‘Dat zal ik. Jullie ook trouwens. Jullie beiden. Tanchico is momenteel niet veel veiliger dan de Woestenij.’
Opeens stonden ze elkaar allemaal te omhelzen. Ze herhaalden hun waarschuwingen om voorzichtig te zijn en verzekerden elkaar goed aan de tijd te denken waarop ze elkaar in Tel’aran’rhiods Steen zouden ontmoeten. Elayne veegde de tranen van haar gezicht. ‘Maar goed dat Lan er niet meer is.’ Ze lachte bevend. ‘Hij zou denken dat we ons allemaal als dwazen aanstellen.’
‘Nee, dat zou hij niet,’ zei Nynaeve, die haar rok optrok om een beurs goud in het genaaide zakje te stoppen. ‘Hij mag dan een man zijn, zo’n sukkel is hij nou ook weer niet.’
Er moest tussen kamer en koets nog wel wat tijd zijn om pen en papier te vinden, besloot Elayne. Ze zou tijd maken. Nynaeve had gelijk. Mannen hadden een stevige hand nodig. Rhand zou merken dat hij niet zo gemakkelijk van haar af kon komen. En hij zou het niet gemakkelijk vinden haar gunsten weer terug te winnen.
17
Bedrog
Thom maakte een zwierige buiging die de kleurrijke lapjes op zijn mantel deed wapperen. Zijn ogen leken zand te bevatten, maar hij dwong zich luchthartig te praten. ‘Een goede morgen voor u allen.’ Hij richtte zich op en streek zijn fraaie witte snorpunten op. De dienaren in hun zwart met gouden livreien keken verbaasd op. De twee gespierde jongemannen die net een met goud beslagen, roodgelakte kist met een versplinterd deksel wilden optillen, kwamen overeind, en de drie vrouwen hielden op met dweilen. De gang was verder helemaal verlaten, en ieder voorwendsel om met dweilen te stoppen was welkom, vooral om deze tijd. Met hun afgezakte schouders en donkere kringen onder hun ogen zagen ze er net zo vermoeid uit als Thom zich voelde.
‘U ook een goede morgen, speelman,’ zei de oudste vrouw. Ze mocht er dan gewoontjes uitzien en wat zwaar zijn uitgevallen, maar ze had een mooie glimlach. ‘Kunnen we u van dienst zijn?’ Thom toverde vier gekleurde ballen uit zijn wijde mouw en begon te jongleren, ik probeer overal wat vrolijkheid te brengen. Een speelman moet doen wat hij kan.’ Gewoonlijk gebruikte hij meer dan vier ballen, maar hij was nu zo moe dat zelfs deze vier al zijn aandacht eisten. Hoelang geleden had hij bijna zijn vijfde bal laten vallen? Twee uur? Hij smoorde een geeuw en maakte er een geruststellende glimlach van. ‘Het was een vreselijke nacht, en we hebben iets opbeurends nodig.’
‘Heer Draak heeft ons gered,’ zei een jongere vrouw. Ze was slank en knap, maar er lag een roofdiergloed in haar donkere, diepliggende ogen, die hem waarschuwde zijn glimlach zuinig te houden. Natuurlijk, ze kon van pas komen als ze zowel hebzuchtig als eerlijk was, want als hij haar eenmaal betaald had, zou ze aan hem vast zitten. Het was altijd nuttig een paar handen voor een briefje erbij te vinden, of een praatzieke tong die kon zeggen wat hij wilde, en waar hij het wilde. Oude zot! Je hebt al genoeg handen en oren, dus houd je gedachten aan mooie borsten voor je. Denk liever aan die blik in baar ogen! De jonge vrouw geloofde echter wat ze zei en dat was belangrijk, en een jongeman knikte instemmend op haar woorden. ‘Ja,’ zei Thom. ik vraag me af welke hoogheer gisteren toezicht op de haven hield?’ Hij liet bijna de ballen glippen omdat hij boos werd op zichzelf. Het op zo’n manier te brengen! Hij was te moe; hij zou in bed moeten liggen. Hij had al uren geleden in zijn bed moeten liggen. ‘De haven valt onder de verantwoordelijkheid van de Verdedigers,’ zei de oudere vrouw. ‘Dat weet u natuurlijk niet. De hoogheren bemoeien zich niet met zoiets.’
Thom wist dat maar al te goed. ‘Is dat zo? Nou ja, ik ben geen Tyrener.’ Hij veranderde de loop van de ballen van een eenvoudige cirkel in een dubbele lus. Het zag er moeilijker uit dan het was, en het meisje met de roofdierogen klapte in haar handen. Nu hij bezig was, kon hij net zo goed doorgaan. Daarna zou hij er voor vannacht mee ophouden. Nacht? De zon kwam al op. ‘Toch is het jammer dat niemand zich heeft afgevraagd wat die vrachtschuiten in de haven deden. Met hun gesloten luiken en al die verborgen Trolloks. Niet dat ik beweer dat iemand wist dat die Trolloks daar zaten.’ De dubbele lus werd onregelmatiger en hij ging haastig terug naar een cirkel. Licht, wat ben ik moe. ‘Maar je zou toch denken dat een hoogheer ernaar gevraagd zou hebben.’
De twee jongemannen keken elkaar nadenkend aan en Thom glimlachte in zichzelf. Weer ergens een zaadje geplant, zo makkelijk, hoewel deze keer wat onhandig. Weer een gerucht dat op zou springen, of ze nou wel of niet wisten wie er toezicht op de havens hield. En geruchten verspreidden zich – een gerucht als dit zou niet stoppen bij de stadsmuren – waardoor er weer een kleine wig werd gedreven tussen de gewone mensen en de edelen. Tot wie zouden de mensen zich anders moeten wenden dan tot de man die, naar ze wisten, door de edelen gehaat werd? De man die de Steen gered had van het Schaduwgebroed. Rhand Altor. De Drakenheer.
Tijd om het zaad met rust te laten. Als het goed wortel had geschoten, konden de plantjes niet meer worden uitgerukt, wat hij ook zei, en deze nacht had hij meer uitgezet. Maar het zou niet best zijn als iemand ontdekte dat hij de zaaier was. ‘Ze hebben deze nacht dapper gevochten, de hoogheren. Licht, ik zag...’ Zijn stem stierf weg toen de vrouwen opeens ijverig begonnen te dweilen en de mannen de kist grepen en zich wegrepten.
‘Ik kan ook werk voor een speelman vinden,’ klonk de stem van de majiere achter hem. ‘Lege handen zijn ijdele handen.’ Ondanks zijn been wist hij zich sierlijk om te draaien en een diepe buiging voor haar te maken. Ze reikte amper tot zijn schouders, maar ze woog minstens anderhalf keer zoveel. Ze had een gezicht als een aambeeld – en die aanblik werd er niet beter op door het verband om haar slapen – een dubbele kin en diepliggende ogen, net vuursteenscherven. ‘Een goede morgen, schone vrouwe. Een klein aandenken voor deze nieuwe, frisse dag.’
Hij liet zijn handen fladderen en stak een goudgele zonnewikkebloesem in het grijze haar boven het verband; de bloem was maar een beetje verlept door het bewaren in zijn mouw. Natuurlijk plukte ze de bloem er onmiddellijk weer uit en bekeek hem achterdochtig, maar daar had hij juist op gerekend. Terwijl ze nog aarzelde, nam hij drie grote hinkstappen, en toen ze hem iets achterna riep, luisterde noch stopte hij.
Vreselijk mens, dacht hij. Als we haar op de Trolloks hadden losgelaten, zou ze hen allemaal aan het vegen of dweilen hebben gezet. Hij geeuwde achter zijn hand tot zijn kaken kraakten. Hij werd hier te oud voor. Hij was moe en zijn knie was een knoop van pijn. Nachten zonder slaap, gevechten, plannen smeden. Te oud. Hij zou ergens stil op een boerderijtje moeten gaan wonen. Met kippen. Boeren hadden altijd kippen. En schapen. De verzorging mocht niet al te moeilijk zijn; schaapherders leken alleen maar rond te hangen en in de zon op hun dubbelfluit te spelen. Hij zou natuurlijk op zijn harp spelen, of op zijn eigen fluit; slecht weer deed zijn harp geen goed. En in de buurt zou een stadje moeten liggen met een herberg, waar hij de klanten in de gelagkamer kon verbazen. Hij zwaaide zwierig met zijn mantel toen hij langs twee dienaren liep. Het enige nut van een mantel in deze hitte was mensen te laten weten dat hij een speelman was. En natuurlijk leefden ze op toen ze hem zagen, in de hoop dat hij zou stoppen en hen een tijdje zou vermaken. Heel bevredigend. Ja, een boerderij had zijn voordelen. Een rustig plekje. Geen mensen die hem lastig vielen. Zolang er maar een stadje in de buurt was.
Hij duwde zijn kamerdeur open en bleef stokstijf staan. Moiraine richtte zich zo kalm op dat het leek of ze elk recht had om tussen zijn papieren op tafel te snuffelen, en verschikte haar rok toen ze op een krukje ging zitten. Kijk, dat was nou een mooie vrouw, zo rank als een man zich maar kon wensen, een die ook nog kon lachen om zijn grappen. Zot! Ouwe zot! Ze is een Aes Sedai, en jij bent te moe om helder te denken.