Выбрать главу

‘Ja, dat klopt. Doe dit voor me, dan zul je rijkelijk worden beloond. Stel me teleur...’ De gestalte bleef even zwijgen. ‘Je hebt drie dagen. Elk van de slaapwevers die je in die tijd niet weet te bemachtigen, kost je een vinger of teen.’ Daarmee opende de Uitverkorene een Poort midden in de tent en verdween erdoor. Aan de andere kant ving Sheriam een glimp op van de betegelde gangen van de Witte Toren.

De slaapwevers stelen? Alle negentien? Binnen drie dagen? Duisternis boven! dacht Sheriam. Ik had moeten liegen over hoeveel we er hebben! Waarom heb ik niet gelogen?

Ze bleef op haar knieën liggen en ademde lange tijd alleen maar in en uit, nadenkend over haar netelige situatie. Haar tijd van rust was afgelopen, blijkbaar. Hij was kort geweest.

‘Ze moet natuurlijk terechtstaan,’ zei Seaine. De Witte zuster met de zachte stem zat op een stoel, voor haar neergezet door de twee Rode zusters die bij Egwenes cel de wacht hielden. De celdeur stond open en Egwene zat binnen op een kruk, ook verschaft door de Rode zusters. De twee wachters, de mollige Cariandre en de strenge Patrinda, keken aandachtig toe vanuit de gang, en allebei omhelsden ze de Kracht en hielden het schild om Egwene in stand. Ze keken alsof ze verwachtten dat Egwene ervandoor zou gaan, naar de vrijheid zou vluchten.

Egwene negeerde hen. Haar twee dagen gevangenschap waren niet aangenaam geweest, maar ze zou dit waardig ondergaan. Zelfs al sloten ze haar op in een klein kamertje met een deur die geen licht doorliet. Zelfs al weigerden ze haar andere kleding te geven dan het met bloed besmeurde Novicegewaad dat ze droeg. Zelfs al ranselden ze haar elke dag af om hoe ze tegen Elaida had gesproken. Egwene zou niet buigen.

De Rode zusters lieten met tegenzin bezoeksters bij haar, want zo stond het in de Torenwet.

Egwene was verbaasd dat ze bezoek kreeg, maar Seaine was niet de enige die bij haar was gekomen. Enkele van haar bezoeksters waren Gezetenen geweest. Merkwaardig. Toch smachtte Egwene naar nieuws. Hoe reageerde men in de Toren op haar gevangenschap? Waren de kloven tussen de Ajahs nog steeds diep en breed, of had haar werk er een begin van een brug tussen gebouwd? ‘Elaida heeft nadrukkelijk de Torenwet geschonden,’ verklaarde Seaine. ‘In het bijzijn van vijf Gezetenen van vijf verschillende Ajahs. Ze heeft geprobeerd een hoorzitting te voorkomen, maar dat is niet gelukt. Er waren er echter wel een paar die naar haar argument luisterden.’

‘En dat was?’ vroeg Egwene.

‘Dat je een Duistervriend bent,’ zei Seaine. ‘En dat ze je daarom uit de Toren had weggestuurd en je vervolgens afranselde.’ Egwene verkilde. Als Elaida genoeg steun voor dat argument kreeg... ‘Het blijft niet overeind,’ zei Seaine geruststellend. ‘Dit is geen achterlijk dorp waar de Drakentand op iemands deur genoeg is om hem te veroordelen.’

Egwene trok haar wenkbrauw op. Ze was opgegroeid in een ‘achterlijk dorp’, en daar waren ze altijd zo verstandig geweest om op zoek te gaan naar meer dan geruchten alleen om iemand te veroordelen, ongeacht de misdaad. Maar ze zei niets. ‘Die beschuldiging bewijzen valt niet mee, volgens de gedragslijnen van de Toren,’ zei Seaine. ‘En dus vermoed ik dat ze niet zal proberen die tijdens een hoorzitting te bewijzen. Deels omdat ze jou daarbij de gelegenheid moet geven voor jezelf te spreken, en ik denk dat ze je verborgen zal willen houden.’

‘Ja,’ zei Egwene, kijkend naar de wachtende Rode zusters. ‘Je zult wel gelijk hebben. Maar als ze niet kan bewijzen dat ik een Duistervriend ben, en niet kan voorkomen dat er een hoorzitting komt...’

‘Het is geen overtreding waarom ze afgezet kan worden,’ zei Seaine. ‘De maximale straf is uitsluiting van de Zaal en boetedoening gedurende een maand. Ze zou de stola behouden.’ Ze zou echter wel veel geloofwaardigheid verliezen, dacht Egwene. Dat was bemoedigend. Maar hoe moest ze zorgen dat Elaida haar niet gewoon bleef verstoppen? Ze moest de druk op Elaida in stand houden, en dat werd heel lastig als ze de hele dag in een cel zat! Het duurde nog niet zo lang, maar nu al vraten de verloren kansen aan haar.

‘Ga jij naar die hoorzitting?’ vroeg Egwene.

‘Natuurlijk,’ antwoordde Seaine gelijkmoedig, zoals Egwene van de Witte zuster was gaan verwachten. Sommige Witte zusters waren een en al koelte en logica. Seaine was veel warmer, maar toch nog erg behoudend. ‘Ik ben een Gezetene, Egwene.’

‘Ik neem aan dat jullie nog steeds de gevolgen zien van de Duistere die zich roert?’ Egwene huiverde en keek naar de celvloer, terugdenkend aan wat er met Leane was gebeurd. Haar eigen cel was veel soberder dan die van Leane, misschien vanwege de beschuldiging dat ze een Duistervriend was.

‘Ja.’ Seaines stem werd zachter. ‘Ze lijken erger te worden. Dienaren die sterven. Voedsel dat bederft. Hele stukken van de Toren die willekeurig worden verplaatst. De tweede keuken is gisteravond naar de zesde verdieping verhuisd, en een heel stuk van het kwartier van de Gele Ajah zit nu in de kelder. Hetzelfde als wat eerder bij de Bruine gebeurde, en dat is ook nog steeds niet opgelost.’ Egwene knikte. Door de wijze waarop delen van de Toren waren verschoven, woonden de weinige Novices van wie de kamers niet waren verplaatst nu op de een- en tweeëntwintigste verdieping, waar het kwartier van de Bruine Ajah was geweest. De Bruine zusters waren met tegenzin allemaal naar de vleugel beneden verhuisd. Zou het een blijvende verandering zijn? Tot nu toe hadden de zusters altijd in de Toren zelf gewoond, en de Novices en Aanvaarden in de vleugel.

‘Je moet die dingen ter sprake brengen, Seaine,’ zei Egwene zacht. ‘Blijf de zusters eraan herinneren dat de Duistere zich roert en dat de Laatste Slag nadert. Laat ze hun aandacht houden bij samenwerken, niet bij verdeling.’

Achter Seaine keek een van de Rode zusters naar de kaars op tafel. De tijd waarin Egwene bezoek mocht ontvangen liep af. Straks zou ze weer worden opgesloten; ze rook het stoffige, onververste stro achter haar.

‘Je moet hard werken, Seaine,’ zei Egwene, die opstond toen de Rode zusters kwamen aanlopen. ‘Doe wat ik niet kan doen. Vraag de anderen om dat ook te doen.’

‘Ik zal het proberen,’ zei Seaine. Ze stond op en keek toe terwijl de Rode zusters Egwenes kruk pakten en haar beduidden terug te gaan in haar cel. De zoldering was er zo laag dat ze niet rechtop kon staan. Egwene stapte met tegenzin gebukt naar binnen. ‘De Laatste Slag komt eraan, Seaine. Vergeet dat niet.’ De Witte zuster knikte, en de deur ging dicht en sloot Egwene in het donker op.

Egwene ging zitten. Ze voelde zich zo blind! Wat zou er tijdens de hoorzitting gebeuren? Zelfs als Elaida werd gestraft, wat zou er dan van Egwene worden? Elaida zou proberen haar te laten terechtstellen. En ze had er nog altijd redenen voor, want Egwene had zich – volgens de definitie van de Witte Toren – uitgegeven voor de Amyrlin Zetel. Ik moet standvastig blijven, hield Egwene zichzelf in de duisternis voor. Ik heb deze ketel zelf opgewarmd en nu moet ik erin koken, als dat de Toren beschermt. De anderen wisten dat ze zich bleef verzetten. Dat was alles wat ze hun kon bieden.

26

Een barst in het steen

Aviendha keek uit over het terrein bij het landhuis, waar het wemelde van de mensen die zich voorbereidden op hun vertrek. Basheres mannen en vrouwen waren goed geoefend voor natlanders, en ze werkten efficiënt terwijl ze hun tenten opvouwden en hun spullen inpakten. Maar vergeleken bij de Aiel deden de overige natlanders, die geen soldaten waren, maar wat. Kampvrouwen draafden overal rond, alsof ze zeker wisten dat ze een taak onuitgevoerd of een voorwerp oningepakt zouden laten. De boodschappenjongens renden met hun vrienden mee en deden alsof ze het druk hadden, zodat ze geen echt werk zouden hoeven doen.

De burgertenten en andere spullen werden slechts traag ingepakt en opgeborgen, en ze zouden paarden, wagens en menners nodig hebben om iedereen daarheen te krijgen waar ze naartoe moesten. Aviendha schudde haar hoofd. De Aiel namen alleen mee wat ze konden dragen, en hun strijdtroep bestond uitsluitend uit soldaten en Wijzen. En als er meer dan alleen speren nodig waren voor een langdurige veldtocht, wisten alle arbeiders en ambachtslieden hoe ze zich snel en doelmatig op het vertrek moesten voorbereiden. Daar lag eer in. Eer die eiste dat iedereen in staat was voor zichzelf en zijn gezin te zorgen, zonder de stam te hinderen.