Выбрать главу

Min glimlachte naar Gawein en slaagde er zelfs in te giechelen. ‘Zoveel woorden. Ik ben bang dat ik weinig van boeken weet, heer Gawein. Ik heb er altijd een willen lezen – echt waar.’ Ze zuchtte. ‘Maar er is zo weinig tijd. Ach, mijn haar op de juiste manier doen, kost al uren. Vindt u het leuk?’ De geschokte uitdrukking op zijn gezicht maakte haar bijna aan het lachen, maar ze maakte er gegiechel van. Het was leuk de rollen eens een keertje om te draaien; eens kijken of ze dat niet vaker kon doen. Deze vermomming had mogelijkheden waar ze nog niet op was gekomen. Haar verblijf in de Toren was uitgedraaid op verveling en ergernis. Ze mocht toch best een béétje plezier hebben. ‘Lothair Mantelar,’ zei Gawein strak, ‘was de stichter van de Witmantels. De Witmantels!’

‘Hij was een groot man,’ zei Galad op besliste toon. ‘Een denker, met hoge idealen. Dat de Kinderen van het Licht na zijn tijd soms wat al te... buitensporig zijn geweest, verandert daar niets aan.’

‘Lieve help, Witmantels,’ zei Min ademloos, en voegde er een lichte rilling aan toe. ‘Dat zijn zulke ruwe lieden, heb ik mij laten vertellen. Ik kan me niet voorstellen dat een Witmantel aan dansen doet. Denk je dat er hier gelegenheid is om te dansen? Aes Sedai lijken ook niet om dansen te geven, en ik hou er zo van.’ De teleurstelling in Gaweins ogen was verrukkelijk.

‘Dat denk ik niet,’ zei Galad, en nam het boek van haar over. ‘Aes Sedai hebben het te druk met... met hun eigen zaken. Als ik van een passend dansfeest in de stad hoor, zal ik u begeleiden, wanneer u wenst. U hoeft niet bang te zijn dat u wordt lastig gevallen door die twee lomperiken.’ Hij schonk haar een glimlach, zich niet bewust van wat hij aanrichtte, en opeens merkte ze dat ze hem echt adembenemend vond. Mannen zouden niet op een dergelijke manier mogen glimlachen. Het duurde feitelijk even voor ze zich herinnerde welke twee lomperiken hij bedoelde. Zij had zogenaamd twee mannen aangemoedigd, die beiden om Elmindreda’s hand hadden gevraagd. De mannen waren elkaar bijna aangevlogen omdat zij geen keuze kon maken, en hadden haar zo onder druk gezet dat ze haar toevlucht in de Toren had gezocht. Precies de goede smoes voor haar verblijf. Het komt door dit gewaad, zei ze tegen zichzelf. In mijn eigen kleren zou ik kunnen nadenken.

‘Ik heb gemerkt dat de Amyrlin je elke dag spreekt,’ zei Gawein plotseling. ‘Heeft ze onze zuster Elayne genoemd? Of Egwene Alveren? Heeft ze iets gezegd over waar ze zijn?’

Min had hem een blauw oog willen bezorgen. Hij wist natuurlijk niet waarom ze voorgaf iemand anders te zijn, maar hij had beloofd haar bij haar rol van Elmindreda te helpen. Nu verbond hij haar met twee vrouwen van wie velen in de Toren wisten dat ze vriendinnen van Min waren. ‘O, de Amyrlin Zetel is zo’n geweldige vrouw,’ zei ze lief, en toonde glimlachend haar tanden. ‘Ze vraagt altijd hoe ik mijn tijd doorbreng, en ze is vol lof over mijn kleren. Ik neem aan dat ze hoopt op een spoedige keuze tussen Darvan en Goemal, maar ik kan het gewoon niet.’ Ze zette grote ogen op in de hoop dat ze er hulpeloos en verward uit zou zien. ‘Ze zijn allebei zo lief. Wat zei u net? Uw zuster, heer Gawein? De erfdochter zelf? Ik geloof niet dat de Amyrlin Zetel haar ooit heeft genoemd. Hoe heette die ander?’ Ze kon Gawein horen knarsetanden.

‘We mogen vrouwe Elmindreda daar niet mee lastig vallen,’ zei Galad. ‘Het is onze zaak, Gawein. Wij dienen de leugen te vinden en aan te pakken.’

Ze hoorde hem nauwelijks, want opeens staarde ze naar een forse man met donker krullend haar tot op zijn schouders. Hij slenterde doelloos over het grindpad onder de bomen, onder toezicht van een Aanvaarde. Ze had Logain eerder gezien, een treurig kijkende man die vroeger sterk en flink was geweest en nu voortdurend een Aanvaarde als gezelschap had. Die was zowel bedoeld om zelfdoding te voorkomen als om zijn ontsnapping te verijdelen. Het was een grote man, maar hij leek toch nooit aan ontsnappen te denken. Ze had echter nooit eerder een vlammende halo om zijn hoofd gezien, in stralend goud en blauw. Het was er maar even, maar het was voldoende. Logain had zichzelf uitgeroepen tot Herrezen Draak, maar was gevangengenomen en gestild. Elke roem die hij als valse Draak mocht hebben gehad, lag nu ver achter hem. Hem restte slechts de wanhoop van een gestilde, als een man die beroofd was van gezicht, gehoor en smaak. Een man die wilde sterven, die wachtte op de dood die voor zulke mensen onvermijdelijk binnen enkele jaren kwam. Hij keek naar haar, zag haar misschien niet eens; zijn blik scheen helemaal naar binnen gekeerd te zijn. Dus waarom had hij een halo gehad die repte van toekomstige roem en macht? Dit was iets om de Amyrlin te vertellen. ‘Arme donder,’ mompelde Gawein. ‘Ik kan het niet helpen, maar ik heb medelijden met hem. Licht, het zou genadig zijn om hem er een eind aan te laten maken. Waarom dwingen ze hem verder te leven?’

‘Hij verdient geen medelijden,’ verkondigde Galad. ‘Ben je vergeten wat hij was en wat hij gedaan heeft? Hoeveel duizenden er gestorven zijn voor hij werd gepakt? Hoeveel steden er in de as gelegd zijn? Laat hem leven, als een waarschuwing aan anderen.’

Gawein knikte met tegenzin. ‘Toch hebben mensen hem gevolgd. Een paar van die steden werden in brand gestoken nadat zij zich voor hem hadden uitgesproken.’

‘Ik moet gaan,’ zei Min overeind komend. Onmiddellijk was Galad een en al hoffelijkheid.

‘Vergeef ons, vrouwe Elmindreda. We wilden u niet doen schrikken. Logain kan u geen kwaad doen. Ik geef u mijn verzekering.’ ik... Ik voel me inderdaad flauwtjes door hem. Verontschuldig mij. Ik moet echt even gaan liggen.’

Gawein keek heel wantrouwend, maar griste toch haar mandje voor haar weg. ‘Sta me toe u tenminste een stukje te begeleiden,’ zei hij. Zijn stem droop van valse bezorgdheid. ‘Deze mand is te zwaar als u zich zo duizelig voelt. Ik wil niet dat u flauwvalt.’ Ze wilde de mand afpakken en hem er een mep mee verkopen, maar zo zou Elmindreda nooit reageren. ‘O, dank u, heer Gawein. U bent te goed. Nee, nee, heer Galad. Ik wil u niet beiden tot last zijn. Ga hier toch zitten en lees uw boek. Toe, beloof het me. Ik zou het anders niet kunnen verdragen.’ Ze knipperde zelfs even met haar wimpers. Op de een of andere manier wist ze Galad op de marmeren bank te krijgen en ervandoor te gaan, hoewel Gawein naast haar meeliep. Haar rok was lastig; ze wilde hem optrekken en wegrennen, maar Elmindreda zou nooit hollen en nooit zoveel van haar benen laten zien, behalve bij het dansen. Op dat punt had Laras haar stevig onderhouden; één keertje hollen en ze zou het beeld van Elmindreda bijna helemaal om zeep helpen. En Gawein...

‘Geef mij die mand, hersenloze dwaas!’ snauwde ze zodra ze uit het gezicht van Galad waren. Ze pakte de mand af voordat hij kon tegenstribbelen. ‘Wat wilde je bereiken toen je me naar Elayne en Egwene vroeg? Hij stond er met z’n neus bovenop. Elmindreda heeft hen nog nooit ontmoet. Elmindreda geeft niets om ze. Elmindreda wil niet in één en dezelfde zin met hen genoemd worden! Kun je dat niet begrijpen?’

‘Nee,’ zei hij. ‘Nee, want je wilt het me niet uitleggen. Maar het spijt me.’ Er klonk amper genoeg berouw in zijn stem om haar tevreden te stellen, ik maak me gewoon zorgen. Waar zijn ze? Ik voelde me er niet geruster op toen ik dat nieuws hoorde over een valse Draak in Tyr. Ze zijn daar ergens buiten, het Licht mag weten waar. Ik blijf mezelf maar afvragen: stel je voor dat zij midden in net zo’n brandhaard zitten als Logain van Geldan heeft gemaakt?’

‘En als hij geen valse Draak is?’ zei ze voorzichtig.

‘Hoezo? Omdat ze op straat vertellen dat hij de Steen van Tyr heeft ingenomen? In een gerucht wordt alles aangedikt en opgeblazen. Ik geloof het als ik het zie, en er is meer voor nodig om mij te overtuigen. Zelfs de Steen kan vallen. Licht, ik geloof niet echt dat Elayne en Egwene in Tyr zijn, maar die onzekerheid ligt als een plas zuur in m’n maag. Als ze gewond is geraakt...’