Gawein ging midden door alles heen en negeerde de lieden die naar hem riepen en aanboden zijn zwaard te poetsen of hem een zoet broodje te verkopen. De prijzen zouden laag zijn – dit was een plek die het moest hebben van soldaten – maar met zijn strijdros en mooie kleding zouden ze hem inschatten als een officier. Als hij van een van hen iets kocht, roken de anderen geld, en dan zou hij omringd worden door iedereen die hoopte iets aan hem te kunnen slijten. Hij negeerde het geroep en hield zijn blik naar voren, op het leger verderop gericht. De tenten daar stonden in min of meer nette rijen, gegroepeerd op onderdeel en banier, hoewel ze soms in kleinere groepjes stonden. Gawein had de indeling kunnen raden zonder die te hoeven zien. Brin hield van orde, maar hij geloofde ook sterk in delegeren. Hij liet zijn officiers hun kamp bestieren zoals zij dat goedachtten, en dat leidde tot een indeling die minder gelijkvormig was, maar die zichzelf veel beter regelde.
Hij reed rechtstreeks naar de palissade. De kampvolgers om hem heen waren echter niet gemakkelijk te negeren. Hun roepen naar hem bleven in de lucht hangen, samen met de geuren van maaltijden, privaten, paarden en goedkoop reukwater. Het kamp was niet zo druk als een stad, maar het was ook niet zo goed onderhouden. Zweet vermengde zich met brandende kookvuren vermengd met stilstaand water vermengd met ongewassen lichamen. Hij kreeg de neiging een zakdoek tegen zijn neus te drukken, maar dat deed hij niet. Hij zou er dan uitzien als een verwende edele, die zijn neus optrok voor het gewone volk.
De stank, de verwarring en het geroep deden zijn stemming geen goed. Hij moest met zijn tanden knarsen om niet tegen elke venter te schelden. Een gestalte belandde struikelend op het pad voor hem en hij hield in. De vrouw droeg bruine rokken en een wit hemd, en haar handen waren vuil. ‘Uit de weg,’ snauwde Gawein. Zijn moeder zou boos zijn geworden als ze hem met zoveel woede had horen spreken. Nou, zijn moeder was dood, door Altors hand. De vrouw voor hem keek op en rende het pad weer af. Ze had blond haar met een gele zakdoek eromheen gebonden, en een ietwat mollig lichaam. Gawein ving nog net een glimp van haar gezicht op toen ze zich omdraaide.
Hij verstijfde. Dat was het gezicht van een Aes Sedai! Het was onmiskenbaar. Hij bleef geschokt zitten toen de vrouw de zakdoek van haar hoofd trok en zich weghaastte.
‘Wacht!’ riep hij, en hij wendde zijn paard. Maar de vrouw bleef niet staan. Hij aarzelde en liet zijn arm zakken toen hij de vrouw naar een rij wasvrouwen zag lopen, die een stukje verderop bij houten troggen aan het werk waren.
Als ze deed alsof ze een burgervrouw was, dan had ze daar waarschijnlijk haar eigen verrekte Aes Sedai-redenen voor, en ze zou het niet op prijs stellen als hij haar ontmaskerde. Goed dan. Gawein zette zijn ergernis van zich af. Egwene. Hij moest zich op Egwene richten.
Toen hij de palissade bereikte, verbeterde de lucht aanzienlijk. Een viertal soldaten stond op wacht, met hellebaarden naast zich, en hun stalen mutsen glansden net zoals hun borstplaten met de drie sterren van Brin erop. Een banier met de Vlam van Tar Valon wapperde naast de poort.
‘Rekruut?’ vroeg een van de soldaten toen Gawein kwam aanrijden. De potige man had een rode streep op zijn linkerschouder, die hem onderscheidde als wachtsergeant. Hij droeg een zwaard in plaats van een hellebaard. Zijn borstplaat paste hem amper, en hij had een dichte rode baard. ‘Dan moet je bij kapitein Aldan zijn,’ gromde de man. ‘Grote blauwe tent, ongeveer een kwart van de weg rondom het kamp. Je hebt je eigen paard en zwaard; dat zal je een goed soldij opleveren.’ De man wees naar een plek ergens te midden van het hoofdleger, buiten de palissade. Dat voldeed niet. Gawein zag Brins banier daarbinnen wapperen.
‘Ik ben geen rekruut,’ zei Gawein, die Tarter wendde om de mannen beter te kunnen bekijken. ‘Ik ben Gawein Trakand. Ik moet Garet Brin onmiddellijk spreken over een dringende kwestie.’ De soldaat trok zijn wenkbrauw op. Toen grinnikte hij. ‘Je gelooft me niet,’ zei Gawein vlak.
‘Ga met kapitein Aldan praten,’ antwoordde de man loom, nogmaals wijzend naar de tent in de verte.
Gawein haalde diep adem om te kalmeren en probeerde zijn ergernis te bedwingen. ‘Als je Brin nou gewoon even roept, dan zul je zien dat...’
‘Wou je lastig doen?’ vroeg de soldaat, en hij blies zijn borst op. De andere mannen brachten hun hellebaarden in gereedheid. ‘Nee,’ zei Gawein vlak. ‘Ik moet alleen...’
‘Als je bij ons kamp wilt,’ onderbrak de soldaat hem terwijl hij naar voren stapte, ‘dan zul je moeten leren doen wat je gezegd wordt.’ Gawein keek de man in de ogen. ‘Goed dan. We doen het zo. Het zal waarschijnlijk toch sneller gaan.’ De sergeant legde zijn hand op zijn zwaard.
Gawein maakte zijn voeten los uit de stijgbeugels en duwde zich uit het zadel. Te paard zou hij te veel moeite hebben om te voorkomen dat hij de man doodde. Hij ontblootte zijn zwaard toen zijn voeten de modderige grond raakten, en de schede raspte als een ingezogen ademteug. Gawein begon met Eik schudt zijn takken, een vorm met niet-dodelijke aanvallen, vaak door meesters gebruikt om leerlingen op te leiden. Het was ook erg doeltreffend tegen een grote groep mannen die allemaal verschillende wapens hanteerden. Voordat de sergeant zijn zwaard had getrokken, dreunde Gawein tegen hem aan en ramde zijn elleboog in zijn buik, net onder de slecht passende borstplaat.
De man gromde en klapte dubbel, en toen sloeg Gawein hem met het gevest van zijn zwaard tegen zijn slaap. Die kerel had beter moeten weten dan zijn muts zo scheef te dragen. Toen ging Gawein bij de eerste hellebaarddrager over naar Scheiden van zijde. Terwijl een andere man om hulp schreeuwde, hakte Gaweins kling met een rinkelend geluid over de borstplaat van de man, waardoor die achteruit werd gedwongen. Gawein maakte het af door de voeten van de man onder hem vandaan te maaien en ging toen door met Draaien van de wind om de aanvallen van de andere twee af te slaan. Het was jammer, maar hij moest uithalen naar de bovenbenen van de twee hellebaarddragers. Hij had hen liever niet verwond, maar gevechten – zelfs dit soort gevechten, tegen veel minder vaardige tegenstanders – werden onvoorspelbaar naarmate ze langer duurden. Je moest het slagveld snel en ferm beheersen, en dat betekende dat hij de twee soldaten onderuit moest halen, graaiend naar hun bloedende bovenbenen. De sergeant was buiten westen van de klap op zijn hoofd, maar de eerste hellebaarddrager kwam wankel overeind. Gawein schopte de hellebaard van de man opzij en zette toen zijn laars in diens gezicht, waardoor hij met een bloedneus weer tegen de grond ging.
Achter hem hinnikte Tarter, snuivend en stampend op de grond. Het strijdros bespeurde een gevecht, maar het was goed opgeleid. Tarter wist dat wanneer niemand de teugels vasthield, hij moest blijven stilstaan. Gawein veegde zijn kling aan zijn broekspijp af en schoof het zwaard weer in de schede, terwijl de gewonde soldaten kreunend op de grond bleven liggen. Hij klopte Tarter op zijn neus en pakte de teugels weer op. Achter Gawein deinsden kampvolgers achteruit en renden weg. Een groep soldaten kwam met aangespannen bogen uit de palissade. Dat was niet best. Gawein draaide zich naar hen toe, trok zijn zwaardschede van zijn riem en gooide die voor de mannen op de grond.
‘Ik ben ongewapend,’ zei hij over het gekerm van de gewonden heen. ‘En geen van deze vier zullen vandaag sterven. Ga je generaal vertellen dat één enkele zwaardmeester zojuist in minder dan tien hartslagen een groep van zijn wachters heeft geveld. Ik ben een oude leerling van hem. Hij wil me vast wel ontvangen.’ Een van de mannen schoot naar voren om Gaweins gevallen zwaard op te rapen, terwijl een andere een renner wenkte. De overige hielden hun bogen geheven.