Выбрать главу

Ze draaide zich weer om naar haar taak. De enigen die op een dag als vandaag werkelijk geen eer hadden, waren degenen die niet werkten. Ze stak haar vinger in de emmer water op de grond voor haar, hief haar hand en liet die boven een tweede emmer hangen. Een druppel water viel omlaag. Ze verplaatste haar hand en deed het opnieuw.

Dit was een straf waarin geen enkele natlander enige betekenis zou zien. Ze zouden denken dat het eenvoudig werk was, zittend op de grond met haar rug tegen de houten balken van het landhuis. Haar hand heen en weer bewegen, de ene emmer legen en de andere vullen, druppel voor druppel. Voor hen zou het amper een straf zijn. Maar dat kwam doordat natlanders vaak lui waren. Ze lieten liever water in emmers druipen dan stenen te dragen. Stenen dragen was echter een activiteit, en activiteit was goed voor lichaam en geest. Water verplaatsen was zinloos. Nutteloos. Ze kon er haar benen niet bij strekken of haar spieren oefenen. En ze deed het terwijl de rest van het kamp de tenten afbrak voor de tocht. Dat maakte de straf nog tien keer zo vernederend! Ze verdiende toh voor elk ogenblik dat ze niet hielp, en ze kon er helemaal niets tegen doen. Behalve water verplaatsen. Druppel, voor druppel, voor druppel. Het maakte haar boos. Toen maakte die boosheid haar beschaamd. De Wijzen lieten zich nooit zo door hun gevoelens leiden. Ze moest geduldig blijven en proberen te begrijpen waarom ze werd gestraft. Zelfs haar pogingen om het vraagstuk te benaderen gaven haar de neiging te schreeuwen. Hoe vaak kon ze in gedachten tot dezelfde gevolgtrekkingen komen? Misschien was ze te dom om erachter te komen. Misschien verdiende ze het niet om een Wijze te zijn. Aviendha stak haar hand weer in de emmer en verplaatste nog een druppel water. Ze was niet ingenomen met wat deze straffen met haar deden. Ze was een strijder, ook al droeg ze niet langer de speer. Ze vreesde haar straf niet, en ze had ook geen angst voor pijn, maar ze vreesde wel steeds meer dat ze de moed zou verliezen en even nutteloos zou worden als een zandstaarder.

Ze wilde een Wijze worden, wilde dat wanhopig graag. En daar keek ze van op, want ze had nooit gedacht dat ze naar iets zou kunnen verlangen met dezelfde hartstocht als waarmee ze lang geleden de speren wilde. Maar terwijl ze de afgelopen maanden de Wijzen had bestudeerd en haar eerbied voor hen was gegroeid, had ze zichzelf aanvaard als hun gelijke, om te helpen de Aiel te begeleiden in deze zo gevaarlijke tijd. De Laatste Slag zou een beproeving worden zoals haar mensen die nog nooit hadden doorstaan. Amys en de anderen werkten ter bescherming van de Aiel, en Aviendha zat waterdruppels te verplaatsen! ‘Gaat het goed met je?’ vroeg een stem.

Aviendha schrok en keek op, en ze reikte zo abrupt naar haar mes dat ze bijna de emmers water omgooide. Een vrouw met kort, donker haar stond een stukje verderop in de schaduw van het gebouw. Min Farsens armen waren over elkaar geslagen, en ze ging gekleed in een kobaltblauwe jas met zilveren borduursel. Ze droeg een stola om haar schouders.

Aviendha ontspande zich en liet haar mes los. Nu liet ze zich ook al besluipen door natlanders? ‘Ja, het gaat goed,’ zei ze, uit alle macht proberend niet te blozen.

Haar toon en houding hadden erop moeten wijzen dat het haar schande bracht om te worden aangesproken, maar Min scheen het niet te merken. De vrouw draaide zich om en keek uit over het kamp. ‘Heb je... niets te doen?’

Aviendha kon deze keer haar blos niet onderdrukken. ‘Ik doe wat ik moet doen.’

Min knikte, en Aviendha dwong zichzelf haar ademhaling te kalmeren. Ze kon het zich niet veroorloven boos te worden op die vrouw. Haar eerstezuster had haar gevraagd aardig tegen Min te zijn. Ze besloot zich niet beledigd te voelen. Min wist niet wat ze deed. ‘Ik hoopte dat ik even met je kon praten,’ zei Min, nog steeds uitkijkend over het kamp. ‘Ik weet niet wie ik anders kan benaderen. Ik vertrouw de Aes Sedai niet, en hij ook niet. Ik weet niet of hij nog wel iemand vertrouwt. Misschien mij niet eens.’ Aviendha keek opzij en zag dat Min keek naar Rhand Altor die door het kamp liep, gekleed in een zwarte jas en met zijn roodgouden haar gloeiend in het middaglicht. Hij leek uit te torenen boven de Saldeanen die bij hem waren.

Aviendha had gehoord over de gebeurtenissen van de vorige avond, toen hij was aangevallen door Semirhage. Een van de Schaduwzielen zelf; Aviendha wenste dat ze het schepsel had kunnen zien voordat ze was omgebracht. Ze huiverde.

Rhand Altor had gevochten en gewonnen. Hoewel hij zich meestal als een dwaas gedroeg, was hij wel vaardig – en zat het geluk hem mee – als strijder. Wie anders kon beweren eigenhandig zoveel Schaduwzielen te hebben verslagen als hij ? Hij had veel eer in zich. Door zijn gevecht had hij littekens opgelopen die zij nog niet begreep. Ze voelde zijn pijn. Ze had het ook gevoeld toen Semirhage aanviel, hoewel ze aanvankelijk dacht dat hij een nachtmerrie had. Ze had al snel beseft dat ze zich vergiste. Geen enkele nachtmerrie kon zo verschrikkelijk zijn. Ze voelde nog altijd echo’s van die ongelooflijke pijn, die folterende golven, de razernij in hem.

Aviendha had alarm geslagen, maar niet snel genoeg. Ze had toh aan hem voor haar vergissing; daar zou ze mee afrekenen zodra ze klaar was met haar straffen. Als ze daar ooit mee klaar was. ‘Rhand Altor zal zijn problemen oplossen,’ zei ze, terwijl ze nog wat water liet druppelen.

‘Hoe kun je dat nou zeggen?’ vroeg Min. ‘Voel je zijn pijn niet?’

‘Ik voel het doorlopend,’ antwoordde Aviendha met opeengeklemde kiezen. ‘Maar hij moet zijn eigen beproevingen onder ogen zien, net zoals ik dat doe. Misschien komt er een dag dat hij en ik ze samen onder ogen kunnen zien, maar nu nog niet.’ Ik moet eerst zijn gelijke zijn, voegde ze er in gedachten aan toe. Ik wil niet naast hem staan als zijn ondergeschikte.

Min keek haar onderzoekend aan en Aviendha verkilde terwijl ze zich afvroeg wat voor beelden de vrouw zag. Men zei dat haar toekomstvoorspellingen altijd uitkwamen. ‘Je bent niet wat ik had verwacht,’ zei Min uiteindelijk. ‘Heb ik je misleid?’ vroeg Aviendha fronsend. ‘Nee, dat niet,’ zei Min met een klein lachje. ‘Ik bedoel dat ik me in je heb vergist, denk ik. Ik wist niet echt wat ik moest denken, na die avond in Caemlin toen... nou, die nacht toen we de binding aangingen met Rhand. Ik heb het gevoel dat ik dicht bij je sta, maar tegelijkertijd ver van je af sta.’ Ze haalde haar schouders op. ‘Ik denk dat ik had verwacht dat je naar me toe zou komen zodra je in het kamp aankwam. We hadden dingen te bespreken. Toen je niet kwam, maakte ik me zorgen. Ik dacht dat ik je misschien had beledigd.’

‘Je hebt geen toh aan mij,’ antwoordde Aviendha. ‘Mooi,’ zei Min. ‘Ik ben soms nog steeds bang dat we... tot een confrontatie zullen komen.’

‘En wat zou een confrontatie voor zin hebben?’

‘Weet ik niet,’ antwoordde Min schouderophalend. ‘Ik dacht dat het misschien een Aiels gebruik was. Dat je me zou uitdagen tot een ere-gevecht. Om hem.’

Aviendha snoof. ‘Vechten om een man? Wie zou er nou zoiets doen? Als je toh aan mij had, dan zou ik misschien kunnen eisen dat we de speren dansten, maar alleen als je een Speervrouwe was. En alleen als ik er ook nog steeds een was. Ik neem aan dat we kunnen vechten met messen, maar dat zou nauwelijks een eerlijke strijd worden. Wat valt er voor eer te winnen bij een gevecht tegen iemand zonder vaardigheid?’

Min bloosde alsof Aviendha haar had beledigd. Wat een merkwaardige reactie. ‘Ach, dat weet ik niet,’ zei Min, die een mes uit haar mouw liet vallen en het over haar knokkels liet draaien. ‘Ik ben niet bepaald weerloos.’ Ze liet het mes in haar andere mouw weer verdwijnen. Waarom pochten de natlanders toch altijd zo met dergelijke kunstjes met hun messen? Thom Merrilin had dat ook vaak gedaan. Begreep Min niet dat Aviendha haar keel al drie keer had kunnen afsnijden in de tijd die het haar kostte om als een straatkunstenaar met dat mes te spelen? Aviendha zei echter niets. Min was overduidelijk trots op haar vaardigheid, en het was niet nodig om haar te beschamen.