Het was veel veiliger om de legers op vijandig terrein te laten. Rhand vond het verschrikkelijk dat hij zo dacht, maar dat was een van de belangrijkste verschillen tussen de man die hij was geweest en de man die hij was geworden. Slechts één van die mannen kon doen wat er nodig was, hoe erg hij het ook vond. ‘Narishma,’ riep Rhand. ‘Poort.’
Hij hoefde zich niet om te draaien om te voelen dat Narishma de Ene Kracht greep en begon te weven. Het was een prikkelend gevoel voor Rhand, verlokkelijk, maar hij verzette zich ertegen. Het werd voor hem steeds moeilijker om de Kracht te grijpen zonder over te geven, en hij was niet van plan dat te doen in het bijzijn van Ituralde.
‘Tegen het eind van de week krijg je honderd Asha’man,’ zei Rhand tegen Ituralde. ‘Ik vermoed dat je die goed zult kunnen gebruiken.’
‘Ja, die zullen goed van pas komen.’
‘Ik wil dagelijks verslag, zelfs als er niets gebeurt,’ zei Rhand. ‘Stuur de boodschappers door een Poort. Ik breek over vier dagen het kamp op en trek dan verder naar Bandar Eban.’
Bashere gromde; dit was de eerste keer dat Rhand iets over een verhuizing had gezegd. Rhand wendde zijn paard naar de grote, open Poort achter hen. Enkele Speervrouwen waren er al doorheen gegaan, als eerste, zoals altijd. Narishma stond aan de zijkant, met zijn haar in twee donkere vlechten met klokjes. Hij was ook een Grenslander geweest voordat hij Asha’man werd. Te veel vertroebelde banden van trouw. Wat zou er op de eerste plaats komen voor Narishma? Zijn vaderland? Rhand? De Aes Sedai van wie hij zwaardhand was? Rhand was er vrij zeker van dat de man trouw was; hij was een van degenen die naar hem toe was gekomen bij Dumais Bron. Maar de gevaarlijkste vijanden waren degenen van wie je dacht dat je ze kon vertrouwen.
Ze zijn geen van allen te vertrouwen! zei Lews Therin. We hadden ze nooit zo dicht bij ons moeten laten. Ze zullen zich tegen ons keren!
De waanzinnige had altijd moeite met andere mannen die konden geleiden.
Rhand dreef Tai’daishar naar voren en negeerde het gebazel van Lews Therin, hoewel het horen van die stem hem wel terugvoerde naar die nacht. De nacht dat hij had gedroomd over Moridin en er geen Lews Therin in zijn geest had gezeten. Rhands maag verkrampte bij de wetenschap dat zijn dromen niet langer veilig waren. Hij was erop gaan rekenen als een toevluchtsoord. Nachtmerries konden hem overvallen, dat wel, maar het waren zijn eigen nachtmerries. Waarom was Moridin Rhand komen helpen in Shadar Logoth, tijdens de strijd tegen Sammael? Wat voor verwrongen webben weefde hij? Hij had beweerd dat Rhand zijn droom was binnengedrongen, maar was dat gewoon weer een leugen?
Ik moet ze vernietigen, dacht hij. Alle Verzakers, en deze keer voorgoed. Ik moet hard zijn.
Alleen wilde Min niet dat hij hard was. Hij wilde juist haar geen angst aanjagen. Er waren geen spelletjes bij Min; ze noemde hem misschien een dwaas, maar ze loog niet, en daarom wilde hij de man zijn die zij wenste dat hij was. Maar durfde hij dat? Kon een man die lachte ook een man zijn met voldoende moed om onder ogen te zien wat er in Shayol Ghul moest gebeuren?
Om te leven, moet je sterven, het antwoord op één van zijn drie vragen. Als hij slaagde, zou zijn herinnering – zijn nalatenschap – doorleven na zijn dood. Het was niet erg geruststellend. Hij wilde niet sterven. Wie wel? De Aiel beweerden dat ze niet op de dood uit waren, maar dat ze die wel zouden omarmen als hij kwam. Hij ging de Poort door en keerde terug naar het landhuis in Arad Doman, met de kring van dennenbomen rondom het vertrapte bruine terrein en de lange rijen tenten. Je moest een hard man zijn om je dood tegemoet te gaan, te vechten tegen de Duistere terwijl je bloed op de rotsen werd vergoten. Wie kon daar nu bij lachen? Hij schudde zijn hoofd. Lews Therin in zijn geest hebben hielp niet bepaald.
Ze heeft gelijk, zei Lews Therin ineens. Ze? vroeg Rhand.
Die knappe. Met dat korte haar. Ze zegt dat we de zegels moeten verbreken. Ze heeft gelijk.
Rhand verstijfde en hield Tai’daishar in, waarbij hij de verzorger negeerde die was aangekomen om het paard over te nemen. Lews Therin die het ergens mee eens was... En wat doen we daarna? vroeg Rhand. Dan sterven we. Je had beloofd dat we mochten sterven! Alleen als we de Duistere verslaan, zei Rhand. Je weet dat als hij wint, er niets meer voor ons is. Zelfs niet de dood. Ja... niets, zei Lews Therin. Dat zou fijn zijn. Geen pijn, geen spijt. Niets.
Rhand verkilde. Als Lews Therin zo begon te denken... Nee, zei Rhand, dan is er zelfs geen niets meer. Dan heeft hij onze ziel. De pijn zou erger worden, veel erger. Lews Therin begon te huilen.
Lews Therin! snauwde Rhand in zijn hoofd. Wat moeten we doen? Hoe heb je de vorige keer de Bres verzegeld?
Het lukte niet, fluisterde Lews Therin. We gebruikten saidin, maar de Duistere raakte het aan. Het was de enige manier! Iets moest hem aanraken, iets om de kloof te dichten, maar hij wist het te bezoedelen. Het zegel was zwak!
Ja, maar wat moeten wij dan anders aanpakken? dacht Rhand. Stilte. Rhand bleef nog even zitten, toen gleed hij van Tai’daishar af en liet de zenuwachtige verzorger het paard wegleiden. De rest van de Speervrouwen kwam door de grote Poort, met Bashere en Narishma achteraan. Rhand wachtte niet op hen, hoewel hij Deira Bashere – Davram Basheres vrouw – aan de rand van het Reisterrein zag staan. De lange, statige vrouw had donker haar met strepen grijs bij de slapen. Ze keek Rhand schattend aan. Wat zou ze doen als Bashere sneuvelde in dienst van Rhand? Zou ze hem blijven volgen, of zou ze de soldaten wegvoeren, terug naar Saldea? Ze had een even sterke wil als haar echtgenoot. Misschien nog wel sterker. Rhand liep met een knik en een glimlach langs en ging vervolgens door het kamp naar het landhuis. Dus Lews Therin wist niet hoe hij de kerker van de Duistere moest verzegelen. Wat had hij dan aan die stem? Het Licht brande hem; Lews was een van Rhands weinige strohalmen!
De meeste mensen hier waren zo verstandig om aan de kant te gaan wanneer ze hem zo over het terrein zagen benen. Rhand kon zich nog een tijd herinneren waarin hij dergelijke buien nooit had, toen hij nog een eenvoudige schaapherder was. Rhand de Herrezen Draak was een heel andere man. Hij was een man met verantwoordelijkheden en plichten. Hij moest wel.
Plicht. De plicht was net een berg. Nou, Rhand had het gevoel dat hij vastzat tussen een stuk of tien verschillende bergen, die allemaal naderden om hem te vernietigen. Tussen die krachten leken zijn gevoelens onder druk aan de kook te raken. Was het dan een wonder als ze naar buiten barstten?
Hij schudde zijn hoofd toen hij het landhuis naderde. Ten oosten lagen de Mistbergen. De zon ging bijna onder, en de bergen baadden in een rood licht. Daarachter, zuidwaarts, zo merkwaardig dichtbij, lagen Emondsveld en Tweewater. Een thuis dat hij nooit meer zou terugzien, want een bezoek zou zijn vijanden alleen maar wijzen op zijn genegenheid ervoor. Hij had erg zijn best gedaan om hun te laten denken dat hij een man zonder genegenheid was. Af en toe vreesde hij dat zijn misleiding werkelijkheid was geworden. Bergen. Bergen van plicht. De plicht van de eenzaamheid in dit geval, want ergens ten zuiden van die te dichtbij liggende bergen, was zijn vader. Tam.