Выбрать главу

Rhand had hem al zo lang niet meer gezien. Tam was zijn vader, had Rhand besloten. Hij had zijn echte vader nooit gekend, het stamhoofd van de Aiel genaamd Janduin, en hoewel dat kennelijk een man van eer was geweest, had Rhand niet de wens hem vader te noemen.

Soms verlangde Rhand naar Tams stem, naar zijn wijsheid. Dat waren de tijden wanneer Rhand wist dat hij het hardst moest zijn, want een ogenblik van zwakte – een ogenblik waarin hij naar zijn vader rende voor hulp – zou alles verwoesten waar hij voor had gewerkt. En het zou waarschijnlijk ook het einde van Tams leven betekenen. Rhand ging het landhuis binnen door het verbrande gat in de voorgevel, waarbij hij de dikke lap canvas opzij duwde die nu de ingang vormde, en keerde de Mistbergen de rug toe. Hij was alleen. Hij moest alleen zijn. Als hij op iemand bouwde, liep hij het gevaar zwak te zijn wanneer hij in Shayol Ghul aankwam. Bij de Laatste Slag zou hij op niemand anders dan zichzelf kunnen rekenen.

Plicht. Hoeveel bergen moest één man dragen? Het stonk nog steeds naar rook in het landhuis. Heer Tellaen had aarzelend – maar hardnekkig – over de brand geklaagd, totdat Rhand had bevolen de man te vergoeden, hoewel die bel van kwaad niet Rhands schuld was geweest. Of toch wel? Zijn ta’veren-aard veroorzaakte vele vreemde verschijnselen, van mensen die dingen zeiden die ze doorgaans niet zouden zeggen tot de trouw van degenen die aan hem hadden getwijfeld. Hij was een richtpunt voor problemen, inclusief bellen van kwaad. Hij had er niet voor gekozen dat richtpunt te zijn, maar hij had wel zelf besloten in het landhuis te verblijven. Hoe dan ook, Tellaen had een schadevergoeding gekregen. Het was een schijntje vergeleken met wat Rhand aan zijn legers besteedde, en zelfs dat was weinig als je het afzette tegen het geld dat hij had toegewezen voor voedsel voor Arad Doman en andere onrustige gebieden. Met dit tempo, zo waren zijn klerken bezorgd, zou hij weldra zijn fondsen in Illian, Tyr en Cairhien uitputten. Rhand had niet tegen hen gezegd dat hem dat niet kon schelen. Hij zou de wereld naar de Laatste Slag helpen. En is dat dan je enige nalatenschap? fluisterde een stem achter in zijn geest. Niet Lews Therin, maar zijn eigen gedachte, een klein stemmetje, het deel van hem dat hem ertoe had bewogen scholen op te richten in Cairhien en Andor. Wil je leven na je dood? Zul je al die mensen die je volgen overlaten aan oorlog, hongersnood en chaos? Is dat dan hoe je doorleeft, in de vernietiging? Rhand schudde zijn hoofd. Hij kon niet alles oplossen! Hij was maar één man. Voorbij de Laatste Slag kijken was dom. Hij kon zich geen zorgen maken over de wereld erna; dat kon hij gewoon niet. Dan zou hij zijn blik van het doel moeten afwenden. En wat is het doel? leek dat stemmetje te vragen. Is het overleven, of is het gedijen? Zul jij de basis leggen voor een volgend Breken, of voor een volgende Eeuw der Legenden?

Hij had geen antwoorden. Lews Therin roerde zich een beetje, babbelde onsamenhangend.

Rhand beklom de trap naar de bovenverdieping van het landhuis. Licht, hij was moe.

Wat had de waanzinnige ook alweer gezegd? Toen hij de Bres in de kerker van de Duistere had verzegeld, had hij saidin gebruikt. Dat was omdat zoveel van de Aes Sedai in die tijd zich tegen hem hadden gekeerd en hij alleen nog de Honderd Gezellen had gehad; de machtigste mannelijke Aes Sedai van zijn tijd. Geen vrouwen. De vrouwelijke Aes Sedai hadden zijn voornemen te gevaarlijk gevonden.

Merkwaardig genoeg had Rhand het gevoel dat hij zich die gebeurtenissen bijna kon herinneren. Niet wat er feitelijk was gebeurd, maar de woede, de wanhoop, de beslissing. Was de fout dan geweest dat naast de mannelijke helft van de Kracht niet ook de vrouwelijke was gebruikt?

Was dat wat de Duistere de mogelijkheid had geboden een tegenaanval te doen en saidin te bezoedelen, waardoor Lews Therin en de nog levende mannen van de Honderd Gezellen waanzinnig waren geworden?

Kon het zo eenvoudig zijn? Hoeveel Aes Sedai zou hij nodig hebben? Had hij hen wel nodig? Er waren meer dan genoeg Wijzen die konden geleiden. Maar er moest toch meer aan vastzitten? Er bestond een spel voor kinderen, slangen-en-vossen. Men zei dat je het alleen kon winnen door de regels te overtreden. En zijn andere plan dan? Kon hij de regels overtreden door de Duistere te doden? Was dat iets wat zelfs hij, de Herrezen Draak, durfde te overwegen? Hij liep over de krakende houten vloer van de gang en duwde de deur naar zijn kamer open. Min lag tegen de kussens op het balken-bed, met haar geborduurde groene broek en een linnen hemd aan, en ze bladerde weer eens door een boek bij het licht van een lamp. Een oudere bediende was er bezig de borden van Mins avondmaal weg te halen. Rhand deed zijn jas uit, zuchtte en strekte zijn vingers. Hij ging op de rand van het bed zitten terwijl Min haar boek opzij legde, dat de lange titel Een uitvoerige bespreking van relikwieën van voor het Breken droeg. Ze ging overeind zitten en wreef met haar hand over zijn nek. Kommen rinkelden terwijl de bediende ze oppakte, en ze maakte een verontschuldigende buiging en werkte sneller door om alles in haar draagmand te zetten. ‘Je vergt weer te veel van jezelf, schaapherder,’ zei Min. ‘Ik moet wel.’

Ze kneep hard in zijn nek, en hij gromde en deinsde achteruit. ‘Nee, dat moet niet,’ zei ze, met haar lippen vlak bij zijn oor. ‘Heb je niet naar me geluisterd? Wat hebben we aan je als je jezelf uitput voordat de Laatste Slag aanbreekt? Licht, Rhand, ik heb je al maanden niet horen lachen!’

‘Is dit dan een tijd om te lachen?’ vroeg hij. ‘Wil je dat ik blij ben, terwijl kinderen verhongeren en mannen elkaar afslachten? Moet ik lachen terwijl ik hoor dat er nog steeds Trolloks door de saidinwegen komen? Moet ik vrolijk zijn omdat de meeste Verzakers nog steeds ergens daarbuiten zijn en nadenken over hoe ze mij het beste kunnen vermoorden?’

‘Nou, nee,’ zei Min. ‘Natuurlijk niet. Maar we moeten ons niet de das om laten doen door de problemen in de wereld. Cadsuane zegt dat...’

‘Wacht,’ snauwde hij, en hij draaide naar haar toe. Ze zat op haar knieën op het bed, met haar korte donkere haar krullend onder haar kin. Ze leek geschokt door zijn toon. ‘Wat heeft Cadsuane hiermee te maken?’ vroeg hij. Min fronste haar voorhoofd. ‘Niets.’

‘Zij draagt je op wat je moet zeggen,’ zei Rhand. ‘Ze gebruikt jou om tot mij door te dringen!’

‘Doe niet zo stom,’ zei Min. ‘Wat heeft ze over me gezegd?’

Min haalde haar schouders op. ‘Ze is bezorgd om hoe hard je bent geworden, Rhand. Wat is er toch?’

‘Ze probeert me te raken, me te manipuleren,’ zei hij. ‘Ze gebruikt jou. Wat heb je haar verteld, Min?’

Min kneep hem opnieuw. ‘Die toon bevalt me niet, pummel. Ik dacht dat Cadsuane je raadsvrouw was. Waarom moet ik bij haar oppassen met wat ik zeg?’

De bediende bleef rammelen met schalen. Waarom kon ze niet gewoon vertrekken! Dit was geen gesprek dat hij wilde voeren in het bijzijn van vreemden.

Min werkte toch zeker niet samen met Cadsuane? Rhand vertrouwde Cadsuane helemaal niet. Als ze Min voor zich had gewonnen... Rhand voelde zijn hart verkrampen. Hij was toch niet argwanend ten opzichte van Min? Zij was altijd degene geweest tot wie hij zich kon wenden voor eerlijkheid, iemand die geen spelletjes met hem speelde. Wat zou hij doen als hij haar kwijtraakte? Bloedvuur! dacht hij. Ze heeft gelijk. Ik ben te hard geworden. Wat moet er van me worden als ik wantrouwig word ten opzichte van degenen van wie ik weet dat ze van me houden? Dan ben ik niet beter dan de waanzinnige Lews Therin.

‘Min,’ zei hij, nu met mildere stem. ‘Misschien heb je gelijk. Misschien ben ik te ver gegaan.’

Ze keek hem aan en ontspande zich. Toen verstijfde ze, en haar ogen werden groot van schrik.

Iets kouds klikte om Rhands nek.

Rhand hief onmiddellijk zijn handen naar zijn hals en draaide zich met een ruk om. De bediende stond achter hem, maar haar gestalte trilde. Ze verdween en werd vervangen door een vrouw met een donkere huid en zwarte ogen, haar scherpe gezicht triomfantelijk. Semirhage.