Выбрать главу

Thom lachte toen hij de blik van Talmanes zag. ‘Nou, jongen, ik wilde je niet bedrukken. Het is maar geklets. Ik heb deze wereld nog steeds een paar dingen te tonen. Als ik Moiraine echt kan bevrijden... We zullen zien. Bovendien moet iemand hier blijven om toe te kijken en dit op een dag allemaal in een lied te gieten. Er zal uit dit alles wel meer dan één lied voortkomen.’ Hij draaide zich om en zocht door zijn zadeltassen. ‘Ah!’ zei hij, en hij trok zijn verstelde speelmansmantel eruit, die hij met een zwierig gebaar omdeed. ‘Nou,’ zei Mart, ‘als je over ons schrijft, kun je misschien een paar gouden marken verdienen door er een aardig vers in te zetten over Talmanes. Je weet wel, iets over hoe hij een oog heeft dat in vreemde richtingen staart, en hoe hij vaak zo’n geur om zich heen heeft hangen die doet denken aan een geitenstal.’

‘Dat hoorde ik!’ riep Talmanes van verderop. ‘Dat was ook de bedoeling!’ riep Mart terug.

Thom lachte alleen maar, plukkend aan zijn mantel en die schikkend om de best mogelijke indruk te maken. ‘Ik kan niks beloven.’ Hij grinnikte nog wat. ‘Maar als je het niet erg vindt, Mart, dan denk ik dat ik niet bij jullie blijf als we in het dorp zijn. De oren van een speelman pikken soms dingen op waarover in het bijzijn van soldaten niet wordt gepraat.’

‘Dat zou wel goed uitkomen,’ zei Mart, wrijvend over zijn kin. Verderop maakte het pad een bocht; Vanin zei dat het dorp daar vlak achter lag. ‘Ik heb het gevoel dat ik nu al maanden door een tunnel reis, zonder iets van de buitenwereld te zien of te horen. Bloedvuur, maar het zou fijn zijn te horen waar Rhand is, al was het maar om te weten waar ik niét naartoe moet.’ De kleuren draaiden en toonden hem Rhand, maar de man stond in een kamer zonder uitzicht naar buiten, zodat Mart nog niet wist waar hij uithing.

‘Het leven is meestal zo’n tunnel, vrees ik,’ zei Thom. ‘Mensen verwachten dat een speelman met nieuwtjes komt, dus halen we die tevoorschijn en poetsen ze op, maar het “nieuws” dat we vertellen bestaat meestal gewoon uit verhalen, in veel gevallen minder waarheidsgetrouw dan de liederen van duizend jaar geleden.’ Mart knikte.

‘En,’ voegde Thom eraan toe, ‘ik zal zien of ik aanwijzingen kan vinden voor de invasie.’

De Toren van Ghenjei. Mart haalde zijn schouders op. ‘We zullen eerder vinden wat we zoeken in Vierkoningen of Caemlin.’

‘Ja, dat weet ik. Maar Olver heeft me laten beloven dat ik zou kijken. Als jij niet had gezorgd dat Noal die jongen afleidde, dan zou ik nu niet opkijken als ik hem in mijn zadeltas terugvond. Hij wilde echt graag mee.’

‘Een avond dansen en gokken in een taveerne is niets voor een jonge knul,’ mompelde Mart. ‘Ik wou alleen dat ik erop kon vertrouwen dat de mannen in het kamp hem niet nog erger verpesten.’

‘Nou, hij leek best tevreden om te blijven toen Noal eenmaal het spelbord pakte.’ Olver was ervan overtuigd dat als hij maar vaak genoeg slangen-en-vossen speelde, hij daar een of andere geheime strategie uit zou oppikken om de Aelfinn en Eelfinn te verslaan. ‘Die jongen denkt nog steeds dat hij met ons meegaat naar de Toren,’ zei Thom op zachtere toon. ‘Hij weet dat hij geen lid kan zijn van de drie, maar hij is van plan om buiten op ons te wachten. Misschien om naar binnen te stormen en ons te redden als we niet snel genoeg weer naar buiten komen. Ik wil er niet bij zijn als hij de waarheid ontdekt.’

‘Ik ben zelf ook niet van plan daar bij te zijn,’ zei Mart. Verderop maakten de bomen plaats voor een kleine vallei met groene weiden, die langs de hellingen van de heuvels omhoog glooiden. Genesteld tussen de hellingen lag een stadje van enkele honderden gebouwen, met een bergstroompje door het midden. De huizen waren van donkergrijze steen gemaakt, elk met een grote schoorsteen, en uit de meeste daarvan kringelde rook op. De daken waren schuin, waarschijnlijk omdat het hier ’s winters veel sneeuwde, hoewel het enige wit dat nu nog zichtbaar was, op de verre bergtoppen lag. Arbeiders waren al bezig op enkele daken om door de winter beschadigde leien te vervangen, en geiten en schapen graasden tegen de hellingen, onder toeziend oog van herdersjongens. Het zou nog een paar uur licht blijven, en er werkten mannen aan de gevels van winkels en aan hekken. Anderen wandelden door de straten van het dorp, zonder enige haast. Al met al hing er in het stadje een ontspannen sfeer, een mengeling van nijverheid en luiheid.

Mart stopte naast Talmanes en de soldaten. ‘Dat is een mooi uitzicht,’ merkte Talmanes op. ‘Ik begon al te denken dat elk stadje ter wereld ofwel instortte, ofwel vol zat met vluchtelingen, of onder de duim van indringers zat. Dit hier ziet er in ieder geval niet uit alsof het gauw zal verdwijnen...’

‘Het Licht behoede ons,’ zei Mart huiverend, denkend aan het stadje in Altara dat ineens was verdwenen. ‘Hoe dan ook, laten we hopen dat ze het niet erg vinden als er een paar vreemdelingen op bezoek komen.’ Hij keek naar de soldaten; alle vijf waren het Roodarmen, enkele van de beste die hij had. ‘Drie van jullie gaan met de Aes Sedai mee. Ik vermoed dat die in een andere herberg zullen verblijven dan ik. We zien elkaar morgenochtend weer.’

De soldaten brachten hem een saluut, en Joline snoof toen ze langsreed op haar paard, waarbij ze nadrukkelijk niet naar Mart keek. Zij en de anderen gingen in een groepje de helling af, met drie van Marts soldaten achter hen aan.

‘Dat lijkt me een herberg, daar,’ zei Thom, wijzend naar een groter gebouw aan de oostkant van het dorp. ‘Daar ga ik heen.’ Hij wuifde, dreef zijn rijdier in draf en reed vooruit, waarbij zijn mantel achter hem opwapperde. Als hij als eerste aankwam, gaf hem dat de beste gelegenheid om indruk te maken.

Mart wierp een blik op Talmanes, die zijn schouders ophaalde. Samen gingen ze de heuvel af, met twee soldaten als geleide. Vanwege de bocht naderden ze het dorp vanuit het zuidwesten. Ten noordoosten van het dorp ging de oude weg verder. Het leek vreemd dat er zo’n brede weg langs een dorp als dit liep, ook al was die weg dan oud en gebarsten. Meester Roidelle beweerde dat hij rechtstreeks naar Andor leidde. Hij was te oneffen om als hoofdweg te gebruiken, en hij leidde niet langer langs grote steden, dus was hij vergeten. Mart was echter blij dat ze het geluk hadden gehad hem te vinden. De hoofdwegen naar Morland zaten vol met Seanchanen. Volgens Roidelles kaarten richtte men zich in Hinderstap op de productie van geitenkaas en schapenvlees voor de verschillende dorpen en landgoederen in de streek. De dorpelingen zouden dus gewend moeten zijn aan buitenstaanders. En inderdaad, enkele jongens kwamen vanaf de akkers aanrennen zodra ze Thom met zijn speelmansmantel opmerkten. Hij zou oproer veroorzaken, maar van een bekende soort. De Aes Sedai zouden echter onvergetelijk zijn. Ach, nou ja, dacht Mart terwijl hij en Talmanes langs de met gras omzoomde weg omlaag reden. Hij zou zijn goede stemming bewaren; deze keer zou hij die niet door de Aes Sedai laten verpesten. Toen Mart en Talmanes in het dorp aankwamen, had er zich al een kleine menigte om Thom heen verzameld. Hij stond rechtop op zijn zadel en gooide met zijn rechterhand met drie gekleurde ballen terwijl hij vertelde over zijn reizen door het zuiden. De dorpelingen hier droegen vesten en groene mantels van een rijke, fluweelachtige stof. Ze zagen er warm uit, maar toen Mart wat beter keek zag hij dat veel ervan – mantels, vesten en broeken – gescheurd waren en daarna zorgvuldig waren hersteld.

Een andere groep, voornamelijk vrouwen, had zich rondom de Aes Sedai geschaard. Mooi, Mart had half verwacht dat de dorpelingen bang zouden zijn. Een van de mensen bij Thoms groep keek schattend naar Mart en Talmanes. Hij was een stevige kerel, met dikke armen en linnen mouwen die waren opgestroopt tot aan de ellebogen, ondanks de kille lentelucht. Op zijn armen zaten donkere krullen die pasten bij zijn baard en zijn hoofdhaar. ‘U hebt het aanzien van een edele,’ zei de man toen hij naar Mart toe liep.

‘Hij is een pr...’ begon Talmanes, voordat Mart hem snel de mond snoerde.

‘Dat kan best,’ zei Mart, die zijn blik op Talmanes gericht hield. ‘Ik ben Barlden, de burgemeester hier,’ zei de man, en hij sloeg zijn armen over elkaar. ‘U bent hier welkom en mag handelen, maar wees u ervan bewust dat we niet veel kunnen missen.’