Выбрать главу

‘Het is niet belangrijk,’ zei Aviendha, die doorging met haar werk. ‘Ik zou alleen met je vechten als je me diep beledigde. Mijn eerstezuster ziet je als vriendin, en ik zou dat ook graag doen.’

‘Goed,’ zei Min, die haar armen over elkaar sloeg en omkeek naar Rhand. ‘Nou, ik neem althans aan dat het goed is. Ik moet toegeven dat de gedachte om te delen me niet zo bevalt.’ Aviendha aarzelde, en toen stak ze haar vinger weer in de emmer. ‘Mij ook niet.’ Althans, het beviel haar niet om te delen met een vrouw die ze niet zo goed kende. ‘Wat gaan we dan doen?’

‘Doorgaan zoals nu,’ zei Aviendha. ‘Jij hebt wat je wilt, en ik word in beslag genomen door andere dingen. Als dat verandert, zal ik het je laten weten.’

‘Dat is... eerlijk van je,’ zei Min met een verwarde blik. ‘Je wordt in beslag genomen door andere dingen? Zoals je vinger in een emmer water dopen?’

Aviendha bloosde weer. ‘Ja,’ snauwde ze. ‘Dat soort dingen. Neem me niet kwalijk.’ Ze stond op en beende weg bij de emmers. Ze wist dat ze haar geduld niet had moeten verliezen, maar ze kon er niets aan doen. Min die herhaaldelijk op haar straf wees. Haar onvermogen om te ontcijferen wat de Wijzen van haar wilden. Rhand Altor die zichzelf doorlopend in gevaar bracht, terwijl Aviendha geen vinger kon uitsteken om hem te helpen.

Ze kon er niet meer tegen. Ze liep over het bruine stro op het terrein bij het landhuis, balde en ontspande haar vuisten en bleef bij Rhand uit de buurt. Zoals deze dag tot nu toe verliep, zou hij haar gerimpelde vinger opmerken en vragen waarom ze ermee in het water had gezeten! Als hij ontdekte dat de Wijzen haar straften, zou hij waarschijnlijk iets overhaasts doen en zich voor gek zetten. Zo waren mannen, en Rhand Altor nog wel het meest. Ze beende over de verende grond, het bruine stro vol vierkante indrukken waar tenten hadden gestaan, en zocht zich een weg tussen de natlanders door die her en der ronddraafden. Ze kwam langs een rij soldaten die zakken graan naar elkaar door gooiden en die op een wagen laadden met twee trekpaarden met grote hoeven, ervoor. Ze liep door en probeerde uit alle macht niet te ontploffen. De waarheid was dat ze de neiging had om net zoiets ‘overhaasts’ te doen als Rhand Altor. Waarom? Waarom kon ze er niet achter komen wat ze verkeerd deed? De andere Aiel in het kamp leken even onwetend als zij, hoewel zij natuurlijk niet tegen haar hadden gesproken over haar straffen. Ze kon zich nog goed herinneren dat ze gelijksoortige straffen bij anderen had gezien toen ze Speervrouwe was, en ze had altijd geweten dat ze zich niet met zaken van de Wijzen moest bemoeien.

Ze liep om de wagen heen en zag dat ze weer in de richting van Rhand Altor ging. Hij praatte met drie kwartiermeesters van Davram Bashere, en hij stak een kop boven hen alle drie uit. Een van hen, een man met een lange zwarte snor, wees naar de piketlijnen en zei iets.

Rhand kreeg Aviendha in het oog en stak zijn hand naar haar op, maar ze draaide zich snel om en liep naar het kamp van de Aiel, aan de noordkant van het veld.

Ze knarste met haar tanden en probeerde – tevergeefs – haar woede te bedwingen. Had ze geen recht op woede, al was het maar op zichzelf? De wereld liep bijna ten einde, en zij werd hele dagen gestraft! Verderop zag ze een groepje Wijzen – Amys, Bair en Melaine – bij een stapel bruine tenten staan. De strakke, rechthoekige bundels waren voorzien van riemen om ze eenvoudig over de schouder te kunnen meedragen.

Aviendha had moeten terugkeren naar haar emmers en haar inspanningen moeten verdubbelen. Maar dat deed ze niet. Als een kind dat met een stok achter een moeraskat aan zat, beende ze briesend naar de Wijzen toe.

‘Aviendha?’ vroeg Bair. ‘Heb je je straf al voltooid?’

‘Nee, dat heb ik niet,’ zei Aviendha. Ze ging voor hen staan, met haar handen tot vuisten gebald langs haar lichaam. De wind trok aan haar hemd, maar ze liet het wapperen. Haastige kamparbeiders – Aiel en Saldeanen – liepen met een grote boog om de groep heen. ‘Dus?’ vroeg Bair.

‘Je leert niet snel genoeg,’ zei Amys, schuddend met haar grijze hoofd. ‘Ik leer niet snel genoeg?’ wilde Aviendha weten. ‘Ik heb alles geleerd wat jullie van me hebben gevraagd! Ik heb elke les uit mijn hoofd geleerd, alle feiten herhaald, alle plichten uitgevoerd. Ik heb al jullie vragen beantwoord en jullie goedkeurend zien knikken bij elk antwoord!’

Ze staarde hen strak aan en vervolgde: ‘Ik kan beter geleiden dan elke andere levende Aielvrouw. Ik heb de speren achtergelaten en verwelkom mijn plaats onder jullie. Ik heb mijn plicht gedaan en bij alle gelegenheden naar eer gestreefd. Maar jullie blijven me straffen! Ik pik het niet meer. Zeg wat jullie van me willen, of stuur me weg.’

Ze verwachtte woede. Ze verwachtte teleurstelling. Ze verwachtte dat ze zouden uitleggen dat een eenvoudige leerling geen volle Wijzen in twijfel mocht trekken. Ze verwachtte in het beste geval een nog zwaardere straf voor haar vermetelheid.

Amys keek naar Melaine en Bair. ‘Wij zijn niet degenen die je straffen, kind,’ zei ze, en ze scheen haar woorden zorgvuldig te kiezen. ‘Die straffen komen door je eigen hand.’

‘Wat ik ook heb gedaan,’ zei Aviendha, ‘ik zie niet in dat jullie me daarom da’tsang moeten maken. Jullie beschamen jezelf door me zo te behandelen.’

‘Kind,’ zei Amys, die haar in de ogen keek. ‘Wijs je onze straffen af?’

‘Ja,’ zei ze met bonzend hart. ‘Dat doe ik inderdaad.’

‘Denk je dat jouw belangen even groot zijn als die van ons?’ vroeg Bair, die haar hand boven haar verweerde gezicht zette. ‘Matig je je aan dat je onze gelijke bent?’

Hun gelijke? dacht Aviendha terwijl ze werd bekropen door paniek. Ik ben hun gelijke niet! Ik heb nog jaren van leren voor de boeg. Waar ben ik mee bezig?

Kon ze nog terug? Om vergiffenis smeken, op de een of andere wijze haar toh onder ogen zien? Ze zou zich terug moeten haasten naar haar straf en water moeten verplaatsen. Ja! Dat moest ze doen. Ze moest hier weg en...

‘Ik zie geen reden meer om te leren,’ hoorde ze zichzelf in plaats daarvan zeggen. ‘Als die straffen alles zijn wat jullie me nog te leren hebben, dan moet ik aannemen dat ik alles heb geleerd wat ik weten moet. Ik ben klaar om me bij jullie aan te sluiten.’ Ze knarste met haar tanden en wachtte op een uitbarsting van woedend ongeloof.

Wat haalde ze zich in haar hoofd? Ze had zich niet zo moeten laten opjutten door het domme gezwets van Min. En toen begon Bair te lachen.

Het was een hartelijk, vol geluid, dat niet paste bij de kleine vrouw.

Melaine lachte met haar mee, en de goudblonde Wijze hield haar buik vast, die lichtjes bolde door haar zwangerschap. ‘Het kostte haar nog langer dan jou, Amys!’ riep Melaine. ‘Zo koppig heb ik ze nog nooit gezien.’

Amys’ gezicht stond voor haar doen mild. ‘Welkom, zuster,’ zei ze tegen Aviendha.

Aviendha knipperde met haar ogen. ‘Wat?’

‘Je bent nu een van ons, meisje!’ zei Bair. ‘Of dat zul je binnenkort zijn.’

‘Maar ik heb jullie getart!’

‘Een Wijze mag niet over zich heen laten lopen,’ antwoordde Amys. ‘Als ze tot onze zusterorde toetreedt terwijl ze nog denkt als een leerling, dan zal ze zichzelf nooit zien als een van ons.’ Bair keek naar Rhand Altor, die in de verte stond te praten met Sarene. ‘Ik heb nooit beseft hoe belangrijk onze gebruiken waren totdat ik die Aes Sedai bestudeerde. De zusters onderaan glimlachen en bedelen als honden, en ze worden genegeerd door degenen die zich beter voelen. Het is een wonder dat ze iets bereiken!’

‘Maar er zijn toch ook rangen onder de Wijzen?’ vroeg Aviendha. ‘Rangen?’ Amys keek verwonderd. ‘Sommigen van ons hebben meer eer dan anderen, verdiend door hun wijsheid, handelen of ervaring.’ Melaine stak haar vinger op. ‘Maar het is belangrijk – wezenlijk zelfs – dat elke Wijze bereid is haar eigen bron te verdedigen. Als ze denkt dat ze gelijk heeft, dan mag ze zich niet opzij laten duwen, zelfs niet door andere Wijzen, hoe oud of wijs die ook zijn.’