Выбрать главу

Elayne wisselde een blik met Nynaeve en zag haar eigen vragen weerspiegeld in haar ogen. Waarom besliste de windvindster? Waarom niet de zeilvrouwe zelf? Zij was de kapitein, welke titel ze ook voerde. Hoe dan ook, ze kregen hun overtocht. Voor hoeveel? vroeg Elayne zich af. Hoe groot zou het ‘geschenk’ moeten zijn ? Ze wenste dat Nynaeve niet had onthuld dat ze meer hadden dan die ene pandbrief. En ze beschuldigt mij ervan dat ik met goud strooi.

De deur ging open en een breedgeschouderde man met grijs haar kwam binnen. Hij was gekleed in een ruime groenzijden broek en sjerp en keek een stapeltje papieren door. Elk oor was versierd met vier gouden ringen en om zijn nek hingen drie zware gouden kettingen, met aan een ervan een snuifdoosje. Het lange, rimpelige litteken over zijn wang en de twee gebogen messen die in zijn sjerp waren gestoken, deden hem er vervaarlijk uitzien. Hij haakte een merkwaardig draadwerk achter zijn oren vast om een paar heldere glazen voor zijn ogen te houden. Het Zeevolk vervaardigde natuurlijk de beste kijkglazen en brandglazen en dat soort dingen, ergens op hun eilanden, maar zoiets had Elayne nog nooit gezien. Hij tuurde door die glazen naar de papieren en begon te praten zonder op te kijken.

‘Coine, ik heb hier een dwaas die bereid is vijfhonderd sneeuwvospelzen te verhandelen voor die drie kleine tonnetjes Tweewatertobak uit Ebo Dar. Vijfhonderd! Hij kan ze hier vanmiddag al hebben.’ Hij keek op en schrok. ‘Vergeef me, mijn gade. Ik wist niet dat je gasten had. Het Licht zij met u allen.’

‘Tegen de middag, mijn echtgenoot,’ zei Coine, ‘zak ik de rivier af. Bij het vallen van de nacht ben ik op zee.’

Hij verstrakte. ‘Ben ik nog steeds vrachtmeester, gade, of werd mijn plaats ingenomen toen ik het niet zag?’

‘Je bent vrachtmeester, echtgenoot, maar de handel moet nu stoppen en de voorbereidingen voor de afvaart moeten beginnen. Wij zeilen naar Tanchico.’

‘Tanchico?’ Hij verfrommelde de papieren in zijn vuist en poogde zich toen te beheersen. ‘Gade... Nee! Zeilvrouwe, je zei me dat onze volgende haven Mayene zou zijn, en daarna oostwaarts, naar Shara. Met dat in mijn hoofd heb ik gehandeld. Shara, zeilvrouwe, niet Tarabon. Wat ik in de ruimen heb, zal in Tanchico weinig opbrengen. Misschien wel niets! Mag ik vragen waarom mijn handel naar de golven gaat en de Golfdanser verarmt?’

Coine aarzelde, maar toen ze sprak, klonk haar stem nog steeds vormelijk. ik ben zeilvrouwe, mijn echtgenoot. Golfdanser zeilt wanneer en waar ik wil. Laat dat voor nu voldoende zijn.’

‘Zoals u zegt, zeilvrouwe,’ gromde hij, ‘zo zal het zijn. Hij raakte zijn hart aan – Elayne dacht dat Coine even ineenkromp – en kloste de hut uit; hij liep even recht als een scheepsmast.

‘Dit zal ik moeten goedmaken,’ mompelde Coine zachtjes, en staarde naar de deur. ‘Ach, het is aardig om het goed te maken. Gewoonlijk. Hij groette mij als een scheepsjongen, zuster.’

‘Het spijt ons dat we de oorzaak van problemen zijn, zeilvrouwe,’ zei Elayne voorzichtig. ‘En het spijt ons dat we hiervan getuige moesten zijn. Als we u op enige manier in verlegenheid gebracht hebben, aanvaard dan onze verontschuldigingen.’

‘Verlegenheid?’ Coine klonk verbaasd. ‘Aes Sedai, ik ben een zeilvrouwe. Ik betwijfel of uw aanwezigheid Toram in verlegenheid gebracht heeft, en ik zou mij niet bij hem verontschuldigen als het wel zo was. De handel is zijn taak, maar ik ben de zeilvrouwe. Ik moet het goedmaken – en dat zal niet makkelijk zijn, omdat ik de reden nog geheim moet houden – want hij heeft gelijk, en ik kon niet snel genoeg een andere reden bedenken dan die ik een dekmaat zou geven. Dat litteken op zijn gezicht heeft hij opgelopen toen hij het dek van de Golfdanser vrijmaakte van Seanchanen. Hij heeft oudere littekens, opgelopen bij het verdedigen van mijn schip, en ik behoef slechts mijn hand op te houden om die te laten vullen met het goud dat hij met zijn handel verdiend heeft. Ik moet het goedmaken vanwege de zaken die ik hem niet kan vertellen, omdat hij het verdient de reden te kennen.’ ik begrijp het niet,’ zei Nynaeve. ‘Wij zouden u willen vragen om het bestaan van de Zwarte Ajah geheim te houden...’ – ze wierp Elayne een blik toe die harde woorden beloofde als ze alleen waren; Elayne was van plan om daar een paar woorden over kiesheid aan toe te voegen – ‘... maar drieduizend kronen is toch reden genoeg om ons naar Tanchico te brengen.’

‘Ik moet uzelf geheimhouden, Aes Sedai. Wat u bent en waarom u reist. Velen onder mijn bemanning beschouwen Aes Sedai als ongeluksbrengers. Als ze weten dat ze niet alleen Aes Sedai meevoeren, maar ook nog naar een haven varen waar andere Aes Sedai de Vader der Stormen dienen... De genade van het Licht scheen op ons, dat er niemand dichtbij genoeg was om te horen hoe ik u bovendeks aansprak. Zou het u aanstoot geven als ik zou vragen om zoveel mogelijk benedendeks te blijven en uw ringen aan dek niet te dragen?’ Als antwoord plukte Nynaeve haar Grote Serpent-ring van de vinger en liet hem in haar beurs vallen. Elayne deed hetzelfde, al was het met meer weerzin; ze had het altijd leuk gevonden als de mensen haar ring zagen. Op dit punt vertrouwde ze niet helemaal meer op Nynaeves restje fijngevoeligheid en sneed haar de pas af. ‘Zeilvrouwe, wij hebben u een overtochtsgeschenk aangeboden dat u moest behagen. Zo niet, mag ik dan vragen wat aanvaardbaar zou zijn?’ Coine kwam terug naar de tafel en keek weer naar de pandbrief. Toen schoof ze hem terug naar Nynaeve. ‘Dit doe ik voor de Coramoor. Ik zal u veilig afzetten, waar u maar wilt, als dat het Licht behaagt. Het zal geschieden.’ Ze raakte haar lippen met de vingers van haar rechterhand aan. ‘Het is overeengekomen, onder het Licht.’ Jorin maakte een verstikt geluid. ‘Mijn zuster, heeft een vrachtmeester ooit tegen zijn zeilvrouwe gemuit?’

Coine keek haar vlak aan. ik zal het geschenk van de overtocht uit mijn eigen kist halen. En als Toram daar ooit van hoort, mijn zuster, zal ik je samen met Dorele in het ruim zetten. Wellicht als ballast.’ Dat de twee vrouwen van het Zeevolk hun vormelijkheid hadden laten varen, werd bevestigd toen de windvindster hardop lachte. ‘En dan zou jouw volgende aanleghaven Chachin zijn, mijn zuster, of Caemlin, want zonder mij zou je geen druppel water kunnen vinden.’ De zeilvrouwe richtte zich met iets van spijt weer tot Elayne en Nynaeve. ‘Het zou gepast zijn, Aes Sedai, aangezien u de Coramoor dient, dat wij u eren gelijk wij een zeilvrouwe en windvindster van een ander schip zouden doen. Wij nemen dan tezamen een bad, drinken met honing aangelengde wijn en vertellen elkander verhalen die ons doen lachen en wenen. Maar ik moet het schip voorbereiden om uit te varen, en...’

De Golfdanser rees op als zijn naam. Het schip sprong omhoog en bonkte tegen de kade. Elayne zwaaide in haar stoel heen en weer en vroeg zich, terwijl het voortduurde, af of dit echt beter was dan op het dek onderuit geveegd worden.

Toen was het eindelijk voorbij. De heftige sprongen werden minder. Coine krabbelde overeind en holde naar de trap, met Jorin op haar hielen, terwijl ze al bevelen riep om de schade aan de romp op te nemen.

20

Opstekende winden

Elayne worstelde met de wegklapbare stoelleuning en sprong toen achter hen aan, waarbij ze bij de trap bijna tegen Nynaeve botste. Het schip deinde nog steeds, al was het niet meer zo heftig als eerst. Ze wist niet of ze zonken of niet; ze duwde Nynaeve naar boven en spoorde haar aan sneller te klimmen.

Op het dek rende de bemanning heen en weer. Ze keken het want na of tuurden over de boorden om de romp na te zien, en riepen iets over een aardbeving. Diezelfde woorden kwamen ook van de havenwerkers, maar Elayne wist wel beter, ondanks de omgevallen dingen op de kaden en de schepen die nog hevig aan hun meertouwen rukten. Ze staarde naar de Steen. De enorme vesting stond roerloos, maar hele zwermen opgeschrokken vogels cirkelden er rond, en die lichtgekleurde banier wapperde bijna lui in een briesje. Aan niets was te zien dat iets deze geweldige massa in beroering had gebracht. Maar het was Rhand geweest, daar was ze zeker van.