‘Dat is gevaarlijk, Perijn,’ merkte Loial bezorgd op. ‘De wegen zijn donker. Als je een afslag mist of per ongeluk een verkeerde brug neemt, kun je voor eeuwig verloren zijn. Of tot Machin Shin je te pakken krijgt. Vraag het haar, Perijn. Ze zei dat je dan mee mocht rijden. Vraag het.’
De lage Ogierstem trilde toen hij Machin Shin noemde en ook Perijn huiverde. Machin Shin. De Zwarte Wind. Zelfs de Aes Sedai wisten niet of het een of ander Schaduwbroedsel was of iets wat uit het bederf van de wegen was voortgekomen. Machin Shin maakte het gebruik van de wegen tot een dodelijk gevaar; dat zeiden de Aes Sedai. De Zwarte Wind vrat zielen; Perijn wist dat dat waar was. Maar hij hield zijn stem effen en zijn gezicht uitdrukkingsloos. Ik mag branden als ik haar laat denken dat ik ga toegeven, ik kan het niet, Loial, en ik wil het niet.’
Loials gezicht vertrok tot een grimas. ‘Faile, het is gevaarlijk als hij ons volgt. Wil je alsjeblieft toegeven en hem...’ Ze onderbrak hem scherp.
‘Nee, als zijn nek te stijf is om te buigen, waarom zou ik het dan doen? Waarom zou het mij trouwens iets kunnen schelen of hij verdwaalt?’ Ze wendde zich tot Perijn. ‘Je kunt vlak achter ons aan rijden. Zo dichtbij als nodig is, zolang het maar duidelijk is dat je volgt. Je blijft als een schoothondje achter me aanlopen, tot je het vraagt. Waarom vraag je het niet gewoon?’
‘Koppige mensen,’ mompelde de Ogier. ‘Haastig en koppig, zelfs wanneer ze door hun haast in een horzelnest belanden.’ ik zou graag vandaag willen vertrekken, Loial,’ zei Perijn, die Faile niet aankeek.
‘Dan kunnen we maar beter snel gaan,’ beaamde Loial met een spijtige blik naar zijn schrijfboek op de tafel. ‘Ik neem aan dat ik mijn aantekeningen tijdens de reis wel kan ordenen. Het Licht weet wat ik zal missen, nu ik niet bij Rhand blijf.’
‘Heb je me gehoord, Perijn?’ drong Faile aan.
‘Ik zal mijn paard en wat voorraden halen, Loial. We kunnen halverwege de ochtend op weg zijn.’
‘Bloedvuur, Perijn Aybara, geef antwoord!’
Loial nam haar bezorgd op. ‘Perijn, weet je zeker dat je het niet...’
‘Nee,’ onderbrak Perijn hem zacht. ‘Ze is zo koppig als wat, en ze wil graag slimmigheidjes uithalen. Ik ga niet dansen zodat zij kan lachen.’ Hij negeerde het geluid dat diep uit Failes keel opsteeg, als een kat die een vreemde hond wil aanvallen, ik laat je zo gauw mogelijk weten wanneer ik klaar ben.’ Hij liep naar de deur en ze riep hem woedend na: ik beslis wanneer we weggaan, Perijn Aybara. Samen met Loial. Hoor je me? Je kunt maar beter zo snel mogelijk klaar zijn of we laten je hier achter. Je kunt ons bij de stal van de Drakenmuurpoort ontmoeten, als je meegaat. Hoor je me?’
Hij voelde hoe ze bewoog en deed de deur net achter zich dicht toen er iets zwaars tegenaan sloeg. Een boek, dacht hij. Loial zou haar daar behoorlijk over uitfoeteren. Je mocht eerder Loial een klap verkopen dan een van zijn boeken beschadigen.
Heel even bleef hij in wanhoop tegen de deur leunen. Na alles wat hij had gedaan, na alles wat hij had doorstaan, na ervoor gezorgd te hebben dat ze hem haatte, ging ze toch mee en zou ze hem zien sterven. Het beste wat hij er van kon zeggen, was dat het haar nu misschien blij zou maken. Koppige vrouw. Schaapskop.
Toen hij zich omdraaide, kwam er een Aiel aanlopen, een lange man met rossig haar en groene ogen, die een oudere neef of jonge oom van Rhand had kunnen zijn. Hij kende de man en mocht hem, al was het alleen maar omdat Gaul nog nooit verbaasd naar zijn gele ogen had gekeken. ‘Moge je deze ochtend schaduw vinden, Perijn. De majiere heeft me verteld waar je was, hoewel ik denk dat haar vingers jeukten om me een bezem in de handen te drukken. Even hard als een Eerste Wijze, die vrouw.’
‘Moge je deze ochtend schaduw vinden, Gaul. Alle vrouwen hebben harde koppen, als je het mij vraagt.’
‘Misschien wel, als je niet weet hoe je ze kunt ontwijken. Ik hoorde dat je naar Tweewater afreist.’
‘Licht!’ gromde Perijn voor de Aiel meer had kunnen zeggen. ‘Weet de hele Steen het al?’ Als Moiraine het wist...
Gaul schudde zijn hoofd. ‘Rhand Altor nam me apart. Hij vertelde het en vroeg me het niemand te vertellen. Ik denk dat hij het anderen ook heeft gezegd, maar ik weet niet hoeveel er met je mee willen. We zijn al heel lang aan deze kant van de Drakenmuur en velen verlangen naar het Drievoudige Land.’
‘Met mij mee?’ Perijn was stomverbaasd. Als er Aiel met hem meegingen... Dat bood mogelijkheden die hij niet eerder had durven overwegen. ‘Heeft Rhand je gevraagd mee te gaan? Naar Tweewater?’ Gaul schudde opnieuw het hoofd. ‘Hij vertelde alleen dat je wegging en dat er mensen waren die je wilden doden. Maar ik wil je vergezellen, als je me mee wilt hebben.’
‘Mee wil hebben?’ Perijn moest bijna lachen. ‘Dat wil ik zeker. Over een paar uur gaan we de saidinwegen op.’
‘De wegen?’ Gauls gezicht veranderde niet, maar zijn ogen knipperden.
‘Maakt dat verschil?’
‘De dood overvalt ieder mens, Perijn.’ Hij vond weinig troost in het antwoord.
‘Ik kan niet geloven dat Rhand zo wreed kan zijn,’ zei Egwene, en Nynaeve voegde eraan toe: ‘Hij heeft tenminste niet geprobeerd je tegen te houden.’ Gezeten op Nynaeves bed verdeelden ze de laatste goudstukken die Moiraine hun had gegeven. Vier dikke beurzen die verdeeld zouden worden over de zakken die ze in Elaynes en Nynaeves rokken hadden genaaid, en ieder nog een kleine beurs aan de ceintuur die geen ongewenste aandacht zou trekken. Egwene kreeg minder omdat ze in de Woestenij niet zoveel goud nodig zou hebben. Elayne keek fronsend naar de twee keurig ingepakte rollen en het leren manuscript naast de deur. Ze bevatten hun kleding en andere eigendommen. Een mes en vork in een foedraal, haarborstel en kam, naalden, spelden, draad, vingerhoed en schaar. Een vuurslag en nog een mes, kleiner dan dat aan haar riem. Zeep en badpoeder en... Het was belachelijk de lijst nog een keer na te lopen. De stenen ring van Egwene zat netjes in haar beurs. Ze was klaar om te vertrekken. Niets hield haar tegen.
‘Nee, dat heeft hij inderdaad niet gedaan.’ Elayne was er trots op dat ze het zo kalm en beheerst kon zeggen. Hij leek bijna opgelucht. Opgelucht! En ik moest hem zo nodig die brief geven, mijn hart als een stekeblinde zot voor hem openen. Nou ja, hij maakt hem pas open als ik weg ben. Ze veerde op toen Nynaeves hand zich op haar schouder legde.
‘Wilde je dan dat hij je had gevraagd te blijven? Je weet wat je antwoord geweest zou zijn. Dat weet je toch?’
Elayne perste haar lippen op elkaar. ‘Natuurlijk weet ik dat. Maar hij hoefde er niet zo gelukkig bij te kijken.’ Dat had ze niet willen zeggen. Nynaeve keek haar begrijpend aan. ‘Op z’n best zijn mannen moeilijk.’
‘Ik kan nog steeds niet geloven dat hij zo... zo...’ begon Egwene boos mompelend. Elayne kwam nooit te weten wat ze had willen zeggen, want op dat moment sloeg de deur zo hard open dat hij tegen de muur dreunde.
Elayne had saidar al omhelsd voor ze in elkaar kromp, maar ze was even uit het veld geslagen toen de terugzwaaiende deur hard tegen de gestrekte hand van Lan sloeg. Een ogenblik later besloot ze de Bron nog wat langer vast te houden. De zwaardhand vulde de hele deuropening met zijn brede schouders en zijn gezicht stond op onweer. Als zijn blauwe ogen bliksems hadden kunnen rondslingeren, dan was Nynaeve erdoor geveld. Ook rond Egwene hing de gloed van saidar en ook die nam niet af.
Lan leek alleen maar Nynaeve te zien. ‘Je hebt me doen geloven dat je naar Tar Valon terugkeerde,’ grauwde hij haar toe. ‘Misschien heb jij dat geloofd,’ zei ze kalm, ‘maar ik heb het nooit gezegd.’
‘Nooit gezegd? Nooit gezegd! Je vertelde dat je vandaag vertrok en altijd zinspeelde je dan op die Duistervrienden die naar Tar Valon zouden worden gestuurd. Altijd! Wat wilde je dan dat ik dacht?’