Выбрать главу

Moiraines blik gleed langs de rijen hoogheren en hoogvrouwen, tot ze Estanda vond, gekleed in brokaatgele zijde met een grote ivoorkleurige kanten kraag en een klein bijpassend kapje. De schoonheid van haar gezicht werd ietwat ontsierd door een zekere strengheid, en de blikken die ze Alteima van tijd tot tijd toewierp, waren steenhard. De gevoelens tussen deze twee gingen veel verder dan de gewone wedijver; als het mannen waren geweest, had de een waarschijnlijk jaren geleden het bloed van de ander bij een tweegevecht laten vloeien. Als die vijandschap vergroot kon worden, zou Alteima het te druk krijgen om het Rhand moeilijk te maken.

Even betreurde ze het dat ze Thom had weggestuurd. Ze hield er niet van haar tijd te verdoen aan dit soort onbeduidende zaken. Maar hij had te veel invloed op Rhand; de jongen moest van haar raadgevingen afhankelijk worden. Van haar alleen. Het Licht wist hoe moeilijk hij al was zonder invloed van buitenaf. Thom had de jongen bepraat om over Tyr te heersen, terwijl hij bestemd was voor grotere dingen. Maar dat was nu geregeld. Het probleem van Thom in het gareel krijgen kon later aangepakt worden. Rhand was nu het probleem. Wat wilde hij gaan aankondigen?

‘Waar is hij? Het lijkt dat hij de eerste regel van het koningschap al geleerd heeft. Mensen laten wachten.’

Ze besefte niet dat ze hardop had gesproken tot ze Egwenes geschrokken gezicht zag. Ze onderdrukte meteen haar eigen geprikkeldheid. Rhand zou uiteindelijk verschijnen en ze zou horen wat hij van plan was. Het tegelijk met de anderen te weten komen. Ze moest bijna knarsetanden. Die blinde dwaas, die halsoverkop door de nacht vloog zonder zich om de rotshoogten te bekommeren, zonder er ooit aan te denken dat hij de wereld in zijn val kon meeslepen. Als ze hem maar kon weerhouden van halsoverkop zijn dorp te gaan redden. Hij zou dat zeker willen, maar hij kon het zich nu niet veroorloven. Misschien had hij het niet gehoord; het was te hopen. Mart stond tegenover hen. Hij was ongekamd en stond ineengezakt, met de handen in de zakken van zijn hoog gekraagde groene jas. Zoals gewoonlijk was die halfopen, en zijn laarzen waren vuil, in scherpe tegenstelling met de nuffige sierlijkheid om hem heen. Hij verschoof zenuwachtig toen hij haar zag kijken en keek haar toen met een grove, uitdagende grijns aan. Hij was tenminste hier, onder haar ogen. Mart Cauton was een vermoeiende jongeman om in de gaten te houden; hij ontweek haar verspieders met gemak. Hij liet nooit blijken dat hij wist dat ze er waren, maar haar ogen-en-oren berichtten haar dat hij uit het gezicht leek te verdwijnen zodra ze dichtbij kwamen. ‘Ik denk dat hij in zijn jas slaapt,’ zei Egwene afkeurend. ‘Met opzet. Ik vraag me af waar Perijn is.’ Ze ging op haar tenen staan en probeerde over de hoofden van de menigte te kijken. ‘Ik zie hem niet.’ Gramstorig zocht Moiraine de menigte af, hoewel ze niet veel verder kon zien dan de eerste rij. Lan zou terug kunnen zijn, tussen de zuilen. Maar ze ging zich niet uitrekken of op en neer springen als een of ander opgewonden kind. Lan had een hartig gesprek te goed, dat hij niet licht zou vergeten als hij in haar handen viel. Met Nynaeve die hem de ene kant op trok en de ta’veren – in ieder geval Rhand – die hem de andere kant op trok, vroeg ze zich soms af of hun sterke binding het wel zou houden. Ditmaal kwam dat met Rhand haar wel goed van pas; het schonk haar een andere draad naar de jongeman. ‘Misschien is hij bij Faile,’ zei Egwene. ‘Hij is vast niet weggelopen, Moiraine. Perijn heeft een sterk plichtsgevoel.’

Bijna zo sterk als dat van een zwaardhand, wist Moiraine, wat de reden was waarom ze haar verspieders niet op hem had afgestuurd zoals ze met Mart had geprobeerd. ‘Faile heeft hem bepraat om te vertrekken, meisje.’ Hij was waarschijnlijk bij haar; dat was hij meestal. ‘Kijk niet zo verbaasd. Ze praten – of twisten – vaak samen op plaatsen waar ze gehoord kunnen worden.’

‘Ik ben niet verbaasd, weet je,’ zei Egwene droog, ‘behalve dat Faile hem uit zijn hoofd wil praten wat hij weet dat hij doen moet.’

‘Misschien gelooft ze er niet zo erg in als hij.’ Moiraine had het eerst zelf ook niet geloofd, niet gezien. Drie ta’veren, allemaal van dezelfde leeftijd, uit één dorp; ze moest blind zijn geweest om niet te beseffen dat ze met elkaar verbonden waren. Met dat gegeven was alles veel ingewikkelder geworden. Alsof ze geblinddoekt met drie gekleurde ballen van Thom in één hand probeerde te jongleren. Ze had het Thom zien doen, maar ze zou het niet willen. Er was geen aanwijzing hoe ze verbonden waren of wat ze verondersteld werden te doen; de Voorspellingen hadden het nimmer over gezellen gehad, ik mag haar,’ zei Egwene. ‘Ze is goed voor hem, juist wat hij nodig heeft. En ze geeft heel veel om hem.’

‘Dat neem ik aan.’ Als Faile te veel moeilijkheden zou veroorzaken, zou Moiraine eens een paar woorden met haar moeten wisselen, over Failes geheimen voor Perijn bijvoorbeeld. Of het een van haar verspieders moeten laten doen. Dat zou haar intomen. ‘Je zegt het alsof je het niet gelooft. Ze houden van elkaar, Moiraine. Kun je dat niet zien? Kun je niet eens een menselijk gevoel herkennen als je het ziet?’

Moiraine gaf haar een strenge blik, eentje die haar op een bevredigende manier op haar plaats zette. Het meisje wist zo weinig en dacht dat ze zoveel wist. Moiraine stond op het punt het haar op een gepaste scherpe manier te vertellen toen er een verschrikte, zelfs angstige zucht opsteeg van de Tyreners.

De menigte maakte haastig en maar al te graag ruimte. De mensen vooraan duwden de anderen achteruit en maakten een breed pad tot aan de ruimte onder de koepel. Door dat pad schreed Rhand. Hij keek recht voor zich uit en was gekleed in een rode jas met goudborduursel op de mouwen. Hij liet Callandor als een scepter in zijn rechterarm rusten. Maar hij was niet de enige voor wie de Tyreners ruim baan maakten. Achter hem volgden misschien een honderdtal Aiel met hun speren en bogen in hun handen en de sjoefa’s om hun hoofd gewonden, net als de zwarte sluiers, die allesbehalve hun ogen verborgen. Moiraine meende vooraan Rhuarc te herkennen, vlak achter Rhand, maar alleen door zijn manier van lopen. Ze waren naamloos. Gereed om te doden. Het was duidelijk dat Rhand, wat hij ook wilde zeggen, van plan was iedere tegenstand de kop in te drukken voordat die de kans kreeg om te groeien.

De Aiel stonden stil, maar Rhand liep door tot hij in het midden onder de koepel stond, en liet toen zijn ogen over de menigte gaan. Hij leek verrast, misschien wel geschokt, toen hij Egwene ontwaarde, maar hij gaf Moiraine een woest makende glimlach, en eentje aan Mart, die hen beiden op kwajongens deed lijken toen Mart hetzelfde deed. De gezichten van de Tyreners waren krijtwit en ze wisten niet of ze naar Rhand en Callandor moesten staren of naar de gesluierde Aiel. Het kon allebei de dood in hun midden betekenen.

‘Hoogheer Sunamon,’ zei Rhand plotseling en luid, waardoor de gezette man opsprong, ‘heeft mij toegezegd dat een verdrag met Mayene gesloten zal worden, een verdrag dat de regels die ik hem heb gegeven, strikt volgt. Hij heeft mij dat verzekerd met zijn leven.’ Hij lachte alsof hij een grap had gemaakt, en de meeste edelen lachten met hem mee. Maar niet Sunamon, die er duidelijk ziek uitzag. ‘Als hij faalt,’ verkondigde Rhand, ‘heeft hij erin toegestemd gehangen te worden, en aan zijn wens zal voldaan worden.’ Het gelach hield op. Sunamons gezicht werd ziekelijk groen. Egwene keek Moiraine bezorgd aan; ze hield haar rok met beide handen stevig vast. Moiraine wachtte gewoon af; hij had niet iedere edelman binnen tien span hierheen geroepen om hun over een verdrag te vertellen of een dikke dwaas te bedreigen. Ze dwong haar handen de rok los te laten. Rhand draaide langzaam rond en nam de gezichten op. ‘Vanwege dit verdrag zullen er spoedig schepen beschikbaar zijn om Tyreens graan naar het westen te voeren, om nieuwe markten te vinden.’ Er klonk hier en daar wat waarderend gemompel, dat snel werd gesust. ‘Maar er is meer. De legers van Tyr gaan op mars.’

Een gejuich steeg op, een stormachtig geschreeuw dat van de zolderingen weerkaatste. Mensen huppelden op en neer, zelfs de hoogheren, en schudden hun vuisten boven hun hoofden en wierpen hun fluwelen hoeden op. De vrouwen glimlachten al even verheugd als de mannen, plantten kussen op de wangen van degenen die ten oorlog zouden trekken en snoven fijngevoelig aan hun kleine porseleinen flesjes met reuk-zout, dat iedere Tyreense edelvrouwe bezat, waarbij ze deden of ze flauwvielen bij het horen van het nieuws, Illian zal vallen!’ schreeuwde iemand, en honderden stemmen herhaalden het donderend: Illian zal vallen! Illian zal vallen! Illian zal vallen!’