‘Ik kan van jou wel hetzelfde zeggen.’ Gawein bekeek het drukke volgerskamp. Waar was die vrouw ook alweer geweest? ‘Dat kun je doen,’ zei Brin nors, ‘maar het zou niet de waarheid zijn. Daar heeft je moeder voor gezorgd.’ Gawein wierp hem een blik toe.
‘Ze heeft me eruit gezet, Gawein. Me verbannen en met de dood bedreigd.’
‘Onmogelijk!’
Brin keek grimmig. ‘Dat dacht ik ook. Maar toch is het waar. De dingen die ze zei... die deden pijn, Gawein. Echt.’ Dat was alles wat Brin zei, maar komend van hem sprak het boekdelen. Gawein had de man nog nooit een ontevreden woord over zijn rang of zijn bevelen horen uiten. Hij was trouw geweest aan Morgase; zo vastberaden trouw als een regent maar kon hopen. Gawein had nog nooit een zelfverzekerder man ontmoet, of een man die minder klaagde.
‘Het moet deel hebben uitgemaakt van een of ander plan,’ zei Gawein. ‘Je kent moeder. Als ze je heeft gekwetst, dan was daar een reden voor.’
Brin schudde zijn hoofd. ‘Geen reden, anders dan dwaze liefde voor die fat van een Gaebril. Ze heeft Andor bijna te gronde gericht met haar vertroebelde hoofd.’
‘Niet waar!’ snauwde Gawein. ‘Garet, jij zou dat toch als geen ander moeten weten!’
‘Dat zou ik inderdaad moeten,’ zei Brin met gedempte stem. ‘En ik wou dat het zo was.’
‘Ze had een andere reden,’ zei Gawein koppig. Hij voelde de woede weer in zich opkomen. Rondom keken venters naar de twee, maar ze zeiden niets. Ze wisten waarschijnlijk wel beter dan Brin te benaderen. ‘Maar nu zullen we het nooit weten. Nu is ze dood. Die vervloekte Altor! De dag dat ik hem kan doorsteken kan me niet snel genoeg komen.’
Brin keek Gawein scherp aan. ‘Altor heeft Andor gered, jongen. Of voor zover een man daar althans toe in staat was.’
‘Hoe kun je dat nou zeggen?’ vroeg Gawein, die zijn hand wegtrok. ‘Hoe kun je zo gunstig spreken over dat monster? Hij heeft mijn moeder vermoord!’
‘Ik weet niet of ik die geruchten wel geloof,’ zei Brin, wrijvend over zijn kin. ‘Maar als ik ze geloof, jongen, dan heeft hij Andor misschien wel een gunst bewezen. Je weet niet hoe erg het daar werd, op het laatst.’
‘Ik kan mijn oren niet geloven,’ zei Gawein, die zijn hand naar zijn zwaard liet zakken. ‘Ik wil niet dat je haar naam zo besmeurt, Brin. Ik meen het.’
Brin keek hem recht in de ogen. Zijn blik was standvastig. Zijn ogen van graniet. ‘Ik zal altijd de waarheid spreken, Gawein. Wié me ook uitdaagt. Is het moeilijk om aan te horen? Nou, het was moeilijker om mee te leven. Er komt niets goeds voort uit het verspreiden van klachten. Maar jij als haar zoon moet de waarheid kennen. Uiteindelijk, Gawein, keerde je moeder zich tegen Andor door Gaebril te omhelzen. Ze moest worden afgezet. Als Altor dat voor ons heeft gedaan, dan moeten we hem bedanken.’
Gawein schudde zijn hoofd terwijl woede en geschoktheid in hem om voorrang streden. Was dit Garet Brin?
‘Dit zijn niet de woorden van een versmade minnaar,’ zei Brin met een strak gezicht, alsof hij zijn gevoel aan de kant duwde. Hij sprak zachtjes terwijl hij en Gawein doorliepen en de kampvolgers hen ontweken. ‘Ik kan aanvaarden dat een vrouw haar genegenheid voor de ene man verliest en die aan een andere schenkt. Ja, Morgase de vrouw kan ik vergeven. Maar Morgase de koningin? Zij heeft het koninkrijk aan die slang gegeven. Zij heeft haar bondgenoten laten afranselen en gevangennemen. Ze was niet goed bij haar hoofd. Soms, als de arm van een soldaat ettert, moet die worden afgezet om de man het leven te redden. Ik ben blij over Elaynes welslagen, en het doet me pijn om dit te zeggen. Maar je moet die haat jegens Altor begraven. Hij was niet het probleem. Je moeder was het probleem.’ Gawein hield zijn kiezen op elkaar. Nooit, dacht hij. Ik zal het Altor nooit vergeven. Dit niet.
‘Ik zie de vastberadenheid in die blik,’ zei Brin. ‘Des te meer reden waarom je terug moet naar Andor. Je zult het wel zien. Als je mij niet vertrouwt, vraag het dan maar aan je zus. Kijk wat zij ervan zegt.’
Gawein knikte ferm. Zo was het genoeg. Verderop zag hij de plek waar hij de vrouw had gezien. Hij keek naar de rij wasvrouwen in de verte, draaide zich om en beende naar hen toe, tussen twee kooplui met walmende hokken vol kippen en bakken vol eieren door. ‘Deze kant op,’ zei hij, misschien wat te scherp.
Hij keek niet of Brin hem volgde. Even later haalde de generaal hem in, en zijn gezicht stond niet vrolijk, maar hij hield zijn mond. Ze liepen over een druk kronkelpad langs mensen in bruine en matgrijze kleding, en weldra bereikten ze de vrouwen die op hun knieën tussen twee lange houten troggen met traag stromend water zaten. Mannen stonden aan het uiteinde en goten water in de troggen, en de vrouwen wasten kleding in de trog met zeepsop en spoelden ze uit in de andere trog. Geen wonder dat de grond hier zo nat was! Maar hier rook het in ieder geval naar sop en reinheid. De vrouwen hadden hun mouwen opgestroopt, en de meesten kletsten wat terwijl ze met de kleding langs wasborden wreven. Ze waren allemaal gehuld in dezelfde bruine rokken als waarin hij de Aes Sedai had gezien. Gawein legde zijn hand achteloos op zijn zwaard-knop en bekeek de vrouwen van achteren. ‘Welke?’ vroeg Brin.
‘Wacht even,’ zei Gawein. Er waren hier tientallen vrouwen. Had hij echt gezien wat hij dacht te hebben gezien? Waarom zou er een Aes Sedai in dit kamp zijn, juist hier? Elaida zóu heus geen Aes Sedai sturen om te verspieden; hun gezichten maakten hen te herkenbaar. Maar als ze zo gemakkelijk te herkennen waren, waarom zag hij haar dan nu niet?
En toen zag hij haar. Ze was een van de weinige vrouwen die niet met haar buurvrouw kletste. Ze knielde met gebogen hoofd, de gele zakdoek omgebonden om haar gezicht schaduw te bieden, met een paar lokken blond haar onder de doek vandaan. Haar houding was zo onderdanig dat hij haar bijna over het hoofd zag, maar de vorm van haar lichaam viel op. Ze was mollig, en die zakdoek was de enige gele in de rij.
Gawein beende langs de werkende vrouwen, van wie er enkelen opstonden en hun handen in hun zij zetten om in niet mis te verstane bewoordingen uit te leggen dat ‘soldaten met hun grote voeten en onhandige ellebogen’ de vrouwen niet in de weg moesten lopen. Gawein negeerde hen en liep door naar de vrouw met de gele hoofddoek.
Dit is waanzin, dacht Gawein. Er is in de hele geschiedenis nog geen Aes Sedai geweest die zichzelf kon dwingen zo’n houding aan te nemen.
Brin kwam naast hem staan. Gawein bukte en probeerde een blik op het gezicht van de vrouw te werpen. Ze boog zich verder naar voren en schrobde harder op het hemd in de trog. ‘Vrouw,’ zei Gawein. ‘Mag ik uw gezicht zien?’ Ze reageerde niet. Gawein keek naar Brin. Aarzelend stak de generaal zijn hand uit en duwde de hoofddoek van de mollige vrouw naar achteren. Het gezicht eronder was onmiskenbaar dat van een Aes Sedai, met dat opvallende, leeftijdloze aanzien. Ze keek niet op, maar werkte gewoon door.
‘Ik zei toch al dat het niet zou lukken,’ zei een forse vrouw vlakbij.
Ze stond op en waggelde langs de rij, gekleed in een tentachtig groen-met-bruin gewaad. ‘“Vrouwe,” zei ik tegen haar, “u mag doen wat u wilt. Ik zal u niets weigeren, maar iemand zal u opmerken.”’
‘U hebt de leiding over de wasvrouwen?’ vroeg Brin. De grote vrouw knikte ferm, en haar rode krullen stuiterden. ‘Dat klopt, generaal.’ Ze wendde zich tot de Aes Sedai en maakte een kniks. ‘Vrouwe Tagren, ik had u gewaarschuwd. Het Licht mag me branden als het niet waar is. Het spijt me echt.’
De vrouw die Tagren heette, boog haar hoofd. Waren dat tranen op haar wangen? Was dat zelfs maar mogelijk? Wat was hier aan de hand?
‘Vrouwe,’ zei Brin terwijl hij naast haar neerhurkte. ‘Bent u Aes Sedai? Als u dat bent, en u beveelt me te vertrekken, dan zal ik dat doen zonder nog vragen te stellen.’
Een goede aanpak. Als ze echt Aes Sedai was, kon ze niet liegen. ‘Ik ben geen Aes Sedai,’ fluisterde de vrouw.