‘Waarom...?’ Hij schraapte ruw zijn keel en probeerde zijn stem wat minder hees te laten klinken. ‘Waarom vertel je me dit?’ Er lag mededogen op Moiraines gezicht. Kon het ook iets van spijt zijn? Nee toch? Niet van een Aes Sedai. Dat medelijden moest ook gespeeld zijn. ‘Ik had niets gedaan als je gewoon bereid was geweest Elayne en Nynaeve te helpen.’
‘Waarom, bloedvuur! Waarom?’
‘Als je met Elayne en Nynaeve meegaat, zal ik bij je terugkeer de namen van die Rode zusters noemen. En de naam van diegene die het bevel gaf. Zij deden het niet uit zichzelf. En ik zal je terugzien. Jij overleeft Tarabon.’
Hij haalde beverig adem. ‘Wat heb ik aan die namen?’ vroeg hij vlak. ‘Namen van Aes Sedai, bekleed met alle macht van de Witte Toren.’
‘Een bedreven en gevaarlijk speler van het Spel der Huizen zou er gebruik van kunnen maken,’ zei ze kalm. ‘Zij hadden niet mogen doen wat ze gedaan hebben. Zij hadden er niet van vrijgesproken mogen worden.’
‘Wil je me alsjeblieft alleen laten?’
‘Ik zal je tonen dat niet alle Aes Sedai zoals Roden zijn, Thom. Dat zul je moeten leren inzien.’
‘Alsjeblieft?’
Hij bleef tegen de tafel geleund staan tot ze weg was, niet bereid haar te laten zien dat hij onhandig door zijn knieën zakte en de tranen over zijn verweerde gezicht liepen. O, Licht, Owijn. Hij had het allemaal zo diep mogelijk weggestopt. Ik kon er niet op tijd zijn. Ik had het te druk. Te druk met dat vervloekte Spel der Huizen. Hij wreef kwaad zijn tranen weg. Moiraine kon het Spel spelen als de beste. Ze rukte hem haar kant op en trok aan elk touwtje waarvan hij had gedacht dat het meesterlijk verborgen was. Owijn, Elayne. Morgases dochter. Er restte alleen nog genegenheid voor Morgase, misschien wat meer, maar het was moeilijk een kind in de steek te laten dat je op je knie had laten wippen. Dat meisje in Tanchico? Die stad vreet baar levend op, zelfs zonder oorlog. Het moet er nu een kuil vol woeste wolven zijn. En Moiraine zal me die namen geven. Hij hoefde alleen maar Rhand in Aes Sedai-handen achter te laten. Net zoals hij Owijn in de steek had gelaten. Ze had hem te pakken als een slang in een gevorkte stok, verdoemd, hoe hard hij ook los wilde kronkelen. Bloedvrouw!
Min hing het handvat van de borduurmand over haar arm, nam met de andere hand haar rokken op en liep na het ochtendmaal statig en met rechte rug de zaal uit. Ze had zonder een druppel te morsen een volle beker wijn op haar hoofd in evenwicht kunnen houden. Dat kwam gedeeltelijk doordat ze in dit gewaad niet gewoon kon lopen. Het was helemaal van lichtblauwe zijde, met een nauw lijfje en nauwe mouwen, en een uitwaaierende rok waarvan de geborduurde zoom over de grond zou slepen als ze die niet ophield. En gedeeltelijk kwam het omdat ze zeker wist dat Laras’ ogen op haar rustten. Een blik over haar schouder bevestigde dat. De hoofd van de keukens, een wandelend wijnvat, keek haar vanaf de deur naar de eetzaal goedkeurend na. Wie zou hebben gedacht dat de vrouw in haar jeugd een schoonheid was geweest, of een heel groot hart had voor mooie, minzieke meisjes? ‘Levenslustig,’ noemde ze hen. Wie had kunnen vermoeden dat ze zou besluiten om ‘Elmindreda’ onder haar stevige vleugels te nemen? Het was geen echt gemakkelijk plekje. Laras hield een wakend oog op Min, een oog dat haar overal in de Toren kon vinden. Min glimlachte terug en streek over haar haren, nu een rond kapsel van zwarte krulletjes. Bloedvrouw! Moet ze niet gaan koken of ergens een keukenhulp gaan uitschelden?
Laras wuifde en ze wuifde terug. Ze kon het zich niet veroorloven iemand te kwetsen die haar zo goed in de gaten hield, niet als ze helemaal niet wist hoeveel fouten ze kon maken. Laras kende elke list van ‘levenslustige’ meisjes en wilde Min graag alles bijbrengen wat die nog niet wist.
Dat borduurwerkje was echt een fout geweest, bedacht Min, toen ze een plaatsje zocht op de marmeren bank onder een grote wilg. Niet van Laras, maar van haarzelf. Ze trok de borduurring uit haar mandje en keek bedroefd naar haar werk van gisteren: een stel scheve ganzenbloempjes en iets wat een zachtgeel rozenknopje had moeten worden, hoewel niemand het geraden zou hebben. Zuchtend begon ze de steken uit te halen. Ze vond wel dat Leane gelijk had; een vrouw kon urenlang zitten borduren en alles en iedereen in het oog houden zonder dat iemand dat vreemd vond. Maar het zou leuk zijn geweest als ze er tenminste een beetje aanleg voor gehad had. Het was in ieder geval een fijne dag om buiten te zijn. Een gouden zon was zojuist boven de horizon geklommen in een lucht waarvan de volmaaktheid benadrukt werd door enkele donswolkjes. Een briesje voerde de geur van rozen en wuivende calmabosjes, met hun grote rode of witte bloesems, met zich mee. Spoedig genoeg zouden de grindpaden zich vullen met mensen die met een of andere boodschap op weg waren, van Aes Sedai tot stalknechten. Een volmaakte ochtend, en een volmaakte plek om iedereen ongemerkt te kunnen gadeslaan. Misschien zou ze vandaag een bruikbaar beeld zien. ‘Elmindreda?’
Min schrok op en stak de vinger waar ze zich in geprikt had in haar mond. Ze draaide zich om en wilde Gawein al uitschelden omdat hij zo stiekem was komen aanlopen, maar de woorden bleven in haar keel steken. Galad was bij hem. Hij was groter dan Gawein, met lange benen, waarmee hij zich zo sierlijk en krachtig als een danser voortbewoog. Ook zijn handen waren lang, zowel sierlijk als sterk. En zijn gezicht... Hij was gewoon de mooiste man die ze ooit gezien had. ‘Sabbel niet op je vinger,’ zei Gawein grijnzend. ‘We weten dat je een aardig klein meisje bent; je hoeft het niet te bewijzen.’ Ze bloosde en trok haastig haar hand weg. Met moeite bedwong ze een woeste blik die helemaal niet bij Elmindreda zou passen. Hij had geen dreigement of bevel van de Amyrlin nodig gehad om haar geheim te bewaren; haar verzoek was voldoende geweest. Maar hij greep iedere kans aan om haar te plagen.
‘Spot past je niet, Gawein,’ zei Galad. ‘Hij had niet de bedoeling u te beledigen, vrouwe Elmindreda. Vergeef me, maar is het mogelijk dat wij elkaar eerder ontmoet hebben? Toen u zojuist dreigend naar Gawein keek, meende ik bijna u te kennen.’
Min liet haar ogen zedig zakken. ‘O, ik zou een ontmoeting met ü nooit kunnen vergeten, heer Galad,’ zei ze als een lief dom meisje. Het huilerige toontje en de boosheid over haar eigen vergissing lieten haar blozen tot aan de haarwortels, wat haar vermomming duidelijk verbeterde.
Ze leek totaal zichzelf niet, en haar jurk en haren waren daar maar voor een deel schuldig aan. Leane had in de stad smeerseltjes en poedertjes en een ongelooflijke verzameling geheimzinnige geurtjes gekocht, en haar net zo lang geoefend tot ze het allemaal in haar slaap kon aanbrengen. Ze had nu duidelijke jukbeenderen en meer kleur op haar lippen dan de natuur haar ooit gegeven had. Er liep een donkere lijn rond haar oogleden en een fijn poeder benadrukte haar wimpers, zodat haar ogen groter leken. Ze leek zichzelf niet meer. Een paar Novices hadden haar bewonderend verteld hoe mooi ze was, en zelfs een paar Aes Sedai hadden haar een ‘heel aardig kind’ genoemd. Ze haatte het. Ze moest erkennen dat de kleding inderdaad erg mooi was, maar ze had een afkeer van de rest. Maar het had geen zin om een vermomming te dragen als ze het niet volhield.
‘Ik dacht wel dat je het nog zou weten,’ zei Gawein droog. ‘Ik wilde je niet storen bij je borduurwerk – zwaluwen, hè? Géle zwaluwen?’ Min propte de ring weer in de mand. ‘Maar ik wil hier graag je mening over horen.’ Hij duwde een oud en versleten, in leer gebonden boekje in haar handen, en plotseling klonk zijn stem ernstig. ‘Vertel mijn broer dat het allemaal onzin is. Misschien luistert hij naar jou.’ Ze bekeek het boek. De weg van het Licht, van Lothair Mantelar. Ze opende het en las een paar willekeurige bladzijden. ‘Verzaak deswege elk genot, want goedheid is een zuiver begrip, een volmaakt, kristalhelder ideaal, dat verstoord wordt door lage gevoelens. Koester het vlees niet. Het vlees is zwak, maar de geest is sterk; het vlees^is zonder waarde waar de geest sterk is. De gerechte gedachte verdrinkt in genotzuchtige gevoelens, en gerechte daden worden belemmerd door hartstocht. Zoek vreugde in gerechtigheid, en in gerechtigheid alleen.’ Het leek allemaal stoffige onzin.