‘Dat was niet natuurlijk,’ zei Magla zachtjes. ‘Dat waren vierpuntkakkerlakken. Zeelieden zien ze wel eens op schepen naar Shara.’
‘Nou, het is niet het ergste wat we van de Duistere hebben gezien,’ zei Siuan, die haar armen over elkaar sloeg. ‘En er komen nog wel ergere dingen; let op mijn woorden.’ Ze keek naar Shemerin. ‘Kom, ik wil die kaart van je hebben.’
Ze vertrokken samen met Rorik en de anderen, die de rest op de hoogte zouden brengen dat de Duistere het kamp vanavond had aangeraakt. Romanda bleef naar de brandende tent staan kijken. Even later bestond die enkel nog uit smeulende resten. Licht, dacht ze. Egwene heeft gelijk. Het is bijna zover. En dat meisje zat nu gevangen; ze had de afgelopen nacht in de Wereld der Dromen met de Zaal gesproken, om hun te informeren over haar rampzalige avond bij Elaida en de nasleep van het beledigen van de valse Amyrlin. En toch wilde Egwene nog altijd niet gered worden. Fakkels werden aangestoken en zwaardhanden gewekt, als voorzorgsmaatregel tegen nog meer kwaad. Ze bespeurde rook. Dat waren de resten van al haar aardse bezittingen.
De Toren moest geheeld worden, wat er ook voor nodig was. Zou Romanda bereid zijn te buigen voor Elaida om dat te bewerkstelligen? Zou ze weer het gewaad van een Aanvaarde aantrekken als dat de nodige eenheid zou brengen voor de Laatste Slag? Ze kon niet besluiten. En dat verontrustte haar bijna evenzeer als die scharrelende kakkerlakken.
27
De Beschonken Ruin
Mart kwam natuurlijk niet uit het kamp weg zonder de Aes Sedai. Verdomde vrouwen.
Hij reed over het oude stenen pad, niet langer gevolgd door de Bond. Hij werd echter wel vergezeld door de drie Aes Sedai, twee zwaardhanden, vijf soldaten, Talmanes, een pakpaard en Thom. Nog een geluk dat Aludra, Amathera en Egeanin er niet op hadden gestaan om mee te gaan. Deze groep was eigenlijk al te groot. De drienaaldsdennen bewaakten de weg, geurend naar hars, en in de lucht klonk het welluidende gezang van bergvinken. Het was een paar uur voor zonsondergang; hij had de Bond rond het middaguur laten halt houden. Mart reed een stukje voor het groepje Aes Sedai en zwaardhanden uit. Nadat hij Joline paarden en geld had geweigerd, waren ze niet van zins geweest hem op enig ander punt te laten winnen. Niet terwijl ze hem konden dwingen hen naar het dorp te brengen, waar ze minstens één nacht in een herberg met zachte bedden en warme baden wilden doorbrengen. Hij had zich niet al te luidruchtig verzet. Hij vond het vreselijk als er nog meer werd gekletst over de Bond, en vrouwen roddelden nu eenmaal, zelfs Aes Sedai. Maar er was hoe dan ook weinig kans dat de Bond langs kon trekken zonder wat oproer in het dorp te veroorzaken. Als er verkenners van de Seanchanen over deze kronkelige bergpaden kwamen... Nou, Mart zou de Bond gewoon in een gelijkmatig tempo naar het noorden moeten blijven sturen, punt uit. Het had geen zin erover te jammeren.
Bovendien begon hij zich weer goed te voelen, rijdend op Pips met de frisse lentebries in zijn gezicht. Hij had een van zijn oudere jassen aangetrokken, rood met bruine zomen, losgeknoopt om zijn oude, roomwitte hemd eronder te tonen.
Hier ging het om. Reizen naar nieuwe dorpen, dobbelen in een herberg, een paar diensters in de billen knijpen. Hij zou niet aan Tuon denken. Verrekte Seanchaanse. Ze zou toch wel in orde zijn? Ja, vast. Zijn handen jeukten bijna om te dobbelen. Het was veel te lang geleden dat hij ergens in een hoekje was gaan zitten met de gewone mensen. Ze zouden wat vuiler van aangezicht en wat grover in hun taalgebruik zijn, maar met een even goed hart als ieder ander. Beter dan de meeste edelen.
Talmanes reed vlak voor hem. Hij hoopte waarschijnlijk op een mooiere taveerne dan Mart, een plek waar hij bij een kaartspel kon aanzitten in plaats van te dobbelen. Maar ze hadden mogelijk niet veel keus. Het was een vrij groot dorp, waarschijnlijk bijna een stadje, maar de kans was klein dat er meer dan drie of vier herbergen waren. Hun keuze zou beperkt zijn.
Vrij groot, dacht Mart, grijnzend in zichzelf terwijl hij zijn hoed afzette en op zijn hoofd krabde. Hinderstap had naar verwachting maar drie of vier herbergen, en dat maakte het een ‘klein’ stadje. Mart kon zich nog herinneren dat hij Baerlon een grote stad had gevonden, en dat was ongetwijfeld niet veel groter dan Hinderstap! Een paard kwam naast hem rijden. Thom las die verrekte brief weer. Het gezicht van de slungelige speelman stond peinzend, en zijn grijze haar bewoog in de bries terwijl hij naar de woorden staarde. Alsof hij die niet al duizend keer had gelezen.
‘Waarom stop je die niet weg?’ vroeg Mart. Thom keek op. Er was wat overreding voor nodig geweest om de speelman zover te krijgen dat hij meekwam naar het dorp, maar Thom had een beetje afleiding nodig.
‘Ik meen het, Thom,’ zei Mart. ‘Ik weet dat je graag achter Moiraine aan wilt. Maar het zal nog weken duren voordat we weg kunnen, en die brief lezen zal je alleen maar onrustig maken.’ Thom knikte en vouwde eerbiedig het papier op. ‘Je hebt gelijk, Mart. Maar ik draag die brief al maanden mee. Nu dat ik erover verteld heb, wil ik... Nou, ik wil er gewoon mee van start gaan.’
‘Weet ik,’ zei Mart, kijkend naar de horizon. Moiraine. De Toren van Ghenjei. Mart had bijna het gevoel dat hij het gebouw daar kon zien, dreigend en wel. Daar leidde zijn pad naartoe, en Caemlin was alleen maar een stapsteen onderweg. Als Moiraine nog leefde... Licht, wat zou dat betekenen? Hoe zou Rhand reageren? De redding was nog een reden waarom Mart behoefte had aan een avondje dobbelen. Waarom had hij ermee ingestemd om met Thom mee te gaan naar de Toren? Die verschrikkelijke slangen en vossen... Hij had niet de wens die weer te zien. Maar hij kon Thom ook niet alleen laten gaan. Het had iets onvermijdelijks. Alsof een deel van Mart al die tijd al had geweten dat hij terug moest gaan en die schepsels weer onder ogen zou moeten komen. De Eelfinn waren hem nu twee keer te slim af geweest en hadden touwtjes om zijn hersenen gebonden met die herinneringen in zijn hoofd. Hij had een schuld met hen te vereffenen, dat stond vast.
Mart was niet bijzonder gesteld op Moiraine, maar hij zou haar niet aan hen overlaten, ook al was ze een Aes Sedai. Bloedas. Hij zou waarschijnlijk zelfs in de verleiding komen om een Verzaker te redden als die daar opgesloten zat. En... misschien was dat ook wel zo. Lanfir was door diezelfde Poort gevallen.
Bloedvuur, wat zou hij doen als hij haar daar aantrof? Zou hij haar echt ook redden? Je bent een stommeling, Martrim Cauton. Geen held. Alleen maar een stommeling.
‘We komen wel naar Moiraine, Thom,’ zei Mart. ‘Je hebt mijn woord, en anders mag het Licht me branden. We vinden haar wel. Maar we moeten de Bond naar een veilige plek krijgen, en we hebben informatie nodig. Baile Domon zegt dat hij weet waar de Toren staat, maar ik voel me pas op mijn gemak als we bij een of andere grote stad komen en er wat geruchten en verhalen over horen. Iemand moet iets weten. Bovendien hebben we proviand nodig, en ik betwijfel of we in de bergdorpjes hier in de omgeving genoeg zullen vinden. We moeten indien mogelijk Caemlin bereiken, hoewel we onderweg misschien nog in Vierkoningen stoppen.’ Thom knikte, hoewel Mart kon zien dat het hem stak om Moiraine te laten wachten terwijl ze misschien wel werd gefolterd, of wie weet wat. Thoms helblauwe ogen hadden een afwezige blik. Waarom kon het hem zoveel schelen? Was Moiraine soms meer voor hem dan gewoon een Aes Sedai, een van de vrouwen die Thoms neef het leven hadden gekost?
‘Bloedvuur,’ zei Mart. ‘We horen niet aan dit soort dingen te denken, Thom! We gaan een leuke avond van dobbelen en lachen tegemoet. Er is waarschijnlijk ook nog wel tijd voor een liedje of twee.’ Thom knikte en zijn gezicht klaarde wat op. Hij had zijn harpkoffer achter op zijn paard gebonden; het zou fijn zijn hem die weer te zien openen. ‘Ben je van plan weer te jongleren voor je avondmaal, leerling?’ vroeg Thom met twinkelende ogen.