Semirhage keek naar de deur, en toen draaide ze zich naar hem om en glimlachte. ‘Maar ik vrees dat we eerst met haar moeten afrekenen. Vooruit dan maar.’
Rhand draaide zich om en liep naar Min toe. ‘Nee!’ riep hij. ‘Je had beloofd dat als ik zou smeken...’
‘Ik heb niets beloofd,’ zei Semirhage lachend. ‘Je smeekt heel fraai, Lews Therin, maar ik heb besloten je smeekbeden te negeren. Je mag saidin nu wel loslaten. Dit moet wat persoonlijker worden aangepakt.’ Saidin verliet hem, en Rhand voelde spijt bij het wegtrekken van de Kracht. De wereld om hem heen leek matter. Hij stapte naar Min toe, en haar smekende blik ontmoette de zijne. Toen legde hij zijn hand om haar keel, greep die vast en begon te knijpen. ‘Nee...’ fluisterde hij vol afgrijzen toen zijn hand, tegen zijn wil, haar de adem benam. Min struikelde, hij dwong haar willoos tegen de grond en negeerde haar verzet met gemak. Hij torende boven haar uit, drukte zijn hand op haar keel, grijpend en wurgend. Ze keek hem met uitpuilende ogen aan. Dit kan niet waar zijn. Semirhage lachte.
Ilyena! jammerde Lews Therin. O, Licht! Ik heb haar vermoord! Rhand kneep harder, boog zich naar voren om meer gewicht op haar te zetten, zijn vingers knepen in Mins huid en duwden op haar keel. Het leek alsof hij in zijn eigen hart kneep, en de wereld om hem heen werd zwart; alles verduisterde behalve Min. Hij voelde haar hartslag onder zijn vingers.
Die prachtige donkere ogen van haar keken hem aan, hielden van hem zelfs terwijl hij haar vermoordde.
Dit kan niet waar zijn!
Ik heb haar vermoord!
Ik ben waanzinnig!
Ilyena!
Er moest een uitweg zijn! Rhand wilde zijn ogen sluiten, maar dat kon hij niet. Ze stond het hem niet toe; niet Semirhage, maar Min. Ze hield zijn blik vast, met tranen op haar wangen en haar donkere krullen in de war. Zo mooi.
Hij grabbelde naar saidin, maar kon het niet pakken. Met elk beetje wilskracht dat hij bezat probeerde hij zijn vingers te ontspannen, maar ze bleven knijpen.
Hij voelde afgrijzen, hij voelde haar pijn. Mins gezicht werd paars, haar oogleden trilden.
Rhand jammerde, dit kan niet waar zijn! ik doe dit niet nog eens! Binnen in hem knapte iets. Hij kreeg het koud; toen verdween die kou en voelde hij niets meer. Geen gevoel. Geen woede. Op dat ogenblik werd hij zich bewust van een vreemde kracht. Het was net een ketel vol water die kookte en kolkte net buiten zijn gezichtsveld. Hij reikte er met zijn geest naar.
Een troebel gezicht dook voor hem op, waar hij de gelaatstrekken niet goed van kon onderscheiden. Even later was het weer weg. En Rhand voelde dat hij werd vervuld van een uitheemse kracht. Geen saidin, geen saidar, maar iets anders. Iets wat hij nog nooit had gevoeld.
O, Licht, schreeuwde Lews Therin ineens. Dat kan niet! We kunnen het niet gebruiken! Werp het weg! Dat is de dood in onze handen, dood en verraad, HIJ is het.
Rhand sloot zijn ogen terwijl hij over Min heen knielde, en toen geleidde hij die vreemde, onbekende kracht. Energie en levenskracht stroomden door hem heen, een kolkende kracht zoals saidin, maar tien keer zo zoet en honderd keer zo gewelddadig. Het deed hem beseffen dat hij nooit echt had geleefd. Het gaf hem een kracht die hij zich nooit had kunnen indenken. Het kon zelfs wedijveren met de Kracht die hij had vastgehouden toen hij uit de Choedan Kal putte.
Hij schreeuwde van vervoering en woede tegelijk en weefde reusachtige speren van Vuur en Lucht. Hij liet de wevingen tegen zijn halsband beuken, en de band ontplofte in vlammen en stukken gesmolten metaal, elk ervan duidelijk zichtbaar voor Rhand. Hij voelde elke scherf van metaal van zijn nek wegschieten, de lucht vervormen door de hitte ervan en een staart van rook meeslepen toen het een muur of de vloer raakte. Hij opende zijn ogen en liet Min los. Ze hijgde en snikte.
Rhand stond op en draaide zich om, met witheet magma in zijn aderen; zoals toen Semirhage hem had gefolterd, maar dan tegenovergesteld. Hoe pijnlijk dit ook was, het was ook regelrechte extase. Semirhage leek volkomen geschokt. ‘Maar... dat is onmogelijk...’ zei ze. ‘Ik heb niets gevoeld. Je kunt niet...’ Ze keek op en staarde hem met grote ogen aan. ‘De Ware Kracht. Waarom hebt u me verraden, Grote Heer? Waarom?’
Rhand stak zijn hand op en, vervuld van de kracht die hij niet begreep, maakte een enkele weving. Een balk van puurwit licht, een louterend vuur, barstte uit zijn hand en raakte Semirhage tegen de borst. Ze verdween in een flits en liet een vaag nabeeld op Rhands netvliezen achter. Haar armband viel op de vloer. Elza rende naar de deur. Ze verdween in een volgende balk van licht, haar hele gestalte even opgloeiend. Haar armband viel ook op de vloer, en de vrouwen die ze hadden vastgehouden waren geheel uit het Patroon gebrand.
Wat heb je gedaan? vroeg Lews Therin. O, Licht. Je had beter weer kunnen doden dan dit te doen... O, Licht. We zijn gedoemd. Rhand genoot nog even van de kracht en toen liet hij die – met spijt – los. Hij zou het liefst hebben vastgehouden, maar hij was te uitgeput. Hij bleef verdoofd achter toen het verdween. Of... nee. Die verdoving had niets te maken met de kracht die hij had gehanteerd. Hij draaide zich om en keek naar Min, die zachtjes hoestte en over haar hals wreef. Ze keek naar hem op en leek bang. Hij betwijfelde of ze ooit nog zoals vroeger naar hem zou kijken. Hij had het mis gehad; er was inderdaad nog iets anders wat Semirhage hem kon aandoen. Hij had gevoeld hoe hij degene van wie hij zoveel hield vermoordde. Voorheen, toen hij het had gedaan als Lews Therin, was hij buiten zinnen geweest en niet in staat zich te beheersen. Hij kon zich amper herinneren dat hij Ilyena had gedood, alsof het een troebele droom was. Hij besefte pas wat hij had gedaan toen Ishamael hem wekte. Nu wist hij eindelijk precies hoe het voelde om toe te kijken terwijl hij degene van wie hij hield vermoordde. ‘Het is gebeurd,’ fluisterde Rhand. ‘Wat?’ vroeg Min hoestend.
‘Het laatste wat me kon worden aangedaan,’ zei hij, verrast over zijn eigen kalmte. ‘Nu hebben ze me alles afgenomen.’
‘Wat bedoel je, Rhand?’ vroeg Min. Ze wreef weer over haar hals. Er begonnen blauwe plekken op te verschijnen. Hij schudde zijn hoofd terwijl er – eindelijk – stemmen klonken in de gang. Misschien hadden de Asha’man hem voelen geleiden toen hij Min folterde.
‘Ik heb mijn keus gemaakt, Min,’ zei hij, terwijl hij zich omdraaide naar de deur. ‘Je hebt om meegaandheid en lachen van me gevraagd, maar die dingen kan ik niet langer geven. Het spijt me.’ Ooit, weken geleden, had hij besloten dat hij sterker moest worden. Waar hij ijzer was geweest, had hij besloten staal te worden. Het leek erop dat staal te zwak was. Hij zou nu nog harder worden. Hij begreep hoe. Waar hij ooit staal was geweest, werd hij iets anders. Van nu af aan was hij cuendillar.
Hij was een plek binnengegaan zoals de leegte die Tam hem zo lang geleden had geleerd op te zoeken. Maar binnen in die leegte had hij geen gevoelens. Helemaal niets. Ze konden hem niet breken of buigen. Het was gebeurd.
23
Een afwijking in de lucht
‘En hoe zit het met de zusters die haar cel bewaakten?’ vroeg Cadsuane, die naast Merise de houten trap op stommelde. Corele en Nesune leven gelukkig nog, hoewel ze wel ontzettend zwak zijn,’ antwoordde Merise, die haar rokken ophield terwijl ze zich voorthaastte. Narishma volgde hen, en de klokjes in zijn vlechten klingelden zachtjes. ‘Daigian is dood. We weten niet zeker waarom de andere twee in leven zijn gelaten.’
‘Zwaardhanden,’ zei Cadsuane. ‘Als je de Aes Sedai doodt, weten hun zwaardhanden dat meteen, en dan zouden we hebben ontdekt dat er iets niet in orde was.’ De zwaardhanden hadden hoe dan ook moeten merken dat er iets niet klopte. Ze zouden de mannen moeten ondervragen om te achterhalen wat ze hadden gevoeld. Maar waarschijnlijk was er een verband.