Hij rees op voor de helling en leek meer een lange grijze muur dan een poort. Wel een paleismuur, want hij was helemaal bewerkt en vertoonde zulke mooie bladeren en ranken dat die bijna even levend leken als de verwijderde struiken. Minstens drieduizend jaar had de poort daar gestaan, maar de buitenkant vertoonde geen spoor van verval. Als de wind opstak, zouden die bladeren en ranken kunnen ruisen. Heel even stonden ze er zwijgend naar te kijken, tot Loial diep ademhaalde en zijn hand op een blad legde dat anders was dan de andere bladeren op de saidinpoort. Het drievingerige blad van Avendesora, de legendarische Levensboom. Tot het moment dat zijn enorme hand het aanraakte, leek het net zo’n deel van het beeldhouwwerk als de andere bladeren, maar het liet gemakkelijk los. Faile snakte luid naar adem en zelfs de Aiel mompelden iets. Overal rook Perijn ongerustheid, maar het viel niet te zeggen bij wie. Het kwam wellicht van de hele groep.
De stenen bladeren leken nu te bewegen in een bries die niet voelbaar was. Ze verkregen de groene tint van leven. Langzaam verscheen in het midden een spleet en de twee helften van de saidinpoort zwaaiden naar buiten, waarbij niet de heuvel erachter zichtbaar werd, maar een doffe glans die vaag hun beeld weerkaatste.
‘Men zegt dat de saidinwegen vroeger glommen als spiegels,’ mompelde Loial, ‘en dat de reizigers over de wegen trokken onder een zon in een blauwe hemel. De zon is verdwenen. Net als deze gaarde.’ Perijn trok haastig een lantaarnstok van een pakpaard en stak hem aan. ‘Hierbuiten is het toch te warm,’ zei hij. ‘Een beetje schaduw kan geen kwaad.’ Hij spoorde Stapper aan en reed naar de poort. Hij meende dat Faile opnieuw naar adem snakte.
De grijsbruine hengst bokte toen hij zijn eigen spiegelbeeld naderde, maar Perijn dreef hem voort. Langzaam, herinnerde hij zich. Het moest langzaam gebeuren. De paardenneus raakte aarzelend het spiegelbeeld aan en werd er toen door opgenomen, alsof hij door een spiegel stapte. Perijn bewoog naar zijn beeld toe, raakte het aan... Een ijzige kou gleed over zijn huid, omhulde hem haartje voor haartje. De tijd leek te worden uitgerekt.
De kou verdween als een doorgeprikte zeepbel en hij stond midden in een eindeloos zwart. Het schijnsel van de lantaarn vormde een kleine lichtkring om hem heen. Stapper en het pakpaard hinnikten zenuwachtig.
Gaul stapte er kalm doorheen en stak een tweede lantaarn aan. Achter hen leek een plaat rokerig glas te staan. De anderen waren goed te zien. Loial klom weer op zijn paard, Faile pakte de teugels op en ze leken allemaal vertraagd, nauwelijks te bewegen. Op de wegen liep de tijd anders.
‘Faile is boos op je,’ zei Gaul toen hij de lantaarn aan had gekregen. Het werd er niet veel lichter door; de duisternis slorpte het licht op. ‘Ze schijnt te denken dat je een of andere afspraak gebroken hebt. Bain en Chiad... Zorg ervoor dat ze je niet alleen in een hoek drijven. Ze zijn van plan jou voor Faile een lesje te geven en je zult niet zo gemakkelijk op dat dier kunnen zitten als hun plannetje lukt.’ ik heb nergens mee ingestemd, Gaul. Ik doe wat zij mij met haar slimmigheid heeft opgedrongen. We zullen Loial gauw genoeg moeten volgen, zoals zij het wil, maar ik ben van plan zo lang mogelijk voorop te gaan.’ Hij wees naar een brede witte streep onder Stappers hoeven. De streep, hier en daar onderbroken en vol putjes, leidde van hen weg en verdween een paar voet verder in de duisternis. ‘Die brengt ons naar de eerste wegwijzer. Daar moeten we op Loial wachten. Die kan hem lezen en hij moet beslissen welke brug we nemen, maar tot daar mag Faile óns volgen.’
‘Brug,’ mompelde Gaul nadenkend, ik ken het woord. Is hier water te vinden?’
‘Nee, zo’n soort brug is het eigenlijk niet. Ze zien er wel ongeveer zo uit, maar... Misschien kan Loial het uitleggen.’ De Aielman krabde zijn hoofd. ‘Weet je wel wat je doet, Perijn?’
‘Nee,’ gaf Perijn toe, ‘maar dat hoeft Faile niet te weten.’ Gaul lachte. ‘Het is leuk om zo jong te zijn, hè Perijn?’ Fronsend, onzeker of de man hem uitlachte, spoorde Perijn Stapper aan en trok het pakpaard mee. Vanaf de poort zou het lantaarnlicht twintig of dertig pas verder al onzichtbaar zijn. Hij wilde helemaal uit het zicht verdwijnen voor Faile erdoorheen stapte. Laat haar maar denken dat hij had besloten alleen verder te gaan. Als ze zich een tijdje daarover zorgen maakte, tot ze hem bij de wegwijzer zag, was dat wel het minste wat ze verdiende.
19
De Golfdanser
De gouden zon stond nog maar net boven de horizon toen de glimmende, zwart gelakte koets die getrokken werd door een vierspan grijsschimmels, schommelend aan het begin van de kade stilhield. De slungelige koetsier, gekleed in een zwart met gouden jas, sprong van de bok om het portier te openen. Natuurlijk stond er geen enkel wapen of embleem op; Tyreense edelen hielpen een Aes Sedai alleen als ze gedwongen werden, hoe beleefd ze ook glimlachten, en niemand wenste zijn naam of huis met de Toren in verband gebracht te zien. Elayne stapte dankbaar uit, zonder op Nynaeve te wachten, en trok haar blauwlinnen, zomerse reismantel recht. De straten van de Maule waren doorploegd met karrensporen en de leren banden van het rijtuig veerden niet echt goed. Het briesje over de Erinin leek haar na de hitte van de Steen zelfs koel toe. Ze was van plan geweest om net te doen alsof de hobbelige rit haar niet had gedeerd, maar toen ze eenmaal buiten stond, kon ze het niet nalaten haar rug flink te strekken. De regen van vannacht heeft het stof tenminste vastgehouden, dacht ze. Ze vermoedde dat ze opzettelijk een rijtuig zonder gordijntjes hadden gekregen. Naar het noorden en zuiden staken nog meer kaden als brede stenen vingers de rivier in. De lucht rook naar teer en touw, naar vis en specerijen en olijfolie, naar naamloze rottende dingen in het stilstaande water tussen de pieren, en naar dat vreemde, langwerpige, geelgroene fruit dat in enorme trossen voor het pakhuis achter haar lag opgestapeld. Ondanks het vroege uur waren mannen in leren vesten of met ontblote bovenlijven al druk bezig; ze sjouwden grote pakken op hun gekromde ruggen of duwden handwagens met vaten of kratten af en aan. Niemand gaf haar in het voorbijgaan meer dan een onverschillige blik. Ze sloegen hun donkere ogen haastig neer en raakten onwillig even hun voorhoofd aan. De meesten hieven zelfs hun hoofd niet op. Het deed haar pijn om dit te zien.
De Tyreense edelen behandelden hun volk slecht. Mishandelen was er een betere beschrijving voor. In Andor zou ze een brede glimlach of een eerbiedige groet verwacht hebben, vrijelijk geuit door mannen met een rechte rug, met evenveel eigenwaarde als zij bezat. Ze betreurde haar vertrek bijna. Ze was opgevoed om op een dag over een trots volk te heersen, en ze voelde de aandrang om deze mensen waardigheid te leren. Maar dat was Rhands taak, niet de hare. En als hij het niet goed doet, zal ik hem eens de waarheid zeggen. Flink wat. Hij was in ieder geval begonnen met het opvolgen van haar raad. En ze moest toegeven dat hij met mensen wist om te gaan. Het zou boeiend zijn om te zien wat hij gedaan had tegen de tijd dat ze weer zou terugkeren. Als het nut heeft om terug te keren.