Cadsuane voelde meteen een steek van paniek, maar die zette ze met haar woede aan de kant. ‘Wat?’ vroeg ze. ‘Dit is dwaasheid, jongen. Ik...’
Hij draaide zich om, en weer stierf haar stem weg onder die blik van hem. Er lag gevaar in, een schaduw in zijn ogen die haar meer angst aanjoeg dan ze had gedacht dat haar oude hart nog kon voelen. De lucht om hem heen leek te vervormen, en ze kon zich bijna voorhouden dat het donkerder was geworden in de kamer. ‘Maar...’ hoorde ze zichzelf stamelen. ‘Maar jij doodt geen vrouwen. Dat weet iedereen. Je krijgt het amper voor elkaar de Speervrouwen in gevaar brengen uit angst dat hen iets overkomt!’
‘Ik ben gedwongen die voorkeur te herzien,’ zei Altor. ‘Met ingang van vanavond.’
‘Maar...’
‘Cadsuane,’ zei hij zacht, ‘geloof je dat ik je zou kunnen doden? Hier, op dit ogenblik, zonder een zwaard of de Kracht te gebruiken? Geloof je dat als ik het eenvoudigweg wilde, het Patroon zich om me heen zou buigen en je hart zou laten stilstaan? Per... toeval?’ Ta’veren zijn werkte niet zo. Licht! Nee, toch? Hij kon het Patroon zelf toch niet aan zijn wil onderwerpen? En toch, terwijl ze in zijn ogen keek, geloofde ze het. Tegen alle logica in keek ze in die ogen en wist dat als ze niet vertrok, ze zou sterven. Ze knikte langzaam, haatte zichzelf en voelde zich merkwaardig zwak. Hij wendde zich van haar af en keek weer uit het raam. ‘Zorg ervoor dat ik je niet meer zie. Nooit meer, Cadsuane. Je mag nu gaan.’ Verdoofd draaide ze zich om, en vanuit haar ooghoeken zag ze een diepe duisternis van Altor afstralen en de lucht nog verder vervormen. Toen ze omkeek, was het weg. Met knarsende tanden vertrok ze.
‘Bereid jezelf en je legers voor,’ zei Altor tegen degenen die achterbleven, en zijn stem galmde door de kamer. ‘Ik wil voor het einde van de week vertrekken.’
Cadsuane bracht haar hand naar haar hoofd en leunde in de gang buiten tegen de muur. Haar hart bonsde en haar voorhoofd was klam van het zweet. Voorheen had ze te maken gehad met een koppige maar goedaardige jongen. Iemand had dat kind vervangen door deze man, een man die gevaarlijker was dan ieder ander die ze ooit had ontmoet. Dag na dag ontglipte hij hen verder. En ze had geen flauw benul wat ze eraan kon doen.
24
Een nieuwe belofte
Uitgeput van twee dagen rijden, zat Gawein op Tarter boven op een lage heuvel ten zuidwesten van Tar Valon. Dit landschap had groen moeten zijn door het begin van de lente, maar de heuvel voor hem droeg alleen ruig, dood onkruid, verwoest door de wintersneeuw. Groepjes taxusbomen en zwarthout staken hier en daar op en onderbraken het bruine landschap. Hij telde meer dan een paar bosjes die nu enkel nog uit stronken bestonden. Een legerkamp verslond bomen als hongerige houtkevers, omdat ze die gebruikten voor pijlen, vuren, gebouwtjes en belegeringstoestellen. Gawein geeuwde; hij had de hele nacht de vaart erin gehouden. Brins kamp zat hier stevig ingegraven, en er was een drukte van beweging en activiteit. Een zo groot leger bracht in het beste geval een georganiseerde chaos met zich mee. Een kleine groep bereden cavalerie kon licht reizen, zoals Gaweins Jongelingen hadden gedaan; een dergelijke groep kon uitgroeien tot enkele duizenden soldaten en toch beweeglijk blijven. Ervaren ruiters, zoals de Saldeanen, verplaatsten zich naar verluidt soms met zeven- of achtduizend leden tegelijk en bleven toch snel.
Maar een leger zoals hierbeneden was een heel ander soort dier. Het was een gigantisch, uitgestrekt iets, in de vorm van een reusachtige bel met een kleiner kamp in het midden; waarschijnlijk dat van de Aes Sedai. Brin had ook troepen gelegerd in alle brugdorpen aan beide kanten van de Erinin, zodat het eiland was afgesneden van toevoer over land.
Het leger zat in de buurt van Tar Valon als een spin die loert naar een vlinder net buiten zijn web. Rijen soldaten reden in en uit om wacht te lopen, voedsel in te slaan en berichten te vervoeren. Het waren vele tientallen groepen, sommige bereden, andere te voet. Als bijen die de korf verlieten terwijl andere weer naar binnen zwermden. De oostkant van het kamp stond vol met een allegaartje van hutten en tenten, de gebruikelijke mengelmoes van kampvolgers die zich rondom een leger verzamelde. Vlakbij, binnen de hoofdgrens van het kamp, verrees een houten palissade van zo’n vijftig meter doorsnee in een hoge ring. Waarschijnlijk rondom een bevelspost. Gawein wist dat hij was gezien door Brins verkenners toen hij naderde, maar niemand had hem tegengehouden. Ze zouden dat waarschijnlijk ook niet doen, behalve als hij probeerde om nu weg te rijden. Een man alleen – met een fatsoenlijke grijze mantel en broek en een witkanten hemd – was niet erg belangwekkend. Hij kon een huurling zijn die kwam vragen om een positie in het leger. Hij kon een boodschapper zijn van een plaatselijke edele, gestuurd om te klagen over een groep verkenners. Hij kon zelfs bij het leger horen. Hoewel veel soldaten in Brins leger uniformen hadden, droegen vele anderen alleen een eenvoudige gele band om hun mouw, omdat ze nog niet het geld hadden om de juiste emblemen erop te laten naaien. Nee, een man alleen die een leger naderde was geen gevaar. Een man alleen die erbij wegreed, was echter reden tot alarm. Een man die naar het kamp toe kwam kon een vriend, een vijand, of geen van beide zijn. Een man die het kamp eens goed bekeek en dan wegreed, was bijna zeker een verspieder. Zolang Gawein niet vertrok voordat hij zijn bedoelingen kenbaar maakte, zouden Brins voorrijders hem waarschijnlijk niet lastigvallen.
Licht, hij verlangde naar een bed. Hij had twee rusteloze nachten achter de rug, met maar een paar uur slaap elk, gewikkeld in zijn mantel. Hij voelde zich prikkelbaar en korzelig, deels alleen maar om zichzelf, omdat hij had geweigerd naar een herberg te gaan voor het geval hij werd achtervolgd door de Jongelingen. Hij knipperde met dikke ogen en dreef Tarter de helling af. Nu kon hij niet meer terug.
Nee. Hij had al niet meer terug gekund zodra hij Sleet had achtergelaten in Dorlan. Inmiddels waren de Jongelingen op de hoogte van het verraad van hun leider. Sleet zou hen geen tijd laten verspillen met zoeken. Hij zou hun vertellen wat hij wist. Gawein wenste dat hij zich kon voorhouden dat ze verbaasd zouden reageren, maar hij had meer dan één frons of verwarde blik opgevangen als ze hem hoorden praten over Elaida en de Aes Sedai.
De Witte Toren verdiende zijn trouw niet, maar de Jongelingen, daar kon hij nu nooit meer naar terug. Het stak hem; dit was de eerste keer dat zijn weifeling was onthuld aan een grote groep. Niemand wist dat hij Siuan had helpen ontsnappen, en het was ook niet algemeen bekend dat hij was omgegaan met Egwene. Maar vertrekken was de juiste beslissing geweest. Voor het eerst in maanden klopten zijn daden met zijn gevoel. Egwene redden. Dat was iets waar hij in kon geloven.
Hij naderde de buitenrand van het kamp en hield zijn gezicht uitgestreken. Hij vond het een verschrikkelijke gedachte om samen te werken met de opstandige Aes Sedai, bijna net zo verschrikkelijk als zijn mannen verlaten. Die opstandelingen waren niet beter dan Elaida. Zij waren degenen die Egwene naar voren hadden geschoven als Amyrlin, als doelwit. Egwene! Een gewone Aanvaarde. Een pion. Als hun greep naar de Toren faalde, dan zouden zij misschien hun straf kunnen ontlopen. Egwene zou worden terechtgesteld. Ik kom wel binnen, dacht Gawein. Ik red haar wel, hoe dan ook. En dan zal ik haar rede doen inzien en haar weghalen bij al die Aes Sedai. Misschien kon hij zelfs Brin rede doen inzien. Dan kunnen we allemaal terug naar Andor, om Elayne te helpen. Hij reed met hernieuwde vastberadenheid verder, en iets van zijn vermoeidheid gleed van hem af. Om bij de bevelspositie te komen, moest hij tussen de kampvolgers door rijden, die met grotere aantallen waren dan de soldaten zelf. Koks om het voedsel te bereiden. Vrouwen om het voedsel op te dienen en de vaat te doen. Wagenmenners om het voedsel te vervoeren. Wagenmakers om de wagens te repareren die het voedsel vervoerden. Smeden om hoefijzers te maken voor de paarden die de wagens trokken die het voedsel vervoerden. Kooplieden om het voedsel te kopen, en kwartiermeesters om alles te regelen. Minder betrouwbare kooplui die wilden profiteren van de soldij van de soldaten, en vrouwen die hetzelfde wilden. Jongens om boodschappen te vervoeren, hopend op een dag zelf een zwaard te dragen. Het was een puinhoop. Een halve sloppenwijk van tenten en hutten, allemaal in verschillende kleuren, grootten en maten van haveloosheid. Zelfs een vaardig generaal als Brin kon maar beperkt orde opleggen aan de kampvolgers. Zijn mannen zouden min of meer de rust handhaven, maar ze konden de volgers niet dwingen zich aan de militaire tucht te houden.