Выбрать главу

Ze stapten van de laatste smalle trap op de begane grond van de Steen, waar grotachtige gangen zo groot als wegen naar de buitenpoorten leidden. Hier hingen geen wandkleden. Zwarte ijzeren lampen in ijzeren lamphouders hoog tegen de muren verlichtten de vensterloze doorgangen en de vloer was geplaveid met brede ruwe stenen die bestand waren tegen het drukke komen en gaan van paardenhoeven. Perijn liep op een holletje verder. Iets verderop in een grote tunnel zag hij de stallen, met de brede, openstaande Drakenmuurpoort erachter. Er stond slechts een handvol Verdedigers bij op wacht. Moiraine kon hem nu niet meer tegenhouden, tenzij ze het geluk van de Duistere bezat. De poortopening van de stal was een boog van vijftien pas breed. Perijn kwam binnen en bleef staan.

Hij rook de zware lucht van stro en hooi, met de geuren van graan en haver, leer en paardenmest. De stal stond vol mooie Tyreense paarden die alom werden geprezen, met vele rijen hokken langs de muren en in het midden. Tientallen stalknechten waren aan het roskammen en borstelen, schepten mest weg en herstelden paardentuig. Ze namen geen momentje rust, maar zo nu en dan wierp iemand een blik op Faile en Loial, die klaarstonden voor de reis. Naast hen stonden Bain en Chiad, net als Gaul volledig uitgerust met wapens en dekens, waterzakken en een kookpot.

‘Is dat de reden waarom je alleen zei dat je het zou proberen?’ vroeg Perijn stil.

Gaul schokschouderde, ik zal doen wat ik kan, maar ze staan aan haar kant. Chiad is van de Goshien.’

‘De stam maakt verschil?’

‘Haar stam en de mijne hebben een bloedvete, Perijn, en ik ben geen speerzuster van haar. Misschien zullen de water-eden haar tegenhouden. Ik zal met haar geen speren dansen, tenzij zij het aanbiedt.’ Perijn schudde het hoofd. Een vreemd volk. Wat waren water-eden? Maar hij vroeg alleen: ‘Waarom zijn zij bij haar?’

‘Bain zegt dat ze meer van jullie landen willen zien, maar ik denk dat de ruzie tussen jou en Faile hen boeit. Ze mogen haar en toen ze van deze tocht hoorden, besloten ze met haar mee te gaan en niet met jou.’

‘Nou, zolang ze haar maar uit de problemen houden.’ Hij was verbaasd hoe Gaul zijn hoofd in de nek wierp en lachte. Het maakte dat hij bezorgd aan zijn baard krabde.

Loial kwam naar hen toe, zijn lange wenkbrauwen hingen bezorgd omlaag. Zijn jaszakken puilden uit, zoals altijd voor een reis het geval was, voornamelijk met de vierkante vormen van boeken. Hij leek minder te hinken. ‘Faile begint ongeduldig te worden, Perijn. Ik denk dat ze nu elk moment kan besluiten om te vertrekken. Maak alsjeblieft voort. Zonder mij kun je de saidinpoort niet eens vinden. Niet dat je het niet zou proberen, natuurlijk. Mensen! Jullie laten me zo heen en weer springen dat ik amper mijn eigen hoofd kan vinden. Maak alsjeblieft voort.’

‘Ik laat hem niet achter,’ riep Faile. ‘Zelfs niet als hij te koppig en te stom is om een simpele gunst te vragen. Als dat zo blijft, mag hij me als een verdwaald schoothondje volgen. Ik beloof dat ik hem achter het oor zal krabben en voor hem zal zorgen.’ De Aielvrouwen sloegen bijna dubbel van het lachen.

Gaul sprong opeens recht omhoog, en schopte nog hoger, minstens twee pas boven de vloer, terwijl hij een van zijn speren liet ronddraaien. ‘We zullen hen volgen als sluipende klipkatten,’ schreeuwde hij, ‘als wolven op jacht.’ Hij kwam weer lenig neer en Loial staarde hem verbijsterd aan.

Bain kamde daarentegen loom met haar vingers door haar korte vlammende haren. ‘Ik heb een mooie wolfshuid naast mijn bed in de veste,’ zei ze verveeld tegen Chiad. ‘Wolven zijn gemakkelijk neer te leggen.’ Een diep grommen steeg op uit Perijns keel en de twee vrouwen keken hem aan. Heel even leek Bain meer te willen zeggen, maar ze zag zijn gele ogen, fronste en hield zich opeens stil, niet angstig maar wel behoedzaam.

‘Dit schoothondje is nog niet echt afgericht,’ vertrouwde Faile de Aielvrouwen toe.

Perijn weigerde haar aan te kijken. In plaats daarvan liep hij naar het hok waarin zijn vaalbruine hengst stond, even groot als de Tyreense dieren, maar zwaarder in de schoften en heupen. Hij wuifde een stalknecht uit de weg, tuigde Stapper op en leidde hem zelf naar buiten. De stalknechten hadden de paarden natuurlijk beweging gegeven, maar het dier was nu al zo lang opgesloten geweest dat het dartel en snel rondstapte; om die reden had Perijn hem zo genoemd. Hij kalmeerde Stapper met het vaste vertrouwen van een man die vele paarden had beslagen. Het kostte hem weinig moeite zijn hoogbomige zadel op te leggen en zijn zadeltassen en dekenrol erachter te binden. Gaul keek uitdrukkingsloos toe. Hij zou geen paard berijden, tenzij hij moest en dan geen stap verder dan absoluut noodzakelijk was. Geen enkele Aiel zou dat doen. Perijn wist niet waarom. Misschien was het de trots op hun vaardigheid lange afstanden te rennen. De Aiel lieten doorschemeren dat het dat niet alleen was, maar hij vermoedde dat niemand van hen het kon uitleggen.

Het pakpaard moest natuurlijk ook worden klaargemaakt, maar dat was snel gebeurd, aangezien alles wat Gaul had besteld al in een nette stapel op hem lag te wachten. Voedsel en waterzakken. Haver en graan voor de paarden. Op de Saidinwegen zou dat nergens voorhanden zijn. Enkele andere zaken als kluisters, wat paardenmiddelen voor het geval dat, en een vuurslag. De meeste ruimte in de rieten manden werd ingenomen door leren zakken zoals de Aiel voor water gebruikten, maar dan groter en gevuld met lantaarnolie. Nadat de lantaarns aan lange stokken boven op de rest waren gebonden, was hij klaar. Hij stak zijn ongespannen boog onder de zadelriem en zwaaide zich in Stappers zadel, met de leidsels van Het pakpaard in de hand. Waarna hij tot zijn woede moest wachten.

Loial was reeds opgestegen, op een enorm paard met dikke vetlokken, hoger dan ieder ander paard in de stal, maar als men de lange benen van de Ogier ernaast zag bungelen, leek het wel een klein dwergpaardje. Er was een tijd geweest dat de Ogier even weinig zin in rijden had als de Aiel, maar inmiddels voelde hij zich thuis op een paardenrug. Het oponthoud kwam voornamelijk door Faile, die overal de tijd voor nam en haar rijdier haast bekeek alsof ze de glanzende zwarte merrie nooit eerder had gezien. Perijn wist evenwel dat ze het dier vóór de koop, kort na hun aankomst in de Steen, terdege had afgereden. Het paard, dat Zwaluw heette, was een mooi dier van Tyreens ras, met slanke enkels en een gebogen nek, een kittig paard dat zowel snel was als over uithoudingsvermogen beschikte, hoewel het naar Perijns smaak te licht beslagen was. Die hoeven zouden het niet lang uithouden. Maar het was allemaal bedoeld om hem zijn plaats te wijzen. Toen Faile eindelijk te paard zat, in haar strakke broekrok, stuurde ze de merrie naar Perijn toe. Ze kon goed rijden, dier en berijdster bewogen als een. ‘Waarom kun je het niet vragen, Perijn?’ vroeg ze zachtjes. ‘Jij hebt geprobeerd mij weg te houden vanwaar ik hoor te zijn, dus nu zul je het moeten vragen. Kan zoiets eenvoudigs zo moeilijk zijn?’ De Steen galmde als een monsterachtige klok, de stalvloer kwam omhoog en de zoldering trilde alsof die naar beneden dreigde te komen. Stapper sprong eveneens op, hinnikend met wild zwaaiend hoofd, en Perijn kon alleen maar proberen in het zadel te blijven. Stalknechten klauterden overeind waar ze waren neergevallen en holden wanhopig rond om de gillende, briesende paarden te kalmeren die poogden uit hun hokken te klimmen. Loial omklemde de nek van zijn enorme rijdier, maar Faile bleef doodkalm op Zwaluw zitten, hoe wild die ook briesend in het rond sprong.

Rhand. Perijn wist dat hij het moest zijn. De kracht van ta’veren trok hem terug, twee draaikolken die elkaar aantrokken. Kuchend in het neerdwarrelende stof schudde hij fel en verbeten zijn hoofd, zich inspannend om niet af te stappen en terug de Steen in te rennen. ‘We rijden,’ schreeuwde hij terwijl de burcht nog steeds beefde. ‘We rijden nu, Loial! Nu!’

Faile leek verder uitstel niet nuttig te vinden. Ze schopte haar merrie in de flanken en reed naast het grotere paard van Loial de stal uit. Ze trokken hun twee pakpaarden mee en waren al in galop voor ze bij de Drakenmuurpoort waren. De Verdedigers keken op en stoven uiteen, sommigen nog op hun handen en knieën. Het was hun taak mensen buiten de Steen te houden en ze hadden geen opdracht iemand binnen te houden. Maar waarschijnlijk zouden ze niet in staat zijn geweest om te reageren als ze die opdracht wel hadden gekregen, niet met de bevingen, die nu afnamen, en het gerommel van de Steen boven hun hoofden.