Выбрать главу

‘Geen enkele vrouw is klaar om zich bij ons aan te sluiten totdat ze dat zelf verklaart,’ vervolgde Amys. ‘Ze moet zich bij ons aanbieden als een gelijke.’

‘Een straf is pas een echte straf als je die aanvaardt, Aviendha,’ zei Bair, nog altijd glimlachend. ‘Wij vonden dat je er weken geleden al klaar voor was, hoewel jij koppig weigerde te gehoorzamen.’

‘Ik begon al bijna te denken dat je trots was, meisje,’ voegde Melaine er met een glimlach vol genegenheid aan toe. ‘Nee, geen meisje meer,’ wierp Amys tegen.

‘O, ze is nog steeds een meisje,’ zei Bair. ‘Totdat er nog één ding is gedaan.’

Aviendha voelde zich verdoofd. Ze hadden gezegd dat ze niet snel genoeg leerde. Leerde voor zichzelf op te komen! Aviendha had zich nooit door anderen laten koeioneren, maar dit waren geen ‘anderen’, dit waren Wijzen, en zij was de leerling. Wat zou er zijn gebeurd als Min haar niet tegen de haren in had gestreken? Ze zou die vrouw moeten bedanken, ook al besefte Min niet wat ze had gedaan. Tot er nog één ding is gedaan... ‘Wat moet ik nog doen?’ vroeg Aviendha.

‘Rhuidean,’ antwoordde Bair.

Natuurlijk. Een Wijze bezocht die heilige stad twee maal in haar leven. Eenmaal wanneer ze leerling werd, eenmaal wanneer ze een volle Wijze werd.

‘Het zal er nu anders zijn,’ zei Melaine. ‘Rhuidean is niet meer wat het ooit was.’

‘Dat is geen reden om de oude gebruiken te laten varen,’ antwoordde Bair. ‘De stad mag dan open zijn, maar niemand zal zo dom zijn om tussen de pilaren door te lopen. Aviendha, je moet...’

‘Bair,’ onderbrak Amys haar, ‘als je het goed vindt, wil ik het haar graag vertellen.’

Bair weifelde, maar toen knikte ze. ‘Ja, natuurlijk. Dat is beter. We keren je nu de rug toe, Aviendha. We zullen je pas weer zien wanneer je bij ons terugkeert als een zuster die terug is van een lange reis.’

‘Een zuster van wie we waren vergeten dat we die kenden,’ zei Melaine glimlachend. De twee wendden zich van haar af en Amys liep naar het Reisterrein. Aviendha haastte zich om haar in te halen. ‘Deze keer mag je je kleding aanhouden,’ zei Amys, ‘omdat het een teken is van je status. Als het er anders voor stond, zou ik je aanraden te voet naar de stad te gaan, ook al kennen we het Reizen nu, maar ik denk dat we in dit geval het gebruik beter kunnen aanpassen. Maar toch moet je niet rechtstreeks naar de stad Reizen. Ik stel voor dat je naar de Koudrotsveste Reist en van daaruit verder te voet gaat. Je moet tijd doorbrengen in het Drievoudige Land om je tocht te overpeinzen.’

Aviendha knikte. ‘Ik zal een waterbuidel en proviand nodig hebben.’

‘Die liggen op je te wachten bij de veste,’ zei Amys. ‘We hadden verwacht dat je deze kloof sneller zou overbruggen. Je had het dagen geleden al moeten doen, na alle aanwijzingen die we je hadden gegeven.’ Ze keek naar Aviendha, die haar blik op de grond richtte.

‘Je hebt geen reden tot schaamte,’ zei Amys. ‘Die last dragen wij. Ondanks Bairs grapjes heb je het goed gedaan. Sommige vrouwen laten zich maanden en nog eens maanden straffen voordat ze besluiten dat ze er genoeg van hebben. We moesten wel hard voor je zijn, kind. Harder dan we ooit zijn geweest voor een leerling die er klaar voor was. Er is zo weinig tijd!’

‘Ik begrijp het,’ zei Aviendha. ‘En... dank je.’

Amys snoof. ‘Je hebt ons gedwongen heel vindingrijk te zijn. Onthoud deze tijd en de schande die je hebt gevoeld, want het is de schande die elke da’tsang zal kennen als je hen aan dat lot uitlevert. En zij kunnen er niet aan ontkomen door eenvoudigweg te eisen dat ze worden vrijgelaten.’

‘Wat moet je doen als een leerling tijdens de eerste maanden van haar onderwijs al verklaart dat ze er klaar voor is een Wijze te zijn?’

‘Haar een paar oorvijgen geven en dan gaten laten graven, vermoed ik,’ zei Amys. ‘Ik heb nog nooit gehoord dat zoiets is gebeurd. Alleen Sevanna is er dicht bij in de buurt gekomen.’ Aviendha had zich al afgevraagd waarom de Wijzen de Shaido zonder klagen hadden aanvaard. Haar verklaring was voldoende geweest; daarna waren Amys en de anderen gedwongen haar te aanvaarden.

Amys trok haar stola dichter om haar hals. ‘Er ligt een bundel voor je bij de Speervrouwen die het Reisterrein bewaken. Zodra je in Rhuidean aankomt, moet je naar het midden van de stad. Daar vind je de pilaren van glas. Loop er middendoor en keer dan hier terug. Besteed je dagen van naar de stad rennen goed. We hebben je erg onder druk gezet, zodat je deze tijd voor overpeinzing zou hebben. Het zal waarschijnlijk lang duren voordat je er weer gelegenheid voor hebt.’

Aviendha knikte. ‘De Slag nadert.’

‘Ja. Keer snel terug als je tussen de pilaren door bent gelopen. We moeten bespreken hoe we het beste kunnen omgaan met de Car’a’carn. Hij is... veranderd sinds gisteravond.’

‘Ik begrijp het,’ zei Aviendha, die diep ademhaalde. ‘Ga nu,’ zei Amys, ‘en keer terug.’ Ze legde nadruk op dat laatste woord. Sommige vrouwen overleefden Rhuidean niet. Aviendha keek Amys in de ogen en knikte. Amys was in veel opzichten een tweede moeder voor haar geweest. Ze werd beloond met een zeldzame glimlach. Toen keerde Amys Aviendha de rug toe, net zoals de andere twee hadden gedaan.

Aviendha haalde nog eens diep adem en keek om naar het vertrapte gras voor het landhuis, waar Rhand sprak met de kwartiermeesters, met een streng gezicht en de handloze arm op zijn rug terwijl hij met de andere arm druk gebaarde. Ze glimlachte naar hem, ook al keek hij niet haar kant op. Ik kom terug voor jou, dacht ze.

Toen draafde ze naar het Reisterrein, pakte de ransel en weefde een Poort die haar op veilige afstand van de Koudrotsveste zou brengen, bij een rotsformatie die bekendstond als de Speer van de Speervrouwe, van waaruit ze naar de veste kon rennen om zich voor te bereiden. De Poort ging open naar de vertrouwde, droge lucht van de Woestenij.

Ze dook door de Poort en verheugde zich – eindelijk – over wat er net was gebeurd. Haar eer was teruggekeerd.

‘Ik ben naar buiten gekomen door een kleine waterpoort, Aes Sedai,’ zei Shemerin, die haar hoofd boog voor de anderen in de tent. ‘Eigenlijk was het niet zo moeilijk, zodra ik de Toren had verlaten en in de stad was. Ik durfde niet over een van de bruggen te vertrekken. De Amyrlin mocht niet weten wat ik deed.’ Romanda keek toe, met haar armen over elkaar geslagen. Haar tent werd verlicht door twee koperen lampen waarin vlammetjes dansten. Zes vrouwen luisterden naar het verhaal van de wegloopster. Lelaine was er ook bij, ook al had Romanda geprobeerd te voorkomen dat ze over de bijeenkomst zou horen. Romanda had gehoopt dat de slanke Blauwe het te druk zou hebben met genieten van haar status in het kamp om zich druk te maken over zo’n schijnbaar onbelangrijke gebeurtenis.

Naast haar zat Siuan. De vroegere Amyrlin had zich aan Lelaine vastgeklampt met de kracht van een zeepok. Romanda was best ingenomen met haar pas verworven vermogen om een gesuste te Helen – ze was immers een Gele – maar een deel van haar wenste dat het Siuan niet was overkomen. Alsof Lelaine al niet erg genoeg was. Romanda was Siuans sluwe aard niet vergeten, ook al leek dat bij zoveel anderen in het kamp wel het geval te zijn. Dat ze minder sterk was in de Kracht betekende nog niet dat ze minder vermogen tot kuiperij had.

Sheriam was er natuurlijk ook bij. De roodharige Hoedster zat naast Lelaine. Sheriam was de laatste tijd in zichzelf gekeerd en wist amper de waardigheid van een Aes Sedai te bewaren. Dwaze vrouw. Ze moest worden afgezet; iedereen zag dat in. Als Egwene ooit terugkeerde – en Romanda hoopte dat ze dat deed, al was het maar omdat dat Lelaines plannen zou dwarsbomen – dan zou er een kans ontstaan. Een nieuwe Hoedster.

De andere aanwezige in de tent was Magla. Romanda en Lelaine hadden geruzied – beheerst, natuurlijk – over wie Shemerin als eerste mocht ondervragen. Ze hadden besloten dat de enige eerlijke aanpak was om het samen te doen.