Выбрать главу

‘O, niets ernstigs, kind. Niets, zolang ze niet weten hoelang ik al bij die jonge Altor betrokken ben.’ Ze keek weer even naar het reepje papier en liet het toen op tafel vallen. ‘Ik wou dat Moiraine me meer had verteld.’

‘Waarom heeft ze niet meer gezegd? En waarom hebben we niet eerder van haar gehoord?’

‘Nog meer vragen. Die moet je Moiraine stellen. Ze is altijd haar eigen gang gegaan. Vraag het Moiraine, kind.’

Sahra Covenre deed maar wat. Al schoffelend keek ze dreigend naar de scheuten draadblad en dollekruid die opkwamen tussen de rijen kolen en knollen. Niet dat vrouw Elward veeleisend was – ze was niet strenger dan Sahra’s moeder, en zeker gemakkelijker dan Sheriam — maar Sahra was niet naar de Witte Toren gekomen om weer op een boerderij groenten te schoffelen terwijl de zon nauwelijks op was. Haar witte Novicekleren waren opgeborgen; ze droeg bruine wol, zoals haar moeder zou maken, met de rok tot aan haar knieën opgebonden om hem niet vuil te maken. Het was allemaal zo oneerlijk. Ze had niets gedaan.

Ze wriemelde met haar tenen in de losse aarde, keek woest naar wat weerbarstig dollekruid en geleidde, met de bedoeling het de grond uit te branden. Er sprongen vonken uit de bladeren en het onkruid verslapte. Ze sneed het ding haastig uit de grond en haar geest. Als er maar een beetje rechtvaardigheid in de wereld was, zou heer Galad naar de boerderij komen terwijl hij op jacht was. Ze leunde op de schoffel en verloor zichzelf in een dagdroom waarin ze Galads wonden heelde, die hij opgelopen had toen hij van zijn paard was gevallen – natuurlijk niet zijn fout; hij was een geweldige ruiter -en dan zou hij haar voorop in het zadel tillen en uitroepen dat hij haar zwaardhand was – zij zou natuurlijk van de Groene Ajah zijn – en... ‘Sahra Covenre?’

Sahra schrok op van de scherpe stem, maar het was niet vrouw Elward. Zo goed als ze met haar opgebonden rokken kon, maakte ze een révérence. ‘De dag begroete u, Aes Sedai. Bent u gekomen om me naar de Toren terug te brengen?’

De Aes Sedai kwam dichterbij. Ze gaf er niets om dat haar rokken door het stof van het groentebed sleurden. Ondanks de warmte van de zomerochtend droeg ze een mantel, waarvan de kap was opgeslagen om haar gezicht te verhullen. ‘Vlak voor je de Toren verliet, heb je een vrouw naar de Amyrlin Zetel gebracht. Een vrouw die zichzelf Elmindreda noemde.’

‘Ja, Aes Sedai,’ zei Sahra, met iets vragends in haar stem. Ze vond het niet prettig zoals de Aes Sedai het gezegd had, alsof ze de Toren voorgoed verlaten had.

‘Vertel me alles wat je gehoord of gezien hebt, meisje, vanaf het moment dat je de vrouw meenam. Alles.’

‘Maar ik heb niets gehoord, Aes Sedai. De Hoedster stuurde me weg zodra...’ Pijn golfde door haar heen, liet haar tenen in de grond verdwijnen, haar rug krommen. De kramp duurde slechts even, maar het leek wel eeuwig. Ze zocht wanhopig naar adem en besefte dat haar wang tegen de grond gedrukt was. Haar bevende vingers klauwden in de aarde. Ze herinnerde zich niet dat ze gevallen was. Ze kon de wasmand van meesteres Elward op zijn kant bij de stenen boerderij zien liggen; het vochtige wasgoed was eruit getuimeld. Verward dacht ze nog dat dat vreemd was; Moria Elward zou haar wasgoed nooit zo laten liggen.

‘Alles, meisje,’ zei de Aes Sedai koud. Ze stond nu over Sahra heen gebogen, maar maakte geen aanstalten om haar overeind te helpen. Ze had haar pijn gedaan; dat was niet de manier waarop de dingen behoorden te gebeuren. ‘Elke persoon met wie die Elmindreda gesproken heeft, elk woord dat ze gezegd heeft, elk gebaar, elke uitdrukking.’

‘Ze heeft met heer Gawein gepraat, Aes Sedai,’ snikte Sahra in de aarde. ‘Dat is alles wat ik weet, Aes Sedai. Alles.’ Ze begon nu echt te huilen, omdat ze er zeker van was dat het niet genoeg zou zijn om deze vrouw tevreden te stellen. Ze had gelijk. Haar gekrijs hield pas na lange tijd op, maar toen de Aes Sedai wegging, was er rond de boerderij, behalve van de kippen, geen geluid te horen, zelfs niet dat van een ademhaling.

18

De saidinwegen op

Perijn knoopte zijn jas dicht en keek naar de bijl die vastgebonden aan de muur hing, al sinds hij hem uit de deur had getrokken. Hij had een hekel aan het idee het wapen weer te dragen, maar hij maakte de riem van de haak los en gespte hem toch om. De hamer bond hij vast aan zijn reeds overvolle zadeltassen. Hij slingerde de zadeltassen en dekenrol over zijn schouders, raapte een volle pijlkoker op en pakte zijn losgeknoopte voetboog uit de hoek.

De opkomende zon liet hitte en licht door de smalle ramen naar binnen stromen. Het verkreukelde bed was het enige bewijs dat er iemand was geweest. De kamer voelde niet langer meer aan als de zijne; het rook er zelfs al naar leegte ondanks zijn eigen geur aan de lakens. Hij bleef nooit ergens zo lang dat hij er wortel kon schieten, het tot zijn thuis kon maken. Nou ja, ik ga nu naar buis. Hij wendde zich af van de reeds lege kamer en stapte naar buiten. Gaul kwam gemakkelijk overeind van de plek waar hij gehurkt tegen de muur had gezeten onder een wandkleed met ruiters die op leeuwen joegen. Naast al zijn wapens droeg hij twee waterzakken. Op zijn rug waren een verweerde leren booghoes, een opgerolde deken en een kleine kookpot vastgesnoerd. Hij was alleen. ‘Nog anderen?’ vroeg Perijn en Gaul schudde zijn hoofd. ‘Te ver van het Drievoudige Land. Ik heb je ervoor gewaarschuwd, Perijn. Deze landen van jou zijn te nat; de lucht is alsof je water ademt. Er wonen te veel mensen te dicht op elkaar. Ze hebben meer dan genoeg van vreemde plaatsen.’

‘Ik begrijp het,’ zei Perijn, hoewel hij alleen begreep dat er uiteindelijk geen redding zou zijn, geen groep Aiel die de Witmantels uit Tweewater zou verdrijven. Hij verborg zijn teleurstelling. Het trof hem diep nadat hij had gemeend aan zijn lot te kunnen ontkomen, maar hij kon niet zeggen dat hij zich niet op dat lot had voorbereid. Tranen hadden geen zin als ijzer spleet, je smeedde het gewoon opnieuw. ‘Is het je gelukt om alles te doen wat ik had gevraagd?’

‘Dat was geen probleem. Ik heb voor elk ding dat je wilde een andere Tyrener gevraagd om het naar de Drakenmuurpoort te brengen en het tegen niemand te zeggen. Ze moeten elkaar daar hebben gezien, maar zullen denken dat alles voor mij is en hun mond houden. De Drakenmuurpoort! Als je het hoort, zou je denken dat de Rug van de Wereld bij de kim ligt en niet een paar honderd roede verderop.’ De Aiel weifelde even. ‘Het meisje en de Ogier maken geen geheim van hun voorbereidingen, Perijn. Ze heeft geprobeerd de speelman te vinden en ze zegt tegen iedereen dat ze van plan is over de saidinwegen te reizen.’ Zijn baard krabbend zuchtte Perijn zo diep dat het wel grommen leek. ‘Als ze me daardoor aan Moiraine verraadt, zal ze een week niet meer kunnen zitten.’

‘Ze is heel handig met haar messen,’ zei Gaul uitdrukkingsloos. ‘Niet handig genoeg. Niet als ze me daardoor verraadt.’ Perijn aarzelde. Geen groep Aielkrijgers. De galg stond nog op hem te wachten. ‘Gaul, als er iets met mij gebeurt, als ik je een teken geef, breng Faile dan weg. Misschien wil ze niet mee, maar neem haar in ieder geval mee. Zorg ervoor dat ze veilig uit Tweewater wegkomt. Wil je me dat beloven?’

‘Ik zal doen wat ik kan, Perijn. Voor mijn bloedschuld aan jou zal ik het doen.’ Het klonk of Gaul eraan twijfelde, maar Perijn dacht dat Faile hem niet met haar messen zou kunnen tegenhouden. Ze namen zoveel mogelijk de achterafgangen en smalle trappen waarover dienaren onopvallend ergens heen konden gaan. Perijn vond het jammer dat de Tyreners de dienaren niet ook eigen gangen hadden gegeven. Maar ook in de brede gangen met de vergulde lampen en fraaie wandtapijten zagen ze weinig mensen en al helemaal geen edellieden. Hij maakte er een opmerking over en Gaul zei: ‘Rhand Altor heeft ze naar het Hart van de Steen geroepen.’

Perijn bromde even maar hoopte dat Moiraine ook tot de genodigden hoorde. Hij vroeg zich af of dit Rhands manier was om hem te helpen bij zijn ontsnapping. Nou ja, welke reden Rhand ook had, hij maakte er met plezier gebruik van.