Выбрать главу

Wat? Dat was belachelijk! De Aes Sedai in het kamp verdraaiden overduidelijk de feiten. ‘Brin, ze zit gevangen! De Aes Sedai die ik heb horen praten, zeiden dat ze elke dag slaag krijgt. Straks stellen ze haar nog terecht!’

‘Ik weet het niet,’ zei Brin. ‘Ze is daar nu al weken, en ze hebben haar nog niet omgebracht.’

‘Dat doen ze nog wel,’ zei Gawein indringend. ‘Dat weet jij ook. Misschien poch je voor je soldaten een tijdje met een gevallen vijand, maar uiteindelijk zul je zijn hoofd op een staak moeten zetten om hun te laten weten dat hij dood is. Je weet dat ik gelijk heb.’ Brin keek hem aan en knikte. ‘Misschien wel. Maar ik kan nog steeds niets doen. Ik ben gebonden aan mijn geloften, Gawein. Ik kan pas iets doen als dat meisje het me opdraagt.’

‘Zou je haar dan laten sterven?’

‘Als dat ervoor nodig is om mijn eed gestand te doen, dan ja.’ Als Brin gebonden was door een eed... nou, hij zou nog eerder een Aes Sedai een leugen horen vertellen dan Garet Brin zijn woord zien breken. Maar Egwene! Er moest iets zijn wat hij kon doen! ‘Ik zal proberen te praten met enkele Aes Sedai die ik dien,’ zei Brin. ‘Misschien kunnen zij iets doen. Als jij hun ervan overtuigt dat er een reddingsactie nodig is, en dat de Amyrlin gered wil worden, dan zullen we zien.’

Gawein knikte. Het was in ieder geval iets. ‘Dank je.’ Brin wuifde achteloos. ‘Hoewel ik je eigenlijk in het gevang zou moeten smijten. Al was het maar omdat je drie van mijn mannen hebt verwond.’

‘Laat ze Helen door een Aes Sedai,’ zei Gawein. ‘Voor zover ik heb gehoord, heb je geen gebrek aan zusters om je te koeioneren.’

‘Bah,’ zei Brin. ‘Ik krijg ze maar zelden zover dat ze iemand Helen, behalve als het leven van een soldaat op het spel staat. Laatst was een van mijn mannen akelig ten val gekomen tijdens het rijden, en zij zeiden dat Heling hem alleen maar roekeloosheid zou bijbrengen. “Pijn is een les op zich,” zei dat verrekte mens. “Misschien zal hij de volgende keer niet zo opschepperig rijden om indruk te maken op zijn vrienden.”’

Gawein trok een grimas. ‘Maar ze zullen toch wel een uitzondering maken voor die mannen? Ze zijn immers gewond geraakt door een vijand.’

‘We zullen zien,’ zei Brin. ‘De zusters bezoeken de soldaten maar zelden. Ze hebben hun eigen dingen te doen.’

‘Er is er nu een in het buitenste kamp,’ zei Gawein afwezig, met een blik over zijn schouder.

‘Jong meisje? Donker haar, nog geen leeftijdloos gezicht?’

‘Nee, dit was een Aes Sedai. Ik kon het aan haar gezicht zien. Ze was een beetje mollig, met blond haar.’

‘Waarschijnlijk alleen maar op zoek naar zwaardhanden,’ zei Brin zuchtend. ‘Dat doen ze namelijk.’

‘Ik geloof van niet,’ zei Gawein, nog steeds omkijkend. ‘Ze verstopte zich tussen de wasvrouwen.’ Nu hij erover nadacht, besefte hij dat ze best een verspieder voor de aanhangers van de Witte Toren kon zijn.

Brins frons werd dieper. Misschien dacht hij hetzelfde. ‘Laat zien,’ zei hij, terwijl hij al naar de tentflap beende. Hij gooide hem open en liep het ochtendlicht in, en Gawein volgde. ‘Je hebt nog steeds niet uitgelegd wat je hier doet, Gawein,’ zei Brin terwijl ze door het ordelijke kamp liepen en soldaten hun generaal een saluut brachten.

‘Wat ik al zei,’ zei Gawein, met zijn hand rustig op de knop van zijn zwaard. ‘Ik ga er iets op vinden om Egwene uit die dodelijke valstrik te krijgen.’

‘Ik bedoelde niet wat je in mijn kamp doet, maar wat je hier in deze streek doet. Waarom ben je niet in Caemlin om je zuster te helpen?’

‘Je hebt nieuws over Elayne,’ zei Gawein, die bleef staan. Licht! Hij had het eerder moeten vragen. Hij was echt moe. ‘Ik had gehoord dat ze in je kamp is geweest. Is ze terug in Caemlin? Is ze veilig?’

‘Ze is al een hele tijd niet meer bij ons,’ zei Brin. ‘Maar ze schijnt het goed te maken.’ Hij bleef staan en keek om. ‘Bedoel je dat je het niet weet?’

‘Wat?’

‘Nou, geruchten zijn berucht onbetrouwbaar,’ zei Brin, ‘maar ik heb het nagevraagd bij de Aes Sedai die naar Caemlin zijn Gereisd om nieuws te vergaren. Je zuster heeft de Leeuwentroon. Het schijnt dat ze een groot deel van de puinhoop die je moeder voor haar had achtergelaten al heeft opgeruimd.’

Gawein haalde diep adem. Het Licht zij dank, dacht hij, en hij sloot zijn ogen. Elayne leefde nog. Elayne had de troon. Hij opende zijn ogen en de bewolkte hemel leek iets lichter. Hij liep door, en Brin liep met hem mee.

‘Je wist het echt niet,’ zei Brin. ‘Waar heb je gezeten, jongen? Jij bent nu Eerste Prins van het Zwaard, of dat word je zodra je terugkeert naar Caemlin! Jouw plek is aan de zijde van je zuster.’

‘Eerst Egwene.’

‘Je hebt een eed gezworen,’ zei Brin streng. ‘Aan mij. Ben je dat vergeten?’

‘Nee,’ zei Gawein. ‘Maar als Elayne op de troon zit, is ze voorlopig veilig. Ik ga Egwene halen en sleep haar mee terug naar Caemlin, waar ik een oogje op haar kan houden. Waar ik een oogje op hen allebei kan houden.’

Brin snoof. ‘Dat eerste zou ik je graag zien proberen,’ merkte hij op. ‘Maar toch, waarom was je er niet bij toen Elayne probeerde de troon te bemachtigen? Wat heb je gedaan dat belangrijker is dan dat?’

‘Ik... raakte verstrikt,’ zei Gawein zonder opzij te kijken. ‘Verstrikt?’ vroeg Brin. ‘Je was in de Witte Toren toen dit alles...’ Hij maakte zijn zin niet af en deed er verder het zwijgen toe. De twee liepen een tijdje naast elkaar verder.

‘Waar heb je zusters horen praten over Egwenes gevangenneming?’ vroeg Brin. ‘Hoe weet jij dat ze wordt gestraft?’ Gawein zei niets.

‘Bloed en bloedas!’ riep Brin. De generaal vloekte maar zelden. ‘Ik wist wel dat de leider van die strooptochten tegen mij veel te goed op de hoogte was. En ik maar zoeken naar een lek onder mijn officiers!’

‘Het maakt nu niet meer uit.’

‘Dat bepaal ik wel,’ zei Brin. ‘Je hebt mijn mannen gedood. Strooptochten tegen mij geleid!’

‘Strooptochten tegen de opstandelingen geleid,’ verbeterde Gawein, die harde ogen op Brin richtte. ‘Je mag me ervan beschuldigen dat ik me een weg je kamp in heb gebaand, maar verwacht je echt dat ik me schuldig voel omdat ik de Witte Toren heb geholpen tegen het leger dat er een beleg houdt?’

Brin zweeg. Toen knikte hij kort. ‘Goed dan. Maar dat maakt je een vijandelijk bevelvoerder.’

‘Niet meer,’ zei Gawein. ‘Ik ben daar weg.’

‘Maar...’

‘Ik heb ze geholpen,’ zei Gawein. ‘Nu niet meer. Niets wat ik hier zie, gaat terug naar je vijanden, Brin. Ik zweer het bij het Licht.’ Brin reageerde niet meteen. Ze liepen langs tenten, waarschijnlijk voor de hoge officiers, en naderden de palissade. ‘Goed dan,’ zei Brin. ‘Ik kan er wel op vertrouwen dat je niet zodanig bent veranderd dat je je woord zult breken.’

‘Ik zou me nooit tegen die eed keren,’ zei Gawein hees. ‘Hoe kon je dat nou denken?’

‘Ik heb de laatste tijd ervaring met onverwachte herroepingen van geloften,’ zei Brin. ‘Ik zei al dat ik je geloof, jongen. En dat is ook zo. Maar je hebt nog altijd niet uitgelegd waarom je niet terug bent gegaan naar Caemlin.’

‘Egwene was bij de Aes Sedai,’ zei Gawein. ‘Voor zover ik wist, was Elayne daar ook bij. Dit leek me de juiste plek voor mij, ook al was ik niet bepaald blij met Elaida’s gezag.’

‘En wat is Egwene van jou?’ vroeg Brin zachtjes.

Gawein keek hem in de ogen. ‘Weet ik niet,’ gaf hij toe. ‘Ik wou dat ik het wist.’

Vreemd genoeg grinnikte Brin. ‘Ik snap het. Kom, we gaan op zoek naar die Aes Sedai die jij dacht te zien.’

‘Ik heb haar echt gezien, Garet,’ zei Gawein, knikkend naar de wachters toen ze de poort uit liepen. De mannen brachten Brin een saluut, maar ze keken naar Gawein alsof hij een zwartlans was. En terecht.

‘We zullen zien wat we vinden,’ zei Brin. ‘Maar toch, als ik eenmaal een bespreking voor je regel met de leidsters van de Aes Sedai, dan wil ik je woord dat je daarna teruggaat naar Caemlin. Laat Egwene aan ons over. Jij moet Elayne helpen. Jouw plek is in Andor.’