Moiraine zag Egwenes lippen bewegen; haar woorden werden verpletterd onder het gejuich. Maar ze kon ze aflezen. ‘Nee, Rhand. Alsjeblieft, nee. Doe het niet, alsjeblieft.’ Aan Rhands andere kant keek Mart stuurs in een afkeurend zwijgen. Egwene en Mart en zijzelf waren de enigen die niet juichten, behalve de altijd waakzame Aiel en Rhand zelf. Rhands glimlach stond minachtend en bereikte nooit zijn ogen. Zijn gezicht glinsterde van het zweet. Ze kruiste zijn spottende blik en wachtte. Er zou meer zijn, en ze was bang dat het haar niet zou bevallen.
Rhand hief zijn linkerhand op. Langzaam kwam de stilte terug; zij die vooraan stonden, sisten de mensen achter tot stilte. Hij wachtte tot het doodstil geworden was. ‘Het leger trekt op naar het noorden, naar Cairhien. Hoogheer Meilan zal het leiden, en onder hem zullen de hoogheren Gueyam, Aracome, Hearne, Maracon en Simaan het bevel voeren. De legers zullen gul betaald worden door hoogheer Torean, de meest welgestelde onder u, die het leger zal vergezellen om erop toe te zien dat zijn gelden goed besteed worden.’
Zijn aankondiging werd in doodse stilte ontvangen. Niemand bewoog, hoewel Torean moeite leek te hebben om op zijn benen te blijven staan. Moiraine moest in gedachten Rhand een buiging geven. Het wegsturen van dit zevental uit Tyr haalde de zeven gevaarlijkste samenzweerders onderuit, en geen van deze zeven vertrouwde de anderen voldoende om onder elkaar te gaan konkelen. Thom Merrilin had hem goede raad gegeven; klaarblijkelijk hadden haar verspieders enkele briefjes gemist die hij in Rhands zakken had laten glijden. Maar de rest? Het was krankzinnig. Hij had dit aan de andere kant van de ter’angreaal nooit als antwoord kunnen krijgen. Dat was toch niet mogelijk!
Meilan was het klaarblijkelijk met haar eens, zij het niet om dezelfde redenen. Het was een magere, harde man, maar nu zo bang dat het wit van zijn ogen helemaal te zien was. Aarzelend deed hij een stap naar voren. ‘Heer Draak...’ Hij hield op, slikte en begon opnieuw, maar zijn stem was niet veel sterker. ‘Heer Draak, in een burgeroorlog tussenbeide komen is als in een moeras stappen. Er strijden minstens tien groepen om de Zonnetroon, in evenveel bondgenootschappen die dagelijks wisselen. Daarenboven plagen schurken Cairhien als vlooien op een everzwijn. Hongerige boeren hebben het land kaal geplukt. Ik heb uit betrouwbare bron dat ze schors en bladeren eten. Heer Draak, een “moeras” beschrijft nauwelijks...’
Rhand sneed hem af. ‘U wilt niet dat Tyrs invloed helemaal tot aan Therins Dolk reikt, Meilan? Het is goed zo. Ik weet wie ik op de Zonnetroon wil plaatsen. U hoeft niet te gaan om te veroveren, Meilan, maar om de orde en vrede te herstellen. En de hongerigen te voeden. Er is nu meer graan in de opslagschuren dan Tyr zou kunnen verkopen, en de boeren zullen dit jaar nog eens zoveel oogsten, tenzij u me niet gehoorzaamt. Wagens zullen het graan naar het noorden voeren, achter de legers, en die bóeren... die bóeren zullen niet langer boombast hoeven eten, héér Meilan.’ De hoogheer deed zijn mond weer open en Rhand zwaaide Callandor naar beneden; de kristallen punt gleed over de vloer. ‘U hebt een vraag, heer Meilan?’ Deze schudde zijn hoofd en liep achteruit de menigte in, alsof hij zich wilde verbergen. ‘Ik wist wel dat hij geen oorlog zou beginnen,’ zei Egwene fel. ‘Ik wist het.’
‘Je denkt dat er zo minder doden zullen vallen?’ mopperde Moiraine. Wat voerde die jongen in zijn schild? Hij ging er tenminste niet vandoor om zijn dorp te redden, terwijl de Verzakers de rest van de wereld zouden aanpakken. ‘De lichamen zullen net zo hoog opgestapeld worden, kind. Je zult het verschil tussen dit en een oorlog niet kunnen zien.’
Een aanval op Illian en Sammael zou hem tijdwinst hebben gegeven, zelfs al zou het tot een impasse leiden. Tijd om zijn krachten te beproeven, en misschien een van zijn sterkste vijanden te overwinnen zodat hij de rest angst aan zou jagen. Wat wilde hij hiermee bereiken? Vrede voor haar vaderland, voedsel voor de hongerige Cairhienin; op een ander tijdstip zou ze het hebben toegejuicht. Het was bewonderenswaardig menslievend... en nu totaal zinloos. Zinloos bloedvergieten in plaats van een vijand tegemoet te treden die hem, als het maar even kon, zou vernietigen. Waarom? Lanfir. Wat had Lanfir tegen hem gezegd? Wat had ze gedaan? De mogelijkheden deden Moiraines hart verkillen. Rhand zou meer dan ooit in de gaten gehouden moeten worden. Ze zou het nooit toestaan dat hij onder de Schaduw kwam. ‘Ach ja,’ zei Rhand, alsof hij zich plotseling iets herinnerde. ‘Soldaten weten niet veel over het voeden van hongerige mensen, niet? Daarvoor is, denk ik, het hart van een vrouw nodig. Vrouwe Alteima, het spijt me u dit te moeten vragen, maar zou u ondanks uw droefheid de taak op u willen nemen om toe te zien op de verdeling van het voedsel? U zult een heel land hebben om te voeden.’
En macht te verwerven, dacht Moiraine. Dit was zijn eerste uitglijder. Afgezien natuurlijk van de keuze voor Cairhien in plaats van Illian. Alteima zou zeker op gelijke voet met Meilan of Gueyam naar Tyr terugkeren, voorbereid op verdere samenzweringen. Ze zou eerst Rhand laten ombrengen, als hij niet voorzichtig was. Misschien kon er een ongeval in Cairhien geregeld worden.
Alteima maakte een dankbare révérence, waarbij ze haar rokken spreidde. Er was slechts iets van verrassing zichtbaar. ‘Zoals mijn Heer Draak beveelt, zo zal ik gehoorzamen. Het zal me hooglijk verheugen om mijn Heer Draak te dienen.’
‘Daar was ik zeker van,’ zei Rhand droog. ‘Hoezeer u ook van uw echtgenoot houdt, u zult hem niet bij u in Cairhien willen hebben. Voor een zieke man zullen de omstandigheden hard zijn. Ik heb de vrijheid genomen hem naar de vertrekken van Hoogvrouwe Estanda over te laten brengen. Zij zal hem verzorgen, terwijl u weg bent, en hem naar u in Cairhien toesturen zodra hij beter is.’ Estanda glimlachte, een dunne, zegevierende glimlach. Alteima’s ogen schoten omhoog en ze stortte in elkaar.
Moiraine schudde licht haar hoofd. Hij was écht harder geworden. Gevaarlijker. Egwene wilde naar de gevallen vrouw toe lopen, maar Moiraine legde een hand op haar arm. ‘Ik denk dat ze bevangen is door haar gevoelens. Ik kan dat herkennen, zie je. De vrouwen zorgen voor haar.’ Een paar hadden zich om haar heen verzameld, klopten op Alteima’s polsen en hielden reukzout onder haar neus. Ze kuchte, opende haar ogen en leek opnieuw flauw te vallen toen ze Estanda ontwaarde, die over haar heen gebogen stond.
‘Ik geloof dat Rhand iets heel slims heeft uitgehaald,’ zei Egwene op vlakke toon. ‘En heel wreed. Hij zou zich moeten schamen.’ Rhand leek dat inderdaad te doen. Zijn gezicht vertoonde een grimas, terwijl hij naar de vloertegels onderzijn laarzen staarde. Misschien was hij niet zo hardvochtig als hij probeerde te zijn. ‘Maar niet onverdiend,’ zei Moiraine. Het meisje toonde belofte; ze leerde van wat ze niet begreep. Maar ze moest nog steeds haar gevoelens in bedwang leren houden, moest nog onderscheid leren maken tussen wat gedaan moest worden en wat zij wenste dat gedaan kon worden. ‘Laten we hopen dat hij voor vandaag klaar is met slim te zijn.’
Er waren slechts een paar mensen in de grote zaal die begrepen wat er gebeurd was. Ze zagen alleen dat Alteima’s flauwte de Drakenheer had doen schrikken. Een paar achteraan begonnen te roepen: ‘Cairhien zal vallen!’ maar de kreet werd niet overgenomen.
‘Heer Draak, met u om ons te leiden zullen we de wereld veroveren!’ riep een jongeman met een bultig gezicht, die Torean min of meer ondersteunde. Het was Estean, Toreans oudste zoon; de gelijkenis was duidelijk, hoewel de vader nog steeds in zichzelf stond te brabbelen. Met een ruk hief Rhand zijn hand op. Hij leek verbaasd. Of misschien boos. ik zal niet bij u zijn. Ik zal... een tijd weggaan.’ Weer werd het doodstil. Elk oog was op hem gericht, maar hij keek alleen aandachtig naar Callandor. De menigte kromp ineen toen hij de kristallen kling voor zijn gezicht bracht. Er rolde zweet over zijn gezicht, veel meer dan tevoren. ‘De Steen hield Callandor voor ik kwam. De Steen zal hem bewaren tot ik terugkeer.’