Brin keek fronsend op naar Gawein. Wat betekende het dat ze dat zei? Een Aes Sedai kon niet liegen. Dus...
De vrouw zei zachtjes: ‘Ik heet Shemerin. Ik was Aes Sedai, ooit. Maar nu niet meer. Niet sinds...’ Ze keek weer omlaag. ‘Alstublieft. Laat me gewoon werken in mijn oneer.’
‘Wat u wilt,’ zei Brin. Toen weifelde hij. ‘Maar u moet eerst met een paar zusters in het kamp praten. Ze doen me wat als ik u niet naar hen toe breng.’
De vrouw, Shemerin, zuchtte, maar ze stond op. ‘Kom mee,’ zei Brin tegen Gawein. ‘Ik twijfel er niet aan dat ze jou ook willen spreken. Laten we het maar snel achter de rug hebben.’
25
In duisternis
Sheriam tuurde aarzelend haar donkere tent in, maar ze zag niets. Met een tevreden glimlach stapte ze naar binnen en trok de flap achter zich dicht. Alles ging voor de verandering eens vrij aardig. Natuurlijk keek ze nog altijd eerst goed in haar tent voordat ze naar binnen ging, speurend naar degene die zich wel eens binnen had verstopt. Degene die ze nooit had kunnen bespeuren, maar waarbij ze altijd het gevoel had gehad dat ze dat zou moeten kunnen. Ja, Sheriam keek nog steeds elke keer, en dat zou ze waarschijnlijk nog maanden blijven doen; maar het was nu niet nodig. Er wachtte geen fantoom om haar te straffen.
Het vierkante tentje was hoog genoeg om in te staan, met een veldbed aan de ene kant en een kist ertegenover. Er was nog net ruimte voor een tafel, maar dan zou het er zo vol staan dat ze amper bewegingsvrijheid had. Bovendien stond er een uitstekende tafel vlakbij, in Egwenes ongebruikte tent.
Er was gesproken over het toewijzen van die tent aan iemand anders. De meeste zusters moesten delen, hoewel er elke week meer tenten werden aangevoerd. Maar het onderkomen van de Amyrlin was een symbool. Zolang er hoop was op Egwenes terugkeer, moest haar tent op haar staan te wachten. Hij werd op orde gehouden door de ontroostbare Chesa, die Sheriam nog steeds regelmatig zag huilen om de gevangenschap van haar meesteres. Nou, zolang Egwene weg was, was die tent in feite beschikbaar voor Sheriam, als ze er maar niet sliep. Er werd immers van de Hoedster verwacht dat ze de belangen van de Amyrlin behartigde.
Sheriam glimlachte weer en ging op haar brits zitten. Niet zo lang geleden was haar leven een eeuwige cyclus van frustratie en pijn geweest. Nu was dat voorbij.
Die goeierd van een Romanda. Wat Sheriam verder ook over die dwaze vrouw dacht, Romanda was degene die Halima – en Sheriams straffen – het kamp uit had gejaagd.
Er zou weer pijn komen. Er kwamen altijd leed en straf kijken bij de diensten die zij verleende. Maar ze had geleerd de ogenblikken van rust te koesteren.
Af en toe wenste ze dat ze haar mond had gehouden en geen vragen had gesteld. Maar dat had ze wel gedaan, en zo stond het er nu voor. Haar bondgenootschappen hadden haar macht opgeleverd, zoals beloofd, maar niemand had haar gewaarschuwd voor de pijn. Ze had vaak gewenst dat ze de Bruine had gekozen en zich ergens in een leeszaal had verstopt, zodat ze nooit anderen tegenkwam. Maar nu was ze waar ze was. Het had geen zin om na te denken over wat had kunnen zijn.
Ze zuchtte, trok haar gewaad uit en stapte in haar nachthemd. Ze deed dat in het donker; kaarsen en olie stonden allebei op rantsoen, en nu de fondsen van de opstandelingen opdroogden, zou ze wat ze nog had moeten bewaren voor later.
Ze stapte in bed en trok de deken over zich heen. Ze was niet zo onnozel dat ze zich schuldig voelde over de dingen die ze had gedaan. Elke zuster in de Witte Toren wilde vooruitkomen; daar draaide het om in het leven! Er was geen Aes Sedai die haar zusters niet in de rug zou steken als ze dacht dat haar dat voordeel opleverde. Sheriams vrienden waren er alleen wat... ervarener in. Maar waarom moest het eind der tijden juist nu komen? Anderen in haar groepering spraken over de glorie en grote eer van leven in deze tijd, maar Sheriam was het daar niet mee eens. Ze had zich bij hen aangesloten om op te stijgen in de politiek van de Witte Toren, om de macht te hebben degenen te straffen die haar hadden gedwarsboomd. Ze had nooit willen deelnemen aan een soort van eindafrekening met de Herrezen Draak, en ze had al zeker nooit de wens gehad om iets te maken te hebben met de Uitverkorenen! Maar er was niets meer aan te doen. Ze kon beter genieten van de rust nu ze bevrijd was van zowel de afranselingen als Egwenes zelfingenomen gezwets. Jazeker...
Er stond een vrouw die zeer sterk in de Kracht was voor haar tent.
Sheriams ogen schoten open. Ze voelde andere vrouwen die konden geleiden aan, net zoals elke andere zuster. Bloedas! dacht ze zenuwachtig, terwijl ze haar ogen weer dichtkneep. Niet weer! De tentflap bewoog. Sheriam opende haar ogen en zag een pikzwarte gestalte over haar brits heen staan; de stralen maanlicht die door de tentflap naar binnen vielen, waren net voldoende om de omtrekken van de gestalte te ontwaren. Die was gehuld in een onnatuurlijke duisternis, met fladderende linten van zwarte stof erachter, en het gezicht ging verborgen in het diepe zwart. Sheriam zoog haar adem naar binnen en dook van haar bed af, om diep te buigen op de canvas-tentvloer.
Er was nauwelijks genoeg ruimte om te knielen. Ze kromp ineen en verwachtte dat de pijn haar weer zou overspoelen. ‘Ah...’ zei een raspende stem. ‘Heel goed. Je bent gehoorzaam. Ik ben tevreden.’
Het was Halima niet. Sheriam had Halima, die naar later bleek altijd saidin geleidde, nooit kunnen voelen. En Halima was ook nooit op zo’n... dramatische wijze binnengekomen.
Wat een kracht! Waarschijnlijk was dit een van de Uitverkorenen. Of in ieder geval een zeer machtige dienaar van de Grote Heer, ver boven Sheriam verheven. Dat maakte haar heel bezorgd, en ze boog trillend. ‘Ik leef om te dienen, hoge meesteresse,’ zei Sheriam snel. ‘Ik ben gezegend dat ik voor u mag buigen, dat ik mag leven in deze tijd, dat...’
‘Hou op met kletsen,’ gromde de stem. ‘Je hebt een hoge positie in dit kamp, heb ik begrepen?’
‘Ja, hoge meesteresse,’ zei Sheriam. ‘Ik ben de Hoedster van de Kronieken.’
De gestalte snoof. ‘Hoedster bij een bijeengeraapte puinhoop van zogenaamde Aes Sedai-opstandelingen. Maar dat doet er niet toe. Ik heb je nodig.’
‘Ik leef om te dienen, hoge meesteresse,’ herhaalde Sheriam, die steeds ongeruster werd. Wat wilde dit schepsel van haar? ‘Egwene Alveren. Ze moet worden verwijderd.’
‘Wat?’ vroeg Sheriam geschrokken. Een vlegel van Lucht sloeg op haar rug en ze voelde een brandende pijn. Dwaas! Wilde ze zichzelf soms ombrengen? ‘Mijn verontschuldigingen, hoge meesteresse,’ zei ze snel. ‘Vergeef me mijn uitbarsting. Maar het was juist op bevel van een van de Uitverkorenen dat ik heb geholpen haar tot Amyrlin te verheffen!’
‘Ja, maar ze is een... slechte keus gebleken. We hadden een kind nodig, geen vrouw die alleen maar het gezicht van een kind draagt. Ze moet worden verwijderd. Jij moet ervoor zorgen dat deze groep dwaze opstandelingen haar niet langer steunt. En maak een einde aan die verdomde ontmoetingen in Tel’aran’rhiod. Hoe kómen zoveel van jullie daar?’
‘We hebben ter’angreaal,’ antwoordde Sheriam weifelend. ‘Enkele in de vorm van een plaat barnsteen, een paar andere in de vorm van een ijzeren schijf. En dan nog een handvol ringen.’
‘Ah, slaapwevers,’ zei de gestalte. ‘Ja, die zouden nuttig kunnen zijn. Hoeveel?’
Sheriam aarzelde. Haar eerste ingeving was om te liegen of eromheen te draaien; dit leek haar kennis die ze tegen de bezoekster kon gebruiken. Maar liegen tegen een Uitverkorene? Slechte keus. ‘We hadden er twintig,’ zei Sheriam naar waarheid. ‘Maar een ervan was bij de vrouw Leane, die gevangen is genomen. We hebben er nog negentien over.’ Net genoeg voor ontmoetingen met Egwene in de Wereld der Dromen, één voor elke Gezetene en één voor Sheriam zelf. ‘Ja,’ siste de gestalte, gehuld in duisternis. ‘Die zijn zeker nuttig. Steel de slaapwevers en geef ze aan mij. Dit stelletje ongeregeld heeft niets te zoeken op de plek waar de Uitverkorenen komen.’
‘Ik...’ De ter’angreaal stelen? Hoe moest ze dat voor elkaar krijgen? ‘Ik leef om te dienen, hoge meesteresse.’