Выбрать главу

‘Beter dan proberen op die rotfluit te spelen,’ gromde Mart. ‘Ben ik nooit erg goed in geweest. Maar Rhand had het gauw in de vingers, nietwaar?’

Kleuren wervelden door Marts hoofd en gingen over in een beeld van Rhand, in zijn eentje in een kamer. Hij zat wijdbeens, gekleed in een druk geborduurd hemd, en een zwart-met-rode jas lag opzij gesmeten tegen de balkenmuur naast hem. Rhand hield zijn hand tegen zijn voorhoofd alsof hij hoofdpijn wilde wegknijpen. Zijn andere hand was... Die arm eindigde in een stomp. De eerste keer dat Mart dat had gezien – een paar weken geleden – had het hem geschokt. Hoe was Rhand zijn hand kwijtgeraakt? De man leek amper te leven, zoals hij daar zo roerloos zat. Hoewel zijn lippen wel leken te bewegen, mummelend of mompelend. Licht! dacht Mart. Wat doe je jezelf in Lichtsnaam aan?

Nou, in ieder geval was Mart niet bij hem in de buurt. Tel je zegeningen wat dat betreft, hield Mart zich voor. Het leven viel de laatste tijd niet mee, maar hij had ook bij Rhand vast kunnen zitten. Natuurlijk, Rhand was een vriend. Maar Mart wilde er niet bij zijn als Rhand waanzinnig werd en iedereen vermoordde die hij kende. Je had vriendschap, en je had stommiteit. Ze zouden uiteraard samen vechten tijdens de Laatste Slag, want daar viel niet aan te ontkomen. Mart hoopte alleen dat hij dan niet aan dezelfde kant van het slagveld stond als eventuele met saidin smijtende waanzinnigen. ‘Ah, Rhand,’ zei Thom. ‘Die jongen had een leven als speelman voor zichzelf kunnen opbouwen, wed ik. Misschien zelfs als fatsoenlijke bard, als hij er jong mee was begonnen.’

Mart schudde zijn hoofd en zette het visioen van zich af. Het Licht brande je, Rhand. Laat me met rust.

‘Dat waren nog eens tijden, nietwaar, Mart?’ Thom glimlachte. ‘Met z’n drieën, reizend langs de Arinelle?’

‘Met Myrddraal die om onbekende redenen achter ons aan zaten,’ voegde Mart er grimmig aan toe. Die tijd was ook niet zo gemakkelijk geweest. ‘Duistervrienden die probeerden ons in de rug te steken elke keer als we ons omdraaiden.’

‘Beter dan dat gholam en Verzakers ons proberen te vermoorden.’

‘Dat is net zoiets als zeggen dat je blij bent met een strop om je nek in plaats van een zwaard in je buik.’

‘Aan die strop kun je tenminste nog ontkomen, Mart.’ Thom veegde met zijn knokkels over zijn lange, grijze snor. ‘Zodra het zwaard eenmaal in je lijf zit, valt er niet veel meer aan te doen.’

Mart weifelde, maar toen moest hij lachen. Hij wreef over de doek om zijn hals. ‘Daar zul je wel gelijk in hebben, Thom. Nou, waarom zetten we dat voor vandaag niet allemaal van ons af? We doen gewoon alsof alles weer zo is als vroeger!’

‘Ik weet niet of dat kan, jongen.’

‘Natuurlijk wel,’ zei Mart koppig.

‘O ja?’ vroeg Thom vermaakt. ‘Ga je dan weer denken dat die ouwe Thom Merrilin de verstandigste, meest bereisde man is die je ooit hebt gekend? Ga je weer de gapende boerenknaap uithangen, die zich vastgrijpt aan mijn jas elke keer als we door een dorp komen met meer dan één herberg?’

‘Wacht even. Zo erg was ik helemaal niet.’

‘Dat spreek ik tegen, Mart,’ zei Thom grinnikend. ‘Ik kan me niet veel herinneren.’ Mart krabde weer op zijn hoofd. ‘Maar ik weet nog wel dat Rhand en ik ons best redden toen we jou hadden achtergelaten. We redden het in ieder geval tot aan Caemlin. We hebben je verdomde harp toch ongedeerd bij je teruggebracht?’

‘Ik zag wel een paar krasjes op de kast...’

‘Ga daar niet over zeuren!’ zei Mart, wijzend naar Thom. ‘Rhand heeft zo ongeveer met dat ding geslapen. Peinsde er niet over om hem te verkopen, zelfs niet toen we zo’n honger hadden dat we onze eigen laarzen hadden opgegeten als we die niet nodig hadden om naar het volgende stadje te komen.’ Die tijd was wazig voor Mart, vol gaten, als een ijzeren emmer die te lang had staan roesten. Maar hij had bepaalde dingen weer aan elkaar gepuzzeld. Thom grinnikte. ‘We kunnen niet terug, Mart. Het Rad is gedraaid, of dat nu goed is of slecht. En het zal blijven draaien terwijl lichten sterven en bossen verduisteren, stormen losbarsten en de hemel breekt. Draaien zal het. Het Rad biedt geen hoop en maalt nergens om, het ïs gewoon. Maar zolang het draait, kunnen ménsen om dingen malen. Want met het licht dat vervaagt zal een ander licht uiteindelijk toenemen, en elke storm die woedt moet uiteindelijk gaan liggen. Zolang het Rad draait. Zolang het draait...’ Mart stuurde Pips om een heel diepe scheur in de stenen weg heen. Verderop kletste Talmanes met enkele wachters. ‘Dat klinkt als een lied, Thom.’

‘Ja,’ zei Thom bijna zuchtend. ‘Een oud lied, door de meeste mensen vergeten. Ik heb er drie versies van gevonden, allemaal met dezelfde woorden, maar op verschillende wijsjes. Ik denk dat dit gebied me eraan doet denken; ze zeggen dat Doreille zelf het oorspronkelijk heeft geschreven.’

‘Dit gebied?’ vroeg Mart verbaasd, kijkend naar de drienaaldsdennen.

Thom knikte peinzend. ‘Dit is een oude weg, Mart. Stokoud. Waarschijnlijk was hij hier al voor het Breken. Dit soort landschapskenmerken vindt vaak zijn weg naar verhalen en liederen. Ik denk dat dit de streek is die ooit de Versplinterde Heuvels heette. Als dat zo is, dan zijn we in wat ooit Coremanda was, nabij de Adelaarsrotsen. Ik durf te wedden dat als we een paar van die hogere heuvels beklimmen, we resten van oude forten vinden.’

‘En wat heeft dat met Doreille te maken?’ vroeg Mart onbehaaglijk. Zij was de koningin van Aridhol geweest.

‘Ze is hier geweest,’ zei Thom. ‘Heeft enkele van haar mooiste gedichten geschreven in de Adelaarsrotsen.’

Bloedvuur, dacht Mart. Ik herinner me dat. Hij herinnerde zich dat hij op de muren van een hoog fort had gestaan, op de koude bergtop, neerkijkend op een lange, kronkelende weg, gebroken en gebarsten, en een leger van mannen met violetkleurige banieren die in een regen van pijlen tegen de heuvel op stormden. De Versplinterde Heuvels. Een vrouw op het balkon. De koningin zelf. Hij huiverde en duwde de herinnering weg. Aridhol was een van de oude naties geweest die lang geleden bestonden, toen Manetheren nog een macht was. De hoofdstad van Aridhol had een andere naam gehad. Shadar Logoth.

Mart had de trekkracht van de robijnen dolk al heel lang niet meer bespeurd. Hij begon bijna te vergeten hoe het had gevoeld om ermee verbonden te zijn, als je zoiets al kon vergeten. Maar soms herinnerde hij zich die robijn, rood als zijn eigen bloed. En dan sijpelde die oude lust, dat oude verlangen weer bij hem binnen... Mart schudde zijn hoofd en zette die herinneringen van zich af. Bloedvuur, hij was hier om zich te vermaken!

‘Wat een tijden hebben we gehad,’ zei Thom terloops. ‘Ik voel me tegenwoordig oud, Mart, als een verkleurd tapijtje dat te drogen hangt in de wind, met slechts een schim van de ooit zo levendige kleuren. Soms vraag ik me af of je nog wel iets aan me hebt. Je lijkt me nauwelijks nodig te hebben.’

‘Wat? Natuurlijk heb ik je nodig, Thom!’

De oude speelman keek hem aan. ‘Het punt met jou, Mart, is dat je echt goed bent in liegen. Anders dan die andere twee jongens.’

‘Ik meen het, het Licht brande me! Ik neem aan dat je ervandoor zou kunnen gaan om weer verhalen te vertellen en te reizen, zoals vroeger. Maar de zaken zouden hier dan misschien een stuk minder soepel gaan, en ik zou beslist je wijsheid missen. Bloedvuur, maar ik meen het. Een man heeft vrienden nodig die hij kan vertrouwen, en ik zou jou met een gerust hart mijn leven toevertrouwen.’

‘Ach Martrim,’ zei Thom, opkijkend met ogen die glansden van pret, ‘een man oppeppen als hij zich neerslachtig voelt? Hem overtuigen om te blijven en te doen wat belangrijk is in plaats van ervandoor te gaan en het avontuur op te zoeken? Dat klinkt regelrecht verantwoordelijk. Wat is er in je gevaren?’

Mart trok een grimas. ‘Het huwelijk, denk ik. Het Licht verzenge me, maar ik stop niet met drinken en gokken!’ Verderop draaide Talmanes zich om en keek naar Mart, waarna hij zijn ogen ten hemel sloeg.