Een van de gevallen hellebaarddragers kroop weg. Gawein wendde Tarter en bereidde zich voor om achter het paard te duiken als de mannen gingen schieten. Hij had liever dat het daar niet toe kwam, maar Tarter zou een paar pijlen van een handboog eerder overleven dan hij.
Enkele soldaten waagden het naar voren te komen om hun gevallen vrienden te helpen. De potige wachtsergeant roerde zich en ging rechtop zitten, waarbij hij binnensmonds vloekte. Gawein maakte geen dreigende bewegingen.
Misschien was het een vergissing geweest om in gevecht te gaan met die mannen, maar hij had al te veel tijd verspild. Egwene kon wel dood zijn! Als een man zoals die sergeant op zijn strepen ging staan, had je eigenlijk maar twee keuzes. Je kon je langs de ambtenaren praten, elke soldaat op elke rang proberen ervan te overtuigen dat je belangrijk was. Of je kon rotzooi schoppen. Dat tweede ging sneller, en het kamp had duidelijk voldoende Aes Sedai om een paar gewonde soldaten te Helen.
Uiteindelijk kwam er een klein groepje mannen de palissade uit benen. Hun uniformen waren onberispelijk, hun houding gevaarlijk, hun gezichten verweerd. Aan het hoofd liep een man met een vierkant gezicht, grijzende slapen en een sterk, gedrongen postuur. Gawein glimlachte. Het was Brin in eigen persoon. De gok had gewerkt. De kapitein-generaal bekeek Gawein en inspecteerde toen snel zijn gevallen soldaten. Uiteindelijk schudde hij zijn hoofd. ‘Rustig maar,’ zei hij tegen zijn mannen. ‘Sergeant Coord.’ De potige sergeant stond op. ‘Commandant!’
Brin keek om naar Gawein. ‘Als er de volgende keer weer eens een man naar de poort komt, beweert van adel te zijn en naar mij vraagt, roep dan een officier. Meteen. Het kan me niet schelen als die man een warrige baard van twee maanden heeft en stinkt naar goedkoop bier. Begrepen?’
‘Ja, commandant,’ zei de sergeant blozend. ‘Begrepen, mijnheer.’
‘Breng je mannen naar de ziekenzaal, sergeant,’ zei Brin, nog altijd met zijn blik op Gawein gericht. ‘Jij gaat met mij mee.’ Gawein klemde zijn kaken op elkaar. Hij was al niet meer zo door Garet Brin toegesproken sinds hij zich voor het eerst moest scheren. Al had hij natuurlijk ook niet echt verwacht dat de man blij zou zijn. Binnen de palissade zag Gawein een jonge knul die waarschijnlijk stalknecht of boodschappenjongen was. Hij gaf Tarter over aan de ontzagvolle jongeling en vertelde hem hoe hij het paard moest verzorgen. Toen haalde hij zijn zwaard op bij de man die het had opgeraapt en haastte zich achter Brin aan. ‘Garet,’ zei Gawein toen hij hem inhaalde, ‘ik...’
‘Mond dicht, jongeman,’ zei Brin zonder zich om te draaien. ‘Ik heb nog niet besloten wat ik met je ga doen.’
Gawein liet zijn mond dichtvallen. Dat was onterecht! Gawein was nog altijd de broer van de rechtmatige koningin van Andor, en hij zou Eerste Prins van het Zwaard worden als Elayne de troon besteeg! Brin zou hem eerbied moeten betonen.
Maar Brin kon zo koppig zijn als een everzwijn. Gawein hield zijn mond. Ze kwamen aan bij een hoge punttent met twee wachters ervoor. Brin dook naar binnen, en Gawein volgde. Binnen was het opgeruimder en schoner dan Gawein had verwacht. De tafel lag vol met opgerolde kaarten en nette stapels papieren, en de britsen in de hoek waren keurig opgemaakt, met de dekens in scherpe vouwen. Kennelijk had Brin een erg nauwgezette persoon die voor hem opruimde.
Brin verstrengelde zijn handen op zijn rug en zijn borstplaat weerspiegelde Gaweins gezicht toen hij zich omdraaide. ‘Zo. Vertel maar eens wat je hier doet.’
Gawein rechtte zijn rug. ‘Generaal,’ zei hij, ‘ik geloof dat je je vergist. Ik ben niet langer je leerling.’
‘Weet ik,’ zei Brin kortaf. ‘De jongen die ik heb opgeleid, zou nooit zo’n kinderachtig geintje hebben uitgehaald om mijn aandacht te trekken.’
‘De wachtsergeant was vijandig, en ik had geen geduld met die dwaas. Dit leek me de beste aanpak.’
‘De beste aanpak?’ vroeg Brin. ‘Om me kwaad te maken?’
‘Luister,’ zei Gawein, ‘misschien was ik wat overhaast, maar ik heb een belangrijke opdracht. Je moet naar me luisteren.’
‘En zo niet?’ vroeg Brin. ‘Als ik je mijn kamp uit smijt omdat je een verwend prinsje bent met te veel trots en niet genoeg verstand?’ Gawein fronste zijn voorhoofd. ‘Pas op, Garet. Ik heb veel geleerd sinds we elkaar voor het laatst zagen. Ik denk dat je zult ontdekken dat je me niet meer met zoveel gemak als vroeger kunt verslaan.’
‘Daar twijfel ik niet aan,’ zei Brin. ‘Licht, jongen! Je hebt altijd al aanleg gehad. Maar denk je dat je woorden meer gewicht dragen alleen omdat je vaardig bent met het zwaard? Dat ik moet luisteren omdat je me vermoordt als ik het niet doe? Ik dacht dat ik je beter had onderwezen.’
Brin was ouder geworden sinds Gawein hem voor het laatst had gezien. Maar die leeftijd drukte niet op Brin; de jaren rustten behaaglijk op zijn schouders. Wat meer grijs bij zijn slapen, een paar rimpeltjes rond de ogen erbij, en toch een lichaam dat sterk en slank genoeg was om hem jaren jonger te doen lijken dan hij was. Als je naar Garet Brin keek, zag je een man in – en zeker niet voorbij – de bloei van zijn leven.
Gawein ving de blik van de generaal en probeerde zijn woede binnen te houden. Brin keek rustig terug. Standvastig. Zoals een generaal hoorde te zijn. Zoals Gawein zou moeten zijn. Gawein keek weg en schaamde zich plotseling. ‘Licht,’ fluisterde hij. Hij liet zijn zwaard los en greep naar zijn hoofd. Hij voelde zich plotseling heel, heel moe. ‘Het spijt me, Garet. Je hebt gelijk. Ik ben stom geweest.’
Brin gromde. ‘Fijn om te horen. Ik begon me al af te vragen wat er met je was gebeurd.’
Gawein zuchtte en veegde over zijn voorhoofd, verlangend naar iets kouds te drinken. Zijn woede smolt weg en hij voelde zich uitgeput. ‘Het is een zwaar jaar geweest,’ zei hij, ‘en ik heb te hard gereden om hier te komen. Ik denk niet helder na.’
‘Je bent niet de enige, knul,’ zei Brin. Hij haalde diep adem en liep naar een kleine opdientafel, waar hij een beker vol schonk voor Gawein. Het was maar warme thee, maar Gawein pakte het dankbaar aan en nam een slok.
‘Dit zijn zware tijden,’ zei Brin, die ook voor zichzelf inschonk. Hij nam een slok en trok een grimas. ‘Wat is er?’ vroeg Gawein, kijkend naar zijn beker.
‘Niks. Ik walg van dat spul.’
‘Waarom drink je het dan?’
‘Ze zeggen dat het goed voor me is,’ gromde Brin. Voordat Gawein kon doorvragen, vervolgde de grote generaaclass="underline" ‘Nou? Moet ik je in het gevang laten smijten voordat je gaat vertellen waarom je hebt besloten je bij mijn bevelspositie naar binnen te vechten?’ Gawein stapte naar voren. ‘Garet, dit gaat om Egwene. Ze hebben haar.’
‘De Aes Sedai van de Witte Toren?’ Gawein knikte heftig.
‘Weet ik.’ Brin nam nog een slok en grimaste opnieuw. ‘We moeten haar gaan halen!’ riep Gawein. ‘Ik ben hier om je hulp te vragen. Ik wil een reddingsactie op touw zetten.’ Brin snoof zachtjes. ‘Een reddingsactie? En hoe wil je de Witte Toren inkomen? Zelfs de Aiel konden die stad niet innemen.’
‘Dat wilden ze ook niet,’ zei Gawein. ‘Maar ik hoef de stad niet in te nemen, ik hoef alleen een groepje naar binnen te smokkelen en één persoon naar buiten te krijgen. Iedere rots heeft barsten. Ik vind er wel iets op.’
Brin zette zijn beker neer. Hij keek Gawein aan en zijn vastberaden, verweerde gezicht was een toonbeeld van adellijkheid. ‘Maar vertel eens, jongen. Hoe wil je zorgen dat ze met je meekomt?’ Gawein schrok. ‘Nou, ze zal graag meekomen, natuurlijk. Waarom niet?’
‘Omdat ze ons heeft verboden haar te redden,’ antwoordde Brin, die zijn handen weer op zijn rug legde. ‘Of dat heb ik er althans uit opgemaakt. De Aes Sedai vertellen me niet veel. Je zou denken dat ze meer vertrouwen hadden in een man van wie ze verwachten dat hij dat beleg van ze leidt. Maar goed, de Amyrlin kan op een of andere manier met hen communiceren, en ze heeft hun opgedragen haar te laten zitten.’