Выбрать главу

In het Hart

De Tyreense edelen vulden de grote gewelfde zaal met haar enorme gepolijste roodstenen zuilen, die wel tien voet in omvang waren en oprezen tot in de schaduwen boven de gouden lampen aan de gouden kettingen. De hoogheren en hoogvrouwen stonden in een rijendikke kring onder de grote koepel in het midden van de zaal. De lagere edelen stonden erachter, rij na rij tussen het woud van zuilen, allen in hun mooiste gewaden van fluweel en zijde en kant, met wijde mouwen en kantkragen en puntmutsen. Ze mompelden zenuwachtig onder elkaar, en onder dat enorme plafond leek het weerkaatste geluid op dat van onrustige ganzen. Alleen hoogheren werden ooit ontboden naar deze plek, die het Hart van de Steen genoemd werd, en dat slechts vier keer per jaar, onder het dubbele bevel van wet en gewoonte. En nu kwamen zij hier, allen die niet ergens op het land verkeerden, op het bevel van hun nieuwe meester, de wettenmaker en gewoontebreker. Zodra de opeengepakte menigte Moiraine zag, maakte ze plaats voor haar. Zij en Egwene bewogen zich in een kleine open ruimte. De afwezigheid van Lan hinderde Moiraine; het was niets voor hem om te verdwijnen als ze hem nodig mocht hebben. Het was zijn gewoonte over haar te waken, alsof ze niet voor zichzelf kon opkomen zonder wacht. Als ze de binding tussen hen niet had kunnen voelen, waardoor ze wist dat hij niet ver van de Steen vandaan was, zou ze zich zorgen hebben gemaakt.

Hij vocht net zo verwoed tegen de banden waarmee Nynaeve hem aan zich bond, als dat hij ooit Trolloks in de Verwording had bevochten. En hoe heftig hij het ook zou ontkennen, die jonge vrouw had hem net zo stevig gebonden als zijzelf had gedaan, zij het op een andere manier. Ze was niet echt jaloers, maar Lan was al te lang haar zwaardhand, haar schild en gezel geweest om hem zo maar op te geven. Hier heb ik gedaan wat gedaan moest worden. Ze zal hem krijgen als ik sterf, en niet eerder. Waar is die man ? Wat voert hij uit?

Een Vrouwe van het Land die Leitha heette, gekleed in een rood gewaad met kant en een paardengezicht, trok haar rokken wat al te opzichtig weg en Moiraine keek haar aan. Ze keek slechts, zonder haar pas in te houden, maar de vrouw rilde en sloeg haar ogen neer. Moiraine knikte tegen zichzelf. Ze kon aanvaarden dat deze mensen de Aes Sedai haatten, maar ze zou, boven op verborgen beledigingen niet nog eens openlijke grofheid slikken. Bovendien week de rest nog een stap terug, toen ze zagen hoe Leitha op haar plaats gezet werd. ‘Weet je zeker dat hij niets heeft gezegd over wat hij wil aankondigen?’ vroeg ze zachtjes. In dit rumoer kon iemand op drie pas, de afstand die de Tyreners nu bewaarden, al geen woord meer begrijpen. Ze had er een hekel aan afgeluisterd te worden.

‘Niets,’ zei Egwene op even zachte toon. Ze klonk al net zo geprikkeld als Moiraine zich voelde. ‘Er gingen geruchten.’

‘Geruchten? Welke geruchten?’

Het meisje slaagde er niet zo goed in haar gezicht en stem te beheersen; ze had overduidelijk de verhalen over de gebeurtenissen in Tweewater nog niet gehoord. Maar erop wedden dat Rhand niets gehoord had, was zoiets als je paard voor een tien voet hoge hindernis aanzetten. ‘Je zou hem moeten overhalen jou in vertrouwen te nemen. Hij heeft een aandachtig oor nodig. Het zal hem goed doen als hij zijn moeilijkheden kan bepraten met iemand die hij kan vertrouwen.’ Egwene keek haar van opzij aan. Ze werd te slim voor zulke eenvoudige manieren. Maar Moiraine had inderdaad een eenvoudige waarheid uitgesproken – de jongen had iemand nodig die naar hem luisterde, waardoor zijn last zou verlichten – en het zou kunnen werken. ‘Hij zal niemand iets toevertrouwen, Moiraine. Hij verhult zijn pijn en hoopt dat hij er iets aan kan doen voordat iemand het opmerkt.’ Egwenes gezicht stond even boos. ‘Zo’n leeghoofdige muilezel!’ Moiraine voelde even iets van medeleven. Je kon van het meisje niet verwachten dat ze aanvaardde hoe Rhand arm in arm met Elayne rondliep en haar in hoekjes kuste waar ze zichzelf onbespied waanden. En Egwene wist nog niet de helft. Nog niet. Haar medelijden duurde niet lang. Het meisje moest nog te veel belangrijke zaken aanpakken om te blijven kniezen over iets dat ze toch niet kon krijgen. Elayne en Nynaeve zouden nu aan boord van de klipper moeten zijn, buiten bereik. Hun reis zou haar misschien eindelijk kunnen vertellen of haar vermoedens over de windvindsters terecht waren. Maar dat was nu onbelangrijk. In het ergste geval had het tweetal genoeg goud bij zich om een schip te kopen en een bemanning te huren – wat misschien wel onvermijdelijk was, gezien de geruchten over Tanchico – en dan hadden ze nog genoeg over voor omkoperij, wat zo vaak nodig was bij de Taraboonse klerken. Thom Merrilins kamer was leeg en haar tipgevers hadden bericht dat hij iets mopperde over Tanchico, toen hij uit Steen vertrok; hij zou erop toezien dat ze een goede bemanning en de juiste klerken zouden treffen. Het beoogde plan met Mazrim Taim was het waarschijnlijkste van de twee, maar haar boodschappen naar de Amyrlin zouden ervoor gezorgd moeten hebben dat dat plan niet kon worden uitgevoerd. Die twee jonge vrouwen mochten zich bezighouden met de nogal onwaarschijnlijke mogelijkheid van een geheimzinnig gevaar dat in Tanchico verborgen zou zijn. Ze liepen haar niet meer voor de voeten en waren uit de buurt van Rhand. Ze vond het alleen jammer dat Egwene geweigerd had met hen mee te gaan. Tar Valon zou de beste keuze voor hen alledrie geweest zijn, maar ze moest het maar met Tanchico stellen.

‘Over leeghoofden gesproken, wil je dat plan doorzetten om de Woestenij in te gaan?’

‘Jazeker,’ zei het meisje beslist. Ze moest eigenlijk naar de Toren om met de Kracht te oefenen. Wat had Siuan bedacht? Als ik het haar vraag, krijg ik waarschijnlijk weer een van die spreekwoorden over boten en vissen.

Egwene zou tenminste ook geen hindernis meer zijn, en de Aielvrouw zou over haar waken. Misschien konden de Wijzen haar echt iets leren over Dromen. Dat was een buitengewoon opmerkelijke brief van hen geweest, hoewel ze zich niet kon veroorloven acht te slaan op het meeste wat erin gestaan had. Op de lange duur zou Egwenes reis in de Woestenij weieens nuttig kunnen zijn.

De laatste rij Tyreners maakte plaats, en zij en Egwene keken uit over de open ruimte onder de uitgestrekte koepel. Het ongemak van de edelen was hier het duidelijkst voelbaar; de meesten bestudeerden hun voeten als pruilende kinderen en anderen staarden naar alles en nog wat behalve hen. Hier werd Callandor bewaard voordat Rhand het zwaard genomen had. Hier, onder deze koepel, was het meer dan drieduizend jaar onberoerd gebleven; geen enkele hand had het kunnen aanraken, behalve de hand van de Herrezen Draak. Tyreners hielden er niet van te moeten toegeven dat het Hart van de Steen bestond.

‘Arme vrouw,’ mompelde Egwene.

Moiraine volgde de blik van het meisje. Hoogvrouwe Alteima, reeds gekleed in wit kant en gekapt als een Tyreense weduwe, hoewel haar echtgenoot nog steeds kwijnde, was misschien de kalmste van alle edellieden. Met haar grote, bruine ogen en lang, zwart haar tot ruim over de schouders was ze een slanke, lieflijke vrouw, een indruk die door haar kleine, droevige glimlach werd versterkt. Een lange vrouw, hoewel Moiraine toegaf dat ze de neiging had dit af te meten aan haar eigen lengte. En nogal rondborstig. Cairhienin waren geen grote mensen, en zelfs onder hen werd zijzelf als klein beschouwd. ‘Ja, een arme vrouw,’ zei Moiraine, maar ze doelde niet op medeleven. Het was goed te merken dat Egwene nog niet zover gevorderd was dat ze al door uiterlijke schijn heen kon kijken. Het meisje was voor haar leeftijd reeds veel minder kneedbaar dan ze geweest zou moeten zijn. Ze moest gevormd worden voor het niet meer te veranderen viel. Thom had ongelijk gehad over Alteima. Of misschien had hij het niet willen zien; hij scheen een vreemd soort tegenzin te hebben om vrouwen hard aan te pakken. Hoogvrouwe Alteima was veel gevaarlijker dan haar echtgenoot of haar minnaar, die ze allebei naar haar hand had gezet zonder dat ze het wisten. Misschien gevaarlijker dan iedere andere man of vrouw in Tyr. Ze zou spoedig genoeg iemand anders vinden om te gebruiken. Het was Alteima’s gewoonte op de achtergrond te blijven en aan de touwtjes te trekken. Er moest iets aan haar gedaan worden.