Выбрать главу

‘U hebt vast wel kaas,’ zei Talmanes. ‘Dat is toch wat jullie hier maken?’

‘Alles wat niet beschimmeld of bedorven is, hebben we zelf nodig,’ antwoordde burgemeester Barlden. ‘Zo is het gewoon, tegenwoordig.’ Hij weifelde. ‘Maar als u stoffen of kleding te verhandelen hebt, dan kunnen we misschien iets bij elkaar schrapen om u vandaag te eten te geven.’

Ons vandaag te eten geven? dacht Mart. Alle elf? Hij zou minstens een wagenlading mee terug moeten brengen, niet te vergeten het bier dat hij zijn mannen had beloofd.

‘En ik moet u nog op de hoogte stellen van de avondklok. Handel gerust, warm u een tijdje bij de haarden, maar weet dat alle buitenstaanders bij zonsondergang het dorp uit moeten zijn.’ Mart keek naar de bewolkte hemel. ‘Maar dat is al over amper drie uur!’

‘Zo zijn onze regels,’ zei Barlden kortaf.

‘Dat is belachelijk,’ bitste Joline, die zich afwendde van de dorpsvrouwen. Ze stuurde haar paard wat dichter naar Mart en Talmanes toe, met haar zwaardhanden – zoals altijd – vlak achter haar. ‘Meester Barlden, wij kunnen ons niet vinden in dat dwaze verbod. Ik begrijp uw terughoudendheid in deze gevaarlijke tijden, maar u ziet toch wel in dat uw regels hier niet van toepassing moeten zijn.’ De man hield zijn armen over elkaar en zweeg. Joline tuitte haar lippen en verplaatste haar handen op de teugels, zodat haar Grote Serpent-ring goed zichtbaar was. ‘Betekent het teken van de Witte Toren tegenwoordig zo weinig?’

‘We eerbiedigen de Witte Toren.’ Barlden keek naar Mart. Hij was verstandig. In de ogen van een Aes Sedai kijken was slecht voor je zelfvertrouwen. ‘Maar onze regels zijn streng, vrouwe. Het spijt me.’ Joline snoof. ‘Ik vermoed dat uw herbergiers niet bijzonder ingenomen zijn met die eis. Hoe moeten ze de eindjes aan elkaar knopen als ze geen kamers aan reizigers kunnen verhuren?’

‘De herbergen krijgen een vergoeding,’ zei de burgemeester nors. ‘Drie uur. Doe uw zaken en vertrek. We willen iedereen die hier komt vriendelijk ontvangen, maar we laten onze regels niet overtreden.’ Daarmee draaide hij zich om en vertrok. Terwijl hij wegliep, sloot een klein groepje potige mannen zich bij hem aan, enkelen van hen met bijlen. Niet dreigend, maar heel terloops, alsof ze hout hadden gehakt en gewoon toevallig door het dorp liepen. Samen. In dezelfde richting als de burgemeester.

‘Dat is me nog eens een welkom,’ mompelde Talmanes. Mart knikte. Op dat ogenblik begonnen de dobbelstenen te ratelen in zijn hoofd. Bloedvuur! Hij besloot ze te negeren. Hij had er toch nooit iets aan. ‘Laten we op zoek gaan naar een taveerne,’ zei hij, en hij spoorde Pips aan.

‘Nog steeds vast van plan er een avondje van te maken?’ vroeg Talmanes glimlachend terwijl hij met Mart meereed. ‘We zullen zien,’ zei Mart, in weerwil van zichzelf luisterend naar de dobbelstenen. ‘We zullen zien.’

Mart zag drie herbergen op zijn eerste rit door het dorp. Er was er een aan het eind van de hoofdweg, met twee brandende lantaarns bij de voordeur, ook al was het nog niet donker. De wit geschilderde kozijnen en schone glazen ruiten trokken de Aes Sedai aan als motten naar een kaarsvlam. Dat zou de herberg zijn voor reizende kooplieden en hoogwaardigheidsbekleders die de pech hadden om in deze heuvels te belanden.

Maar buitenstaanders mochten hier niet slapen. Hoe lang bestond dat verbod al? Hoe hielden die herbergen het hoofd boven water? Ze konden nog wel een bad en een maaltijd verschaffen, maar zonder overnachtingen... Mart geloofde de opmerking van de burgemeester niet, over dat de herbergen ‘een vergoeding’ kregen. Als ze niets zinnigs bijdroegen aan het dorp, waarom werden ze dan betaald? Het was belachelijk.

Maar goed, Mart ging niet naar de mooie herberg, en ook niet naar degene die Thom had uitgezocht. Die lag niet aan de hoofdweg, maar aan een brede straat even ten noordoosten ervan. Hij was toereikend voor de gemiddelde bezoeker; eerbiedwaardige mensen die niet graag nodeloos geld uitgaven. Het gebouw was ongetwijfeld goed onderhouden, de bedden schoon en de maaltijden redelijk. De mannen uit het dorp gingen er waarschijnlijk af en toe iets drinken, voornamelijk wanneer ze het gevoel hadden dat hun vrouwen hen goed in de gaten hielden.

De laatste herberg zou het moeilijkst te vinden zijn geweest, als Mart niet had geweten waar hij moest zoeken. Hij lag drie straten van het midden van het dorp vandaan, in de westelijkste hoek van het dorp. Er hing geen bord aan; voor het raam stond alleen een houten plank met zo te zien een dronken paard erop. In geen van de vensters zat glas.

Binnen was licht en gelach. De meeste buitenstaanders zouden slecht op hun gemak zijn door het gebrek aan een verwelkomend bord of lantaarns bij deze herberg. Het was eigenlijk meer een taveerne dan een herberg; Mart betwijfelde of ze er ooit meer hadden gehad dan een paar britsen achterin, die je voor een koperstuk kon huren. Dit was de plek waar werkende dorpelingen zich ontspanden. Nu de avond naderde, hadden veel van hen hun weg hierheen waarschijnlijk al gevonden. Het was een plek voor samenzijn en ontspanning, een plek om een beetje tobak te roken met je vrienden. En om een paar potjes te dobbelen.

Mart steeg glimlachend af en bond Pips aan de paal voor de deur vast.

Talmanes zuchtte. ‘Je beseft wel dat ze de drank hier waarschijnlijk aanlengen met water.’

‘Dan zullen we dubbel moeten bestellen,’ zei Mart, die een paar buidels met geld van zijn zadel losmaakte en die in binnenzakken van zijn jas stopte. Hij beduidde de soldaten bij de paarden te blijven. Het pakpaard droeg een geldkist. Daarin zat Marts persoonlijke voorraad; hij zou de soldij van de Bond niet op het spel zetten met gokken.

‘Goed dan,’ zei Talmanes. ‘Maar je beseft toch wel dat ik ervoor ga zorgen dat jij en ik naar een fatsoenlijke taveerne gaan zodra we in Vierkoningen zijn? Ik leer het je nog wel, Mart. Je bent nu een prins. Je zult...’

Mart stak zijn hand op en snoerde Talmanes de mond. Toen wees hij naar de paal. Talmanes zuchtte nog eens, schoof uit het zadel en zette zijn paard vast. Mart liep naar de deur van de taveerne, haalde diep adem en stapte naar binnen.

Mannen zaten om tafels heen, met hun mantels over stoelen of aan haken gehangen, hun gescheurde en verstelde vesten opengeknoopt en hun mouwen opgestroopt. Waarom droegen de mensen hier kleding die ooit zo fraai was geweest, maar die nu beschadigd en versteld was? Ze hadden meer dan genoeg schapen, dus zouden ze voldoende wol moeten hebben.

Mart negeerde die merkwaardigheid maar even. De mannen hier dobbelden, dronken kroezen bier aan plakkerige tafeltjes en sloegen diensters op hun achterwerk. Ze leken uitgeput, veel van hen met glazige ogen van vermoeidheid. Maar dat viel te verwachten na een dag werken.

Ondanks de vermoeide ogen hing er een bijna tastbaar geroezemoes in de ruimte, stemmen die elkaar overlapten in een zacht, rommelend gemompel. Een paar mensen keken op toen Mart binnenkwam, en sommigen fronsten om zijn mooie kleding, maar de meeste gasten letten niet op hem.

Talmanes volgde met tegenzin, maar hij was niet het soort edele dat het erg vond om met mensen van een lagere status om te gaan. Hij had in zijn tijd ook zijn aandeel aan verlopen taveernes bezocht, ook al klaagde hij de laatste tijd over Marts keuzes. En dus aarzelde Talmanes evenmin als Mart en trok hij een stoel naar achteren bij een tafel waar al een paar mannen aan zaten. Mart glimlachte breed en liet zijn goud fonkelen, dat hij naar de langskomende bediende gooide terwijl hij om iets te drinken vroeg. Dat trok enige aandacht, zowel van de mannen rond de tafel als van Talmanes. ‘Wat doe je?’ fluisterde Talmanes terwijl hij zich naar Mart toe boog. ‘Wil je soms dat ze ons de keel afsnijden zodra we hier naar buiten wankelen?’

Mart glimlachte enkel. Aan een van de tafels vlakbij was een dobbelspel bezig. Het leek op kattenpoot; of althans, zo heette het op de avond dat Mart het had geleerd. In Ebo Dar noemden ze het derde steen, en hij had het in Cairhien veren hoog horen noemen. Het was het volmaakte spel voor zijn doel. Er was maar één dobbelaar in het spel, en de toeschouwers plaatsten weddenschappen tegen of voor zijn worpen.