Выбрать главу

Daigian had geen levende zwaardhand. Cadsuane voelde een steek van medeleven voor de vriendelijke zuster, maar dat zette ze van zich af. Daar was nu geen tijd voor.

‘De andere twee zijn in een soort droomtoestand gebracht,’ zei Merise. ‘Ik zag geen resten van wevingen, en Narishma ook niet. We vonden de zusters net voordat er alarm werd geslagen, en zodra we er zeker van waren dat Altor nog leefde en er met onze vijanden was afgerekend, zijn we naar jou toe gekomen.’

Cadsuane knikte boos. Juist vanavond was ze op bezoek gegaan bij de Wijzen in hun tenten! Sorilea en een kleine groep Wijzen liepen achter Narishma aan, en Cadsuane durfde haar pas niet te vertragen uit angst dat de Aielvrouwen over haar heen zouden lopen in hun haast om bij Altor te komen.

Ze kwamen boven aan de trap en draafden door de gang naar Altors kamer. Hoe had hij zich alweer in zulke nesten kunnen werken! En hoe had die vervloekte Verzaker zich uit haar cel bevrijd? Iemand moest haar hebben geholpen, maar dat betekende dat er een Duistervriend in hun kamp zat. Het was niet onwaarschijnlijk; als er Duistervrienden in de Witte Toren zaten, dan waren ze hier ongetwijfeld ook te vinden. Maar welke Duistervriend kon drie Aes Sedai overmeesteren? Als er dusdanig krachtig werd geleid, dan had iedere zuster of Asha’man in het kamp dat toch moeten voelen? ‘Was er thee gedronken?’ vroeg Cadsuane zachtjes aan Merise. ‘Niet dat we weten,’ antwoordde de Groene zuster. ‘We zullen meer weten als de andere twee bijkomen. Ze vielen bewusteloos neer zodra we hen uit hun droomtoestand wekten.’

Cadsuane knikte. Altors deur stond open, en Speervrouwen zwermden ervoor als wespen die net hadden ontdekt dat hun nest verdwenen was. Cadsuane kon het zich wel voorstellen. Kennelijk had Altor weinig gezegd over wat er was gebeurd. Dat domme joch had geluk dat hij nog leefde! Wat een door het Licht vervloekte puinhoop, dacht Cadsuane, die langs de Speervrouwen de kamer in liep. Een klein groepje Aes Sedai stond aan de andere kant van de kamer, waar ze zachtjes overlegden. Sarene, Erian, Beldeine, al diegenen in het kamp die niet dood of uitgeschakeld waren. Behalve Elza. Waar was Elza?

De drie knikten naar Cadsuane toen ze binnenkwam, maar ze keurde hun amper een blik waardig. Min zat op het bed, wrijvend over haar hals, met rode ogen, haar korte haar in de war en een bleek gezicht. Altor stond bij het open raam aan de andere kant, uitkijkend in de nacht, met zijn hand om zijn stomp geklemd op zijn rug. Zijn jas lag gekreukeld op de vloer en hij stond daar in witte hemdsmouwen, in een koele wind die naar binnen blies en zijn roodgouden haar in beweging zette.

Cadsuane keek door de kamer; achter haar in de gang begonnen de Wijzen de Speervrouwen te ondervragen. ‘Nou?’ vroeg Cadsuane. ‘Wat is er gebeurd?’

Min keek op. Ze had rode striemen in haar hals, het begin van blauwe plekken. Rhand draaide zich niet om van het raam. Opstandige vlegel, dacht Cadsuane, die verder de kamer in liep. ‘Zeg op, jongen!’ beval ze. ‘We moeten weten of het kamp in gevaar is.’

‘Met het gevaar is afgerekend,’ zei hij zacht. Iets in zijn stem deed haar aarzelen. Ze had woede van hem verwacht, of misschien tevredenheid. In ieder geval vermoeidheid. In plaats daarvan klonk zijn stem koel.

‘Wil je even uitleggen wat dat betekent?’ vroeg Cadsuane. Eindelijk draaide hij zich om en keek haar aan. Ze zette onwillekeurig een stap naar achteren, hoewel ze niet wist waarom. Hij was nog steeds dezelfde, domme jongen. Te lang, met te veel zelfvertrouwen en veel te koppig. Er straalde nu een merkwaardige sereniteit van hem uit, maar die had een donker randje. Net als de serene blik die je in de ogen van een veroordeelde zag voordat hij naar de galg stapte.

‘Narishma,’ zei Rhand, kijkend langs Cadsuane. ‘Ik heb een weving voor je. Kijk goed, want ik laat hem maar één keer zien.’ Daarmee stak Altor zijn hand opzij en schoot er een balk van helwit vuur van zijn vingers naar zijn jas op de vloer. Het kledingstuk verdween in een lichtflits.

Cadsuane siste. ‘Ik had je gezegd dat je die weving nooit moest gebruiken, jongen! Dat doe je nooit meer, hoor je me! Dit is niet...’

‘Dat is de weving die we moeten gebruiken als we tegen Verzakers strijden, Narishma,’ zei Altor, en zijn rustige stem ging dwars door die van Cadsuane heen. ‘Als we ze met iets anders doden, kunnen ze weer tot leven komen. Het is een gevaarlijk middel, maar het blijft gewoon een middel. Net als alle andere.’

‘Het is verboden,’ zei Cadsuane. ‘Ik heb besloten van niet,’ wierp Altor rustig tegen. ‘Je hebt geen flauw benul wat die weving kan doen! Je bent een kind dat speelt met...’

‘Ik heb lotsvuur steden zien verwoesten,’ zei Altor, en zijn ogen werden angstig. ‘Ik heb duizenden mensen uit het Patroon gebrand zien worden door de louterende vlammen ervan. Als je mij een kind noemt, Cadsuane, wat zijn dan diegenen onder jullie die duizenden jaren jonger zijn dan ik?’

Hij ontmoette haar blik. Licht! Wat was er met hem gebeurd? Ze probeerde haar gedachten te ordenen. ‘Dus Semirhage is dood?’

‘Erger dan dood,’ zei Altor. ‘En veel beter af, in veel opzichten, denk ik.’

‘Nou, dan neem ik aan dat we kunnen doorgaan met...’

‘Herken je dat, Cadsuane?’ zei Altor, knikkend naar iets metaligs dat op het bed lag, grotendeels verborgen onder de lakens. Aarzelend liep ze ernaartoe. Sorilea keek haar met een onpeilbaar gezicht aan. Kennelijk wilde ze niet bij het gesprek betrokken worden nu Altor in zo’n bui was. Cadsuane kon daar wel inkomen. Cadsuane trok de lakens weg en onthulde een stel identieke armbanden. Een halsband was er niet. ‘Onmogelijk,’ fluisterde ze.

‘Dat nam ik ook aan,’ zei Altor met die verschrikkelijk rustige stem van hem. ‘Ik hield me voor dat het natuurlijk niet dezelfde ter’angreaal kon zijn die ik aan jou had overhandigd. Je had beloofd dat hij beschermd en verborgen zou blijven.’

‘Nou,’ zei Cadsuane onthutst. Ze bedekte de dingen weer. ‘Dat is dan geregeld.’

‘Ja. Ik heb mensen naar je kamer gestuurd. Zeg eens, is dit de kist waar je de armbanden in bewaarde? We vonden die open op de vloer van je kamer.’

Ken Speervrouwe haalde een bekend eikenhouten kistje tevoorschijn. Het was natuurlijk Cadsuanes kist.

Cadsuane draaide zich kwaad naar hem om. ‘Je hebt mijn kamer doorzocht!’

‘Ik wist niet dat je op bezoek was bij de Wijzen,’ zei Altor. Hij knikte eerbiedig naar Sorilea en Amys, en zij knikten weifelend terug. ‘Ik heb bedienden gestuurd om te kijken hoe het met je ging, want ik vreesde dat Semirhage misschien had geprobeerd wraak op je te nemen.’

‘Ze hadden dit niet moeten aanraken,’ zei Cadsuane, die het kistje van de Speervrouwe overnam. ‘Het was beschermd met heel ingewikkelde bannen.’

‘Niet ingewikkeld genoeg,’ kaatste Altor terug, en hij keerde haar de rug toe. Hij stond nog altijd bij dat donkere venster en keek uit over het kamp.

Het werd stil in de kamer. Narishma had op zachte toon gevraagd hoe Min zich voelde, maar hij zweeg toen Altor niets meer zei. Rhand vond overduidelijk dat Cadsuane verantwoordelijk was voor de diefstal van de mannelijke a’dam, maar dat was bespottelijk. Ze had de beste ban die ze kende eromheen gelegd, maar wie weet wat voor kennis de Verzakers hadden om bannen te omzeilen? Hoe had Altor het overleefd? En de rest van de inhoud van dat kistje? Had Altor nu de sleutel, of was het standbeeldje meegenomen door Semirhage? Durfde Cadsuane ernaar te vragen? De stilte hield aan. ‘Waar wacht je op?’ vroeg ze uiteindelijk met alle moed die ze kon oproepen. ‘Verwacht je een verontschuldiging van me?’

‘Van jou?’ vroeg Altor. Er was geen vermaak in zijn stem te horen, alleen maar diezelfde kille gelijkmoedigheid. ‘Nee, ik vermoed dat ik nog eerder een verontschuldiging uit een steen zou kunnen persen dan uit jou.’

‘Dan...’

‘Ik verban je uit mijn ogen, Cadsuane,’ zei hij zachtjes. ‘Als ik je gezicht na vanavond nog een keer zie, dood ik je.’

‘Rhand, nee!’ riep Min, die opstond van het bed. Hij draaide zich niet naar haar om.