Ze draaide zich om en zag hoe Nynaeve naar haar stond te kijken. Lange tijd bleven ze elkaar aankijken. ‘Fijn hoor, als hij het schip heeft beschadigd,’ zei Elayne ten slotte. ‘Hoe moeten we naar Tanchico als hij alle schepen heen en weer slingert?’ Licht, hem mag niets overkomen. Ik kan niets doen als er iets gebeurd is. Hem is niets overkomen.
Niets.
Nynaeve raakte haar arm geruststellend aan. ‘Die tweede brief van jou heeft ongetwijfeld doel getroffen. Mannen overdrijven altijd als ze hun gevoelens niet de baas zijn; dat is de prijs die ze betalen door ze in toom te houden. Hij mag dan wel de Herrezen Draak zijn, maar hij moet leren, als man tot een vrouw, dat... Wat doen zij hier?’ Midden tussen alle bedrijvigheid van het Zeevolk stonden twee mannen op het dek. De ene was Thom Merrilin in zijn speelmansmantel, met de in leren hoezen gestoken harp en fluit op zijn rug en een bundel aan zijn voeten, naast een gehavende houten doos met een slot erop. De ander was een slanke, knappe Tyrener van middelbare leeftijd. Het was een harde, donkere man, met een kegelvormige strohoed en in zo’n stadsjas die nauw om het middel sloot en dan als een korte rok uitwaaierde. Aan de riem over zijn jas hing een ingekeepte hartsvanger, en hij leunde op een lichtgekleurde, knobbelige houten staf die net zo groot was als hijzelf en niet dikker dan zijn duim. Een vierkant pak bungelde aan een lus over zijn schouder. Elayne kende hem: Juilin Sandar.
Het was duidelijk dat de twee mannen vreemden voor elkaar waren, al stonden ze vlak naast elkaar; ze hielden zichzelf stijfjes op afstand. Maar de aandacht van beiden was gericht op hetzelfde. Ze volgden de zeilvrouwe, die naar het achterdek liep, en hielden Elayne en Nynaeve in het oog. Ze waren duidelijk wat onzeker en verborgen dat achter een masker van zelfvertrouwen. Thom grinnikte en streek over zijn lange witte snorpunten, terwijl Sandar plechtige, zelfverzekerde buigingen maakte.
‘Het schip is niet beschadigd,’ zei Coine, die de trap opklom, ik kan binnen het uur onder zeil zijn, als het u behaagt. Ruim daarbinnen zelfs, als een Tyreense loods kan worden gevonden. Zo niet, dan zal ik zonder hem varen, hoewel dat betekent dat we nimmer meer naar Tyr kunnen terugkeren.’ Ze volgde hun blik naar de twee mannen. ‘Zij vragen overtocht, de speelman naar Tanchico en de dievenvanger naar uw reisdoel. Ik kan hen niet weigeren, en toch...’ Haar donkere ogen keerden weer terug naar Elayne en Nynaeve. ik zal hen echter weigeren als u daar om vraagt.’ In haar stem streed tegenzin om met een gewoonte te breken met... een verlangen hen te helpen? Om de Coramoor te dienen? ‘De dievenvanger is een goed man, zelfs in beschouwing nemend dat hij aan land gebonden is. De speelman ken ik niet, maar hij kan een reis veraangenamen en vermoeide uren lichter maken.’
‘U kent baas Sandar?’ zei Nynaeve.
‘Tweemaal heeft hij degene gevonden die van ons heeft gestolen, en hij was snel. Een andere landbewoner zou er langer over gedaan hebben, zodat hij meer kon vragen voor het werk. U kent hem duidelijk ook. Wilt u dat ik hen overtocht weiger?’ Haar afkeer was nog steeds te horen.
‘Laten we eerst vragen waarom ze hier zijn,’ zei Nynaeve met een vlakke stem, die voor geen van beiden veel goeds beloofde.
‘Misschien zou ik het praten moeten doen,’ stelde Elayne vriendelijk maar beslist voor. ‘Op die manier kun je zien of ze iets verbergen.’ Ze zei er niet bij dat Nynaeves stemming op die manier niet de overhand zou krijgen, maar haar zuinige glimlach vertelde Elayne dat ze dat wel degelijk zo had opgevat.
‘Goed, Elayne. Ik zal hen gadeslaan. Misschien kun je dan zien hoe kalm ik me hou. Je weet hoe je zelf bent als je opgewonden raakt.’ Elayne moest lachen.
De twee mannen rechtten hun rug toen zij en Nynaeve naderbij kwamen. De bemanning krioelde om hen heen, klauterde in het want, hees touwen op, bond sommige dingen vast en maakte op last van de zeilvrouwe andere los. De bemanningsleden bewogen zich om de vier landmensen heen en letten nauwelijks op hen.
Elayne keek Thom Merrilin nadenkend aan. Ze wist zeker dat ze de speelman vóór zijn komst in Tyr nog nooit eerder gezien had, maar toch was ze getroffen door iets bekends aan hem. Niet dat dat waarschijnlijk was. Speelmannen traden meestal in dorpen op; haar moeder had er zeker nooit een in het paleis van Caemlin gehad. De enige speelmannen die Elayne zich kon herinneren, hadden in de dorpen bij de landgoederen van haar moeder opgetreden, en deze witharige man met zijn haviksgezicht was zeker niet daarbij geweest. Ze besloot eerst met de dievenvanger te praten. Hij stond erop om zo aangesproken te worden; wat elders een dievenpakker genoemd werd, heette in Tyr een dievenvanger, en dat onderscheid leek hij belangrijk te vinden.
‘Baas Sandar,’ zei ze ernstig. ‘Mogelijk herinnert u zich ons niet. Ik ben Elayne Trakand en dit is mijn vriendin Nynaeve Almaeren. Ik heb begrepen dat u dezelfde bestemming hebt als wij. Mag ik vragen waarom? De laatste keer dat wij u zagen, hebt u ons niet bepaald goed gediend.’
De man knipperde niet eens met de ogen bij haar woorden dat hij hen niet meer zou kennen. Zijn ogen gleden over hun handen en zagen dat de ringen ontbraken. Die donkere ogen merkten alles en namen alles onuitwisbaar in zich op. ik herinner het me, meesteres Trakand, en goed. Maar, als u mij wilt toestaan, de laatste keer dat ik u diende, was in het gezelschap van Mart Cauton, toen we u beiden uit het water trokken voor de zilvertanden u te pakken konden krijgen.’ Nynaeve schraapte haar keel, maar niet te luid. Het was een kerker geweest, niet het water, en de Zwarte Ajah, niet zilvertanden. Vooral Nynaeve vond het niet leuk dat zij die keer hulp nodig hadden gehad. Natuurlijk, ze zouden nooit in die kerker terechtgekomen zijn zonder Juilin Sandar. Nee, dat was niet eerlijk. Het was waar, maar niet helemaal eerlijk.
‘Dat kan allemaal best zijn,’ zei Elayne snel, ‘maar u hebt nog steeds niet gezegd waarom u naar Tanchico wilt.’
Hij haalde diep adem en keek behoedzaam naar Nynaeve. Elayne wist niet of ze het wel zo leuk vond dat hij voorzichtiger met Nynaeve omsprong dan met haar. ik werd zojuist uit mijn huis gehaald,’ zei hij voorzichtig, ‘door een man die u volgens mij kent. Een grote man met een stenen gezicht, die zich Lan noemt.’ Nynaeves wenkbrauwen schoten iets omhoog. Hij kwam namens een andere man die u kent. ‘Een... schaapherder, werd mij gezegd. Mij werd een grote hoeveelheid goud gegeven en verteld dat ik u moest vergezellen. U beiden. Er werd mij verteld dat als u niet veilig van deze reis terugkomt... Zullen we het erop houden dat het dan beter voor me was om mezelf te verdrinken dan terug te komen? Lan was heel duidelijk in zijn boodschap, en de... schaapherder minstens net zo. De zeilvrouwe zegt me dat ik geen overtocht kan krijgen, tenzij u erin toestemt. Ik heb zekere vaardigheden die van pas kunnen komen.’ De staf wervelde fluitend in een waas rond in zijn handen en werd weer stil. Zijn vingers raakten de hartsvanger op zijn heup aan; het leek op een kort zwaard zonder punt. De inkepingen dienden om een kling op te vangen.
‘Mannen zullen altijd een manier vinden om eronderuit te komen, als je hun zegt wat ze moeten doen,’ mompelde Nynaeve, maar ze klonk niet ontevreden.
Elayne fronste slechts verstoord de wenkbrauwen. Had Rhand hem gestuurd? Dat moest hij dan gedaan hebben voordat hij de tweede brief had gelezen. Drakenvuur! Waarom doet hij zo? Geen tijd om weer een brief te sturen, en dat zou hem alleen maar nog meer in verwarring brengen. En mij nog een grotere dwaas laten lijken. Bloedvuur! ‘En u, meester Merrilin?’ zei Nynaeve. ‘Heeft de schaapherder ook een speelman achter ons aangestuurd? Of de andere man? Misschien om ons bezig te houden met jongleren en vuur spuwen?’ Thom had Sandar goed van dichtbij opgenomen, maar hij verlegde zijn aandacht gladjes. Hij maakte een sierlijke buiging en bedierf het slechts door een te overdadig wapperen met die lapjesmantel van hem. ‘Niet de schaapherder, vrouwe Almaeren. Een vrouw die we allebei kennen, vroeg – vroeg – me u te begeleiden. De vrouw die in Emondsveld u en de schaapherder heeft gevonden.’