De rivieroever gleed vrij snel voorbij, terwijl de zon hoger en hoger kwam te staan. Nu en dan was er een groepje boerenbehuizingen te zien met schuren, armoedig en eenzaam, die dan achter het schip verdwenen. Er waren echter geen dorpen. Tyr zou nog niet het kleinste dorpje aan de rivier toestaan tussen de kust en de hoofdstad, want zelfs het kleinste kon op zekere dag een rivaal worden. De hoogheren hielden de grootte van de dorpjes en stadjes in hun land scherp in de gaten door een belasting op gebouwen die zwaarder werd naarmate er meer gebouwen werden opgetrokken. Elayne was er zeker van dat ze nooit de groei van Godan aan de Baai van Remara zouden hebben toegestaan als er niet de behoefte was geweest aan een sterke stad die toe kon zien op Mayene. In zekere zin was het een opluchting zo’n dom volk te verlaten. Als ze daarbij ook niet die ene, dwaze man had hoeven achter te laten.
Het aantal vissersbootjes, de meeste klein en allemaal omgeven door hoopvolle meeuwen en visroofvogels, werd groter naarmate de Golfdanser verder naar het zuiden voer, zeker toen het vaartuig de doolhof van waterwegen in voer die de Drakenvingers werden genoemd. Vaak zagen ze alleen de vogels boven hun hoofd en de lange stokken die de netten vasthielden, en de vlakten met riet en mesgras die in het briesje rimpelden. In de vlakten waren af en toe eilanden te zien met vreemde, verwrongen bomen boven ineengestrengelde luchtwortels, net spinnenpoten. Veel boten lagen midden in het riet, maar dan zonder netten. Eenmaal zag Elayne er een van dichtbij in open water. Mannen en vrouwen gooiden lijnen met haken tussen de waterplanten en trokken dan kronkelende vissen met zwarte strepen aan boord, die zo lang waren als een mannenarm.
De Tyreense loods begon bezorgd te ijsberen toen ze eenmaal onder de hete zon in de riviermonding kwamen. Hij trok zijn neus op toen hem een kom met een dikke pittige vissoep en wat brood werd aangeboden. Elayne at haar kom hongerig leeg en veegde de aardewerken kom met het laatste korstje brood helemaal schoon, hoewel ze zich net als de man evenmin op haar gemak voelde.
Naar alle kanten strekten zich smalle en brede doorgangen uit. Sommige hielden zichtbaar opeens op bij een muur van riet. Er viel nooit te zeggen of een van die andere doorgangen misschien na de volgende bocht ook dood zou lopen. Desondanks liet Coine de Golfdanser niet langzamer varen en ze aarzelde ook nooit bij een doorgang. Ze wist dus welke kanalen ze moest riemen, of de windvindster wist het, maar de loods bleef in zichzelf mopperen alsof hij verwachtte dat ze elk moment aan de grond konden lopen.
Laat in de middag doemde opeens de monding naar de zee op en de eindeloze leegte van de Zee der Stormen erachter. Het Zeevolk deed iets met de zeilen en het schip kwam opeens trillend stil te liggen. Pas toen merkte Elayne een grote roeiboot op die als een veelpotig waterinsect van een eiland aan kwam schieten, waarop enkele eenzame stenen gebouwtjes stonden aan de voet van een hoge smalle toren. Op de top stonden enkele kleine mannen onder de banier van Tyr, drie witte maansikkels op een veld van rood en goud. De loods nam de beurs die Coine hem aanreikte zwijgend aan en klom met behulp van een touwladder naar de roeiboot. Zodra hij daarin stond, zwaaiden de zeilen weer uit en nam de Golfdanser het op tegen de eerste branding van de open zee, rees iets omhoog en spleet de golven doormidden. De bemanning werkte overal in het want en zette meer zeilen bij, terwijl het schip naar het zuidwesten zeilde, weg van het land. Toen het laatste reepje land in de verte verdween, trokken alle Zeevolkvrouwen hun hemden uit. Allemaal, zelfs de zeilvrouwe en de windvindster. Elayne wist niet waar ze moest kijken. Vrouwen die er allemaal halfgekleed bijliepen, terwijl de mannen het niets leek te deren. Juilin Sandar leek het even moeilijk te vinden als zij en wisselde zijn verbijsterde gestaar naar de vrouwen af met blikken naar zijn voeten, tot hij het opgaf en beriedendeks vluchtte. Elayne was niet van plan zich ook weg te laten jagen. In plaats daarvan verkoos ze over de zee uit te kijken.
Andere gebruiken, herinnerde ze zichzelf. Zolang ze maar niet verwachten dat ik hetzelfde doe. De gedachte alleen al deed haar bijna in een wilde lachbui uitbarsten. Op de een of andere manier kon ze gemakkelijker over de Zwarte Ajah nadenken dan daarover. Andere gebruiken! Licht!
De hemel werd paarsblauw met een dofgouden zon aan de horizon. Grote aantallen dolfijnen begeleidden het vaartuig, rolden en sprongen met bogen langszij mee. Verder weg schoten scholen van een soort flonkerende zilverblauwe vis hoog boven de golven uit en zweefden dan op gestrekte zijvinnen van een stap breedte zo’n vijftig voet in de lucht voor ze terugplonsden in de oprijzende grijsgroene golven. Elayne keek vol verwondering naar een tiental vluchten totdat ze zich niet meer lieten zien.
Maar de dolfijnen, grote slanke vormen, waren al wonderbaarlijk genoeg, zoals ze als een soort erewacht de Golf danser terug begeleidden naar waar het schip hoorde. Ze herkende die vissen van beschrijvingen uit haar boeken. Daarin stond dat ze iemand die dreigde te verdrinken, naar de kust terugduwden. Ze wist niet zeker of ze dat moest geloven, maar het was een mooi verhaal. Ze liep met ze mee langs de zijkant naar de boeg, waar ze in de boeggolf ronddartelden en op hun zij gingen liggen om naar haar op te kijken, zonder een duim achter te raken.
Ze stond al bijna helemaal in de punt van de boeg voor ze besefte dat Thom Merrilin daar al eerder heen was gelopen. Hij glimlachte enigszins droevig naar de dolfijnen onder hem, terwijl zijn mantel de wind opving zoals de zeilen boven hen. Hij had zijn bezittingen al opgeborgen. Hij zag eruit als een bekende, echt waar. ‘Bent u niet gelukkig, meester Merrilin?’
Hij gluurde haar van opzij aan. ‘Noem me alsjeblieft Thom, mijn vrouwe.’
‘Goed, Thom. Maar niet mijn vrouwe. Hier ben ik gewoon vrouw Trakand.’
‘Zoals u wenst, vrouw Trakand,’ zei hij met een kleine glimlach. ‘Hoe kun je naar die dolfijnen kijken en toch ongelukkig zijn, Thom?’
‘Ze zijn vrij,’ mompelde hij op een toon die haar niet duidelijk maakte of hij wel antwoord gaf. ‘Zij hoeven geen beslissingen te nemen, geen prijs te betalen. Geen zorgje in de wereld, behalve dan vissen te vinden om te eten. En haaien, neem ik aan. En leeuwvissen. En misschien nog zo’n honderd dingen meer, waar ik niets vanaf weet. Misschien is hun leventje toch niet zo te benijden.’
‘Ben je jaloers op ze?’ Hij gaf geen antwoord, maar het was trouwens toch de verkeerde vraag. Ze had behoefte hem weer te zien glimlachen. Nee, te zien lachen. Om de een of andere reden wist ze zeker dat als ze hem aan het lachen kon krijgen, dat ze dan weer zou weten waar ze hem eerder had gezien. Ze koos een ander onderwerp, een die hem nader aan het hart zou liggen. ‘Ben je van plan het epos van Rhand te gaan dichten, Thom?’ Een epos was iets van een bard, niet van een speelman, maar een beetje vleierij kon geen kwaad. ‘Het epos van de Herrezen Draak. Loial wil er een boek over schrijven, heb je dat gehoord?’
‘Misschien doe ik dat, vrouw Trakand. Misschien. Maar op den duur zal mijn dichtwerk net zo weinig verschil uitmaken als het boek van de Ogier. Onze verhalen zullen het niet overleven. Bij de komst van een nieuwe Eeuw...’ Hij grijnsde en trok aan een snorpunt. ‘Nu ik er zo aan denk, dat is misschien al over een jaar of twee. Hoe wordt het einde van een Eeuw kenbaar gemaakt? Het kan toch niet altijd zo rampzalig zijn als het Breken van de Wereld. Maar ja, als we de Voorspellingen mogen geloven, dan zal dit einde wel zo zijn. Dat is het probleem met voorspellen. De oorspronkelijke tekst is altijd in de Oude Spraak en misschien eveneens in Hoge Zang. Als je van tevoren niet weet wat iets betekent, dan kun je het op geen enkele manier ontraadselen. Betekent het wat er staat, of is het een bloemrijke tekst om iets heel anders te zeggen?’