Perijn reed met zijn eigen pakpaard vlak achter hen aan. Hij wenste maar dat Loials dier wat sneller kon rennen, wenste maar dat hij Loials sjokkende rijdier kon opjagen en kon ontsnappen aan de trekkracht die hem probeerde terug te halen, de aantrekking tussen ta’veren en ta’veren. Samen galoppeerden ze door de straten van Tyr naar de opgaande zon, amper inhoudend voor karren en wagens. Mannen in strakke jassen en vrouwen met vele lagen schorten, nog steeds geschokt door de beving, staarden hen verstomd aan en konden soms nog maar net opzij springen.
Bij de muren van de binnenstad gingen plavuizen over in zand, schoenen en jassen in blote voeten en ontblote bovenlijven boven pofbroeken die door brede banden opgehouden werden. De mensen hier sprongen niet minder haastig opzij, want Perijn stond Stapper niet toe langzamer te gaan lopen tot ze de stadswallen in galop ver achter zich hadden gelaten, voorbij de eenvoudige huizen en winkels die rond de eigenlijke stad waren opgetrokken, tot ze op het land waren met de verspreide boerderijen en struiken en hij de aantrekking van ta’veren niet langer voelde. Toen pas, bijna even hard hijgend als zijn met schuimvlokken bedekte paard, hield hij Stapper in. Loials oren stonden geschrokken stijf overeind. Faile streek met haar tong langs haar lippen en staarde met een krijtwit gezicht van de Ogier naar Perijn. ‘Wat gebeurde er? Was... hij dat?’
‘Weet ik niet,’ loog Perijn. Ik moet gaan, Rhand. Dat weet je. Je keek me recht in de ogen toen ik het je vertelde, en jij zei dat ik moest doen wat ik dacht te moeten doen.
‘Waar zijn Bain en Chiad?’ vroeg Faile. ‘Op deze manier kost het hun een eeuwigheid ons in te halen. Ik wou dat ze meereden. Ik heb aangeboden paarden voor ze te kopen, maar ze leken wel beledigd. Nu ja, hierna moeten we toch stapvoets rijden om de paarden af te laten koelen.’
Perijn hield zich in. Hij wilde niet zeggen dat ze toch minder van de Aiel wist dan ze dacht. Hij kon de stadsmuren achter zich zien en de Steen die daarboven als een berg oprees. Hij kon zelfs de kronkelende vorm op de wapperende banier boven de burcht zien en de opgeschrikte vogels eromheen, wat niemand van de anderen kon. Het kostte hem absoluut geen moeite de drie mensen te zien die met lange spannen vretende stappen aan kwamen rennen, met een soepel gemak dat hun snelheid logenstrafte. Hij dacht niet dat hij zo hard kon hollen, niet zo lang tenminste, maar de Aiel moesten deze snelheid vanaf de Steen hebben aangehouden om al zo dichtbij te zijn. ‘We hoeven niet lang te wachten,’ zei hij.
Faile keek fronsend om naar de stad. ‘Zijn dat ze? Weet je het zeker?’ Opeens was de frons voor hem bedoeld, voor als hij het waagde haar antwoord te geven. Haar vraag gaf natuurlijk te zeer toe dat hij bij haar groep hoorde. ‘Hij loopt vaak te pochen op zijn goede ogen,’ merkte ze op tegen Loial, ‘maar zijn geheugen is niet zo best. Soms denk ik dat hij ’s avonds zou vergeten een kaars aan te steken als ik hem er niet aan herinnerde. Ik denk dat hij een arm gezin heeft zien hollen, omdat ze denken dat er een aardbeving is, denk je ook niet?’ Loial schoof ongemakkelijk in zijn zadel heen en weer, zuchtte diep en mompelde iets over mensen wat volgens Perijn niet echt lovend was. Faile viel het niet op, natuurlijk.
Het duurde niet lang of Faile staarde Perijn aan toen de drie Aiel zo dichtbij waren dat ze hen kon herkennen, maar ze zei niets. In zo’n bui zou ze hem nooit gelijk willen geven, niet eens als hij zei dat de hemel blauw was. De Aiel hijgden zelfs niet toen ze naast de paarden bleven staan.
‘Jammer dat het lopen al gedaan is.’ Bain wisselde een glimlach met Chiad en beiden keken Gaul sluw aan.
‘Anders hadden we deze Steenhond plat kunnen lopen,’ zei Chiad, alsof ze de zin van de andere vrouw afmaakte. ‘Daarom leggen Steenhonden de gelofte af nooit terug te trekken. Stenen botten en stenen koppen maken hen te zwaar om te rennen.’
Gaul nam er geen aanstoot aan, hoewel Perijn zag dat hij zo stond dat hij een oogje op Chiad kon houden. ‘Weet je waarom Speervrouwen zo vaak als verkenner gebruikt worden, Perijn? Omdat ze zo ver kunnen rennen. En dat komt omdat ze vreselijk bang zijn dat een man hen zou willen huwen. Een Speervrouw zal honderden spannen rennen om dat te vermijden.’
‘Heel verstandig van ze,’ zei Faile bits. ‘Moeten jullie rusten?’ vroeg ze de Aielvrouwen en hoorde hun ontkenning verrast aan. Ze wendde zich tot Loial. ‘Klaar om verder te rijden? Goed, zoek de saidinpoort voor me, Loial. We zijn hier al te lang. Als je een zwerfhondje te veel aanhaalt, gaat het nog denken dat je voor hem wilt zorgen en dat komt niet te pas.’
‘Faile!’ protesteerde Loial, ‘voer je dit niet te ver door?’
‘Zo ver als nodig is, Loial. De poort?’
Loial uitte met neergeslagen ogen een diepe zucht en wendde zijn paard weer naar het oosten. Perijn liet hem en Faile een tiental passen rijden voor hij en Gaul volgden. Hij moest het volgens haar regels spelen, maar hij zou ze even goed nakomen als zij.
Op schrale landerijen stonden ruwstenen huizen, boerderijtjes die Perijn nog niet als stal zou gebruiken. Ze lagen steeds verder uiteen naarmate ze verder oostwaarts reden. De bosjes werden kleiner tot er geen boerderijen en bosjes meer waren, slechts een laag heuvelland. Zover het oog reikte, groeide gras, afgezien van wat over de heuvels verspreide struiken.
Op die heuvels bevonden zich ook paarden, in troepen van tien of in kudden van honderd, van het befaamde Tyreense ras. Groot of klein, iedere kudde paarden stond onder toezicht van een of twee jongens, die blootsvoets en zonder zadel rondreden. De jongens bezaten zwepen met een lange steel waarmee ze de paarden bijeendreven of lieten omkeren. Ze lieten die handig knallen om een afdwalend dier te laten terugkomen zonder met hun zweep ook maar in de buurt van de huid te komen. Ze hielden hun kudden ver van de vreemden, verplaatsten ze zonodig, maar keken openlijk nieuwsgierig naar het vreemde gezelschap van twee mensen en een Ogier te paard, plus drie van de wilde Aiel die volgens de verhalen de Steen hadden ingenomen. Perijn hield van paarden en was gedeeltelijk om die reden bij baas Lohan in de leer gegaan, maar in Emondsveld waren er niet zoveel als hier en ook niet van die mooie. Hij zat er met genoegen naar te kijken.
Dat ging niet op voor Loial. De Ogier begon in zichzelf te mompelen. Hoe verder ze over de grasheuvels reden hoe luider het gemompel werd, tot hij eindelijk losbarstte in een diep en laag gebrom. ‘Verdwenen! Allemaal verdwenen en waarvoor? Voor gras! Vroeger lag hier een Ogiergaarde. We hebben hier grote dingen verricht, weliswaar onvergelijkbaar met Manetheren of met de stad die jullie Caemlin noemen, maar wel zoveel dat er een gaarde werd aangelegd. Allerlei bomen, uit vele streken en landen. De Grote Bomen, die zeker zo’n honderd span oprezen. Ze werden allemaal met liefde verzorgd om mijn volk te herinneren aan de stedding die ze hadden verlaten om voor mensen dingen te bouwen. Mensen denken dat we grote waarde hechten aan ons steenwerk, maar dat is een kleinigheid, iets dat we hebben geleerd gedurende de lange Ballingschap na het Breken. Wij houden vooral van bomen. De mens dacht dat Manetheren onze grootste triomf was, maar wij wisten dat het de gaarde daar was. Ook verdwenen, net als deze. Verdwenen, en ze zullen nooit weerkeren.’
Met een barse blik op zijn gezicht staarde Loial naar de kale heuvels met het gras en de paarden. Zijn oren lagen plat tegen zijn hoofd. Hij rook naar... woede. De meeste verhalen noemden de Ogier vreedzaam, bijna even vredelievend als het Trekkende Volk, maar sommige verhalen noemden hen onverzettelijke vijanden. Perijn had Loial maar één keer boos gezien. Misschien was hij de vorige avond boos geweest toen hij die kinderen beschermde. Hij wierp een blik op Loials gezicht en herinnerde zich een oud gezegde. ‘Maak een Ogier boos en laat de bergen op je neervallen.’ Iedereen gebruikte dit spreekwoord om aan te geven dat iemand iets onmogelijks probeerde. Perijn dacht dat de betekenis misschien met de jaren veranderd was. Misschien was het aanvankelijk geweest: ‘Maak een Ogier boos en de bergen storten op je neer.’ Moeilijk, zeker, maar dodelijk als het lukte. Hij dacht niet dat hij ooit zou willen dat Loial kwaad op hem werd, niet Loial, zachtmoedig en onhandig en altijd met zijn grote neus in de boeken. Loial ging voorop rijden toen ze eindelijk de plek van de verdwenen Ogiergaarde bereikten, waarbij ze een beetje naar het zuiden afbogen. Er veranderde niets aan het landschap, maar Loial was zeker van de richting, werd dat steeds meer met iedere stap van de paardenhoeven. Een Ogier kon een poort als het ware voelen en hem even snel vinden als een bij de korf. Toen Loial eindelijk afstapte, reikte het gras maar tot zijn knieën. Er was alleen dicht struikgewas te zien, hoger dan de meeste bosjes; het gebladerte reikte tot het hoofd van de Ogier. Hij rukte het allemaal berouwvol uit de grond en stapelde het op. ‘Misschien kunnen de jongens van de paarden het als brandhout gebruiken wanneer het gedroogd is.’ De poort werd zichtbaar.