Elayne liep snel de trap op, maar de vrouw van het Zeevolk sprak haar al aan voor ze omkeek, zodra ze haar zou kunnen horen. ‘Midden in mijn werk dacht ik al dat je stond te kijken. Ik kon toen niet stoppen, want dan zou er een storm kunnen opsteken die zelfs de Golfdanser te machtig is. De Zee der Stormen is terecht zo genoemd. Ze is ook zonder mijn hulp best in staat een kwade wind op te laten steken. Ik was dit helemaal niet van plan, maar Coine zei dat we snel moesten reizen. Voor jou en voor de Coramoor.’ Ze keek op en zocht de hemel af. ‘Deze wind blijft wel staan tot morgenochtend, als dat het Licht behaagt.’
‘Dus daarom wil het Zeevolk geen Aes Sedai vervoeren?’ vroeg Elayne, die naast haar ging staan. ‘Zodat de Toren niet zal vernemen dat windvindsters kunnen geleiden. Daarom was het jouw beslissing om ons aan boord te laten, niet die van je zuster. Jorin, de Toren zal je niet tegenhouden. Er is geen enkele wet in de Toren die zegt dat vrouwen niet mogen geleiden, zelfs niet vrouwen die geen Aes Sedai zijn.’
‘Jouw Witte Toren zal ingrijpen. Ze zullen onze schepen willen binnendringen, waar we geen last hebben van het land of landmensen. Ze zullen proberen ons aan hen te binden, ons van de zee af te snijden.’ Ze zuchtte diep. ‘De golf die voorbijrolt, kan niet worden teruggeroepen.’
Elayne had haar graag willen zeggen dat het niet zo was, maar de Toren zocht echt naar meisjes en vrouwen die het geleiden bijgebracht kon worden, zowel ter vergroting van het aantal Aes Sedai, dat vergeleken met vroeger afnam, als vanwege het gevaar voor een niet-geoefende geleidster. Feitelijk kwam iedere vrouw die de Ware Bron leerde aan te raken in de Toren terecht, of ze wilde of niet, tot ze genoeg had geleerd om zichzelf en anderen niet per ongeluk te doden. Even later sprak Jorin verder. ‘Het is niet iedereen. Enkelen slechts. We sturen een paar meisjes naar Tar Valon zodat de Aes Sedai niet bij ons komen zoeken. Geen enkel schip met een windvindster die de winden kan weven, zal een Aes Sedai vervoeren. Toen jullie je voorstelden, meende ik dat jullie me kenden, maar jullie zeiden niets en jullie vroegen overtocht en ik hoopte dat jullie ondanks je ring geen Aes Sedai waren. Een ijdele hoop. Ik kon voelen hoe sterk jullie waren. Nu zal de Witte Toren het weten.’
‘Ik kan niet beloven je geheim te bewaren, maar ik zal doen wat ik kan.’ De vrouw verdiende meer. ‘Jorin, ik zweer bij de eer van Huis Trakand van Andor dat ik mijn best zal doen jouw geheim te bewaren voor iedereen die jou of je volk kwaad kan doen. Indien ik het geheim aan iemand bekend moet maken, zal ik alles doen wat in mijn vermogen ligt om je volk tegen inmenging te beschermen. Huis Trakand heeft zeker invloed, ook op de Toren. En ik zal ervoor zorgen dat moeder die uitoefent, als het nodig is. Op de een of andere manier.’
‘Als dat het Licht behaagt,’ zei Jorin zonder enige hoop, ‘zal alles goed komen. Alles zal goed komen en alles zal goed komen en alle wijzen en wegen zullen goed komen, als dat het Licht behaagt.’
‘Er was dus een damane op dat Seanchaanse schip, nietwaar?’ De windvindster keek haar vragend aan. ‘Een van die gevangen vrouwen die kunnen geleiden.’
‘Je doorziet veel voor iemand die zo jong is. Daarom was mijn eerste gedachte dat jullie misschien geen Aes Sedai waren, doordat jullie zo jong waren. Ik heb dochters die ouder zijn dan jij, denk ik. Ik wist niet dat ze een gevangene was. Als ik dat had geweten, had ik geprobeerd haar te redden. De Golfdanser kon aanvankelijk heel snel van het Seanchaanse schip wegkomen. We hadden al gehoord van de Seanchanen en hun vreemde geribbelde zeilen en dat ze een vreemde eed eisten en bestraften wie de eed niet wilde afleggen. Maar toen brak die... damane? twee van onze masten en kwamen ze met zwaarden aan boord. Het lukte me branden te stichten op het Seanchaanse schip. Het weven van Vuur valt me heel moeilijk, ik kan net een lantaarn aansteken, maar het behaagde het Licht, zodat het genoeg was. Toram voerde de bemanning in het gevecht aan en ze dreven de Seanchanen naar hun eigen schip terug. We kapten de enterhaken en hun schip dreef brandend weg. Ze hadden het te druk om het te redden en konden zich niet met ons bemoeien toen we moeizaam wegzeilden. Het spijt me dat ik het schip brandend ten onder zag gaan. Het was een goed schip, denk ik, voor de hoge zee. Nu spijt het me, omdat we die vrouw hadden kunnen redden, die damane. Zelfs al heeft ze ons schip beschadigd, ze zou het uit zichzelf misschien niet hebben gedaan. Het Licht verlichte haar ziel en mogen de wateren haar vreedzaam hebben opgenomen.’
Ze was droevig geworden van haar verhaal. Ze moest worden afgeleid. ‘Jorin, waarom noemen de Atha’an Miere een schip “hij”? Ieder ander zegt altijd “zij”. Ik neem niet aan dat het enig verschil uitmaakt, maar waarom?’
‘De mannen zullen je een ander antwoord geven,’ zei de windvindster glimlachend. ‘Zij zullen het hebben over kracht en grootsheid en dat soort mannendingen, maar de waarheid is dit. Een schip leeft en hij is als een man, met het hart van een echte man.’ Ze wreef liefkozend over het hout alsof ze iets levends aaide, iets wat haar streling kon voelen. ‘Behandel hem goed en verzorg hem op de juiste wijze en hij zal in de zwaarste zee voor je vechten, zelfs nog lang nadat de zee hem zijn eigen dodelijke slag heeft toegediend. Verwaarloos hem echter, negeer zijn kleine waarschuwingen bij gevaar en hij zal je in een vlakke zee onder een wolkeloze hemel doen ondergaan.’
Elayne hoopte maar dat Rhand niet zo wreed zou zijn. Maar waarom huppelt hij dan zo rond, is hij eerst weer blij me te zien en stuurt hij daarna Juilin Sandar naar me toef Ze dwong zichzelf niet meer aan hem te denken. Hij was ver weg. Er viel aan hem momenteel niets meer te doen.
Ze keek om naar de boeg. Thom was weg. Ze was er zeker van het raadsel te hebben opgelost, vlak voor ze had gevoeld dat de windvindster geleidde. Het had te maken met zijn glimlach. Nou ja, wat dan ook, het was haar ontschoten. Ze zou het wel voor Tanchico kunnen terugvinden, al moest ze het uit hem slaan. Maar hij zou er morgenochtend nog zijn. ‘Jorin, hoelang duurt het voor we Tanchico bereiken? Ze hebben me verteld dat klippers de snelste schepen ter wereld zijn, maar hoelang?’
‘Naar Tanchico? Om de Coramoor te dienen zullen we geen enkele tussenhaven binnenlopen. Misschien tien dagen, als ik de winden heel goed kan weven, en als het het Licht behaagt dat ik de goede stromingen vind. Misschien wel zeven of acht in de genade van het Licht.’
‘Tien dagen?’ Elayne snakte naar adem. ‘Dat kan niet.’ Ze had toch met eigen ogen de kaarten gezien.
De glimlach van de andere vrouw was half trots, half dankbaar. ‘Zoals je al zei: de snelste schepen ter wereld. Iets minder snelle schepen doen anderhalf maal zo lang over deze afstand en de meeste andere tweemaal zo lang. Kustvaartuigen die aan de kust plakken en iedere nacht op de banken hun anker uitwerpen...’ – ze snoof misprijzend – ‘die hebben wel tien keer zoveel tijd nodig.’
‘Jorin, wil jij me leren wat je net deed?’
De windvindster staarde haar aan, haar donkere ogen stonden wijd open en glansden in het afnemende licht. ‘Jou leren? Maar je bent een Aes Sedai!’
‘Jorin, zo’n dikke stroom als jij weefde, heb ik nog nooit gekund, nog niet de helft. En hij reikte zo ver! Ik ben stomverbaasd, Jorin.’ De windvindster bleef haar nog even strak aankijken, niet langer verbijsterd, maar meer alsof ze zich Elaynes gezicht wilde inprenten. Toen kuste ze de vingers van haar rechterhand en drukte die tegen Elaynes lippen. ‘Als het het Licht behaagt, zullen we beiden leren.’
21