial. Daar zal je moeder je niet vinden.’

‘Ja. Dat is waar.’ De Ogier trok z’n schouders op, niet op z’n gemak. ‘Maar mijn boek? Rhands verhaal? En dat van jou, en Mart. Ik heb al zoveel aantekeningen, maar...’ Hij schoof achter de tafel, tuurde naar wat er in zijn nette schrift op de bladen stond. ‘Ik zal degene zijn die het ware verhaal van de Herrezen Draak schrijft, Perijn. Het enige boek van iemand die met hem is meegereisd, die zag hoe het zich ontwikkelde. De Herrezen Draak, door Loial, zoon van Arent en kleinzoon van Halan, van stedding Shangtai.’ Fronsend boog hij zich over het boek en doopte zijn pen in het flesje. ‘Dat is niet helemaal juist. Het was meer als...’

Perijn legde zijn hand op de bladzijde waar Loial wilde gaan schrijven. ‘Je schrijft helemaal geen boek meer als je moeder je vindt. Niet over Rhand in ieder geval. En ik heb je nodig, Loial.’

‘Nodig, Perijn? Ik begrijp het niet.’

‘Er zijn Witmantels in Tweewater. Ze zoeken me.’

‘Zoeken jou? Waarom?’ Loial keek even verward als Faile. Maar Faile vertoonde tevens een rustige zelfvoldaanheid die hem zorgen baarde. Toch ging Perijn door.

‘De redenen doen er niet toe. Het feit is dat ze er zijn. Als ze me zoeken, zullen ze mensen, mijn familie, kwaad doen. Ik ken die Witmantels en ze zullen dat zeker doen. Ik kan ze tegenhouden, als ik er snel kan komen, maar het moet snel. Het Licht mag weten wat ze al hebben uitgespookt. Ik heb je nodig om me erheen te brengen, Loial. Over de saidinwegen. Je hebt me een keer verteld dat er zich hier een poort bevindt, en van Moiraine weet ik dat er een in Manetheren was. Hij moet er nog zijn, in de bergen bij Emondsveld. Je zei dat niets een poort kan verwoesten. Ik heb je nodig, Loial.’

‘Tja, natuurlijk wil ik helpen,’ zei Loial. ‘De saidinwegen.’ Hij ademde luidruchtig uit en zijn oren gingen een beetje slap hangen. ‘Ik wil over avonturen schrijven, niet ze meemaken. Maar ik neem aan dat nog een keertje geen kwaad kan. Moge het Licht dat geven,’ besloot hij vurig.

Faile schraapte zachtjes haar keel. ‘Vergeet je niet iets, Loial? Je hebt beloofd mij de saidinwegen te laten zien, wanneer ik erom zou vragen, en voordat je er iemand anders heen bracht.’

‘Ik heb je een blik op een saidinpoort beloofd,’ zei Loial, ‘en hoe het er aan de andere kant uitziet. Die krijg je ook, als Perijn en ik gaan. Ik neem aan dat je met ons kunt meegaan, maar men bereist de saidinwegen niet lichtvaardig, Faile. Ik zou ze zelf niet betreden als Perijn me niet nodig had.’

‘Faile gaat niet mee,’ zei Perijn ferm. ‘Alleen jij en ik, Loial.’ Faile negeerde hem en glimlachte Loial toe, alsof Perijn haar slechts plaagde. ‘Je hebt me meer dan een kijkje beloofd, Loial. Je zou me meenemen, waar ik ook heen wilde, wanneer ik maar wilde en vóór iemand anders. Je hebt het gezworen.’

‘Dat heb ik inderdaad gedaan,’ protesteerde Loial, ‘maar alleen omdat je weigerde te geloven dat ik ze je zou laten zien. Je zei dat je het pas geloofde als ik er een eed op deed. Ik doe wat ik heb beloofd, maar nu Perijn zo in nood zit, wil je dat toch zeker niet?’

‘Je hebt het gezworen,’ zei Faile kalm. ‘Bij je moeder en de moeder van je moeder en de moeder van je moeders moeder.’

‘Jawel, Faile, inderdaad, maar Perijn...’

‘Je hebt het gezworen. Loial. Wil je je eed breken?’ De Ogier leek een huizenhoge hoop ellende. Zijn schouders zakten, zijn oren daalden, de hoekjes van zijn brede mond trokken omlaag en de punten van zijn lange wenkbrauwen hingen treurig op zijn wangen. ‘Ze heeft je bedrogen, Loial.’ Perijn vroeg zich af of ze kon horen hoe hij stond te knarsetanden. ‘Ze heeft je opzettelijk bedrogen.’ Er zaten vuurrode plekken op Failes wangen, maar ze was brutaal genoeg om nog te zeggen: ‘Alleen omdat ik moest, Loial. Alleen omdat een dwaze vent denkt dat hij mijn leven naar eigen goeddunken kan regelen. Anders zou ik het niet hebben gedaan; dat moet je van me geloven.’

‘Haar bedrog maakt toch verschil?’ drong Perijn aan, maar Loial schudde bedroefd zijn enorme hoofd.

‘Ogier houden hun woord,’ zei Faile. ‘En Loial zal me naar Tweewater brengen. Of minstens tot aan de saidinpoort van Manetheren. Ik zou heel graag Tweewater willen zien.’

Loial rechtte zijn rug. ‘Maar dat betekent dat ik Perijn dus toch kan helpen. Faile, waarom verzweeg je dat zo lang? Zelfs Laefar zou dit niet leuk vinden.’ Hij klonk een tikkeltje kwaad; er was behoorlijk wat nodig om een Ogier kwaad te maken.

‘Als hij het vraagt,’ zei ze vastberaden. ‘Dat hoorde erbij, Loial. Niemand, niemand, behalve jij en ik, tenzij iemand me zou vragen. Hij moet het mij vragen.’

‘Nee!’ zei Perijn, terwijl Loial zijn mond reeds opendeed. ‘Nee, ik vraag het niet. Ik ga nog liever te paard naar Emondsveld. Ik loop nog liever. Dus kun je die dwaasheid net zo goed laten varen. Loial bedriegen. Proberen jezelf op te dringen waar... waar je niet gewenst bent.’ Woede verdreef haar kalmte. ‘En tegen de tijd dat je daar komt, zullen Loial en ik met de Witmantels hebben afgerekend. Het zal allemaal achter de rug zijn. Vraag het me, smid met je aambeeldkop. Gewoon vragen en je mag mee.’

Perijn vermande zich. Hij kon haar niet ompraten, maar hij ging het niet vragen. Ze had gelijk. Het zou hem weken kosten om naar Tweewater te rijden. Over de saidinwegen konden ze er misschien in enkele dagen zijn... Maar hij ging het niet vragen. Niet nu ze Loial heeft bedrogen en geprobeerd heeft mij te koeioneren. ‘Dan ga ik alleen over de wegen naar Manetheren. Ik volg jullie tweeën wel. Als ik ver genoeg achterblijf, hoor ik er niet bij. Ik ben niet van plan Loials eed te breken. Je kunt me niet tegenhouden als ik jullie volg.’