Выбрать главу

Mart haalde diep adem en trok zijn stoel naar die tafel toe, waar hij een gouden kroon op het hout schoof, recht in een vochtige kring van bier ontstaan door de bodem van een kroes, die nu werd vastgehouden door een kleine vent die het meeste van zijn muizige haar kwijt was; wat hij nog overhad hing tot onder zijn kraag. Hij verslikte zich bijna in zijn bier.

‘Mag ik een worp wagen?’ vroeg Mart aan de mannen rond de tafel. ‘Ik... ik weet niet of we daarin mee kunnen gaan,’ zei een man met een korte zwarte baard. ‘Heer,’ voegde hij er wat laat aan toe. ‘Mijn goud tegen jullie zilver,’ zei Mart luchtig. ‘Ik heb al in tijden geen goed potje meer gedobbeld.’

Talmanes trok belangstellend zijn stoel dichterbij. Hij had Mart dit eerder zien doen: gouden munten inzetten en zilveren winnen. Marts geluk maakte het verschil goed, en hij werd er altijd een stuk beter van. Soms wist hij zelfs winst te maken als hij goud inzette tegen koperstukken. Hij verdiende er niet veel mee, want het duurde meestal niet zo lang voordat het geld van de andere spelers op raakte of ze besloten ermee op te houden. En dan zat Mart met een handvol zilverstukken en niemand om mee te dobbelen. Daar hadden ze niets aan. Het leger had geld genoeg. Ze hadden voedsel nodig, en dus werd het tijd om iets anders te proberen. Enkele mannen legden zilveren munten neer. Mart schudde de dobbelstenen in zijn handen en gooide. De ene dobbelsteen landde op één en de andere op twee. Een verliezende worp.

Talmanes knipperde met zijn ogen, en de mannen rond de tafel keken naar Mart met een wrevelige blik; alsof ze zich schaamden te hebben gewed tegen een edele die overduidelijk niet verwachtte te verliezen. Dat was echt iets waarmee je je problemen op de hals kon halen.

‘Ach, kijk nou,’ zei Mart. ‘Jullie hebben gewonnen. Hij is van jullie.’ Hij rolde de gouden kroon naar het midden van de tafel om te worden verdeeld onder de mannen die tegen hem hadden gewed, volgens de regels.

‘Nog eentje?’ vroeg Mart, die nog twee gouden kronen op tafel schoof.

Deze keer waren er meer mannen die wilden wedden. Wederom gooide hij een verliezende worp, en Talmanes verslikte zich bijna. Mart had wel eerder verloren, want dat overkwam zelfs hem. Maar twee worpen achter elkaar?

Hij rolde de twee kronen over tafel en haalde er vervolgens vier tevoorschijn. Talmanes legde zijn hand op zijn arm. ‘Niet om ’t een of ander, Mart,’ zei hij zacht, ‘maar misschien kun je beter stoppen. Iedereen heeft wel eens een tegenvallende avond. Laten we ons bier opdrinken en zo veel mogelijk proviand gaan kopen voordat het donker wordt.’

Mart glimlachte zwijgend en keek toe terwijl de weddenschappen tegen zijn vier munten zich opstapelden. Hij moest er nog een vijfde bijleggen, aangezien zoveel mensen eraan mee wilden doen. Hij negeerde Talmanes en gooide, waarbij hij weer verloor. Talmanes kreunde en pakte een kroes aan van de dienster, die eindelijk was gekomen met Marts bestelling.

‘Kijk niet zo bedrukt,’ zei Mart zachtjes, met de buidel in zijn ene hand terwijl hij met de andere naar zijn eigen kroes reikte. ‘Dit is wat ik wilde.’

Talmanes trok zijn wenkbrauw op en liet zijn kroes zakken. ‘Ik kan ook verliezen als ik wil; als het me beter uitkomt,’ verhelderde Mart.

‘Hoe kan verliezen je nou beter uitkomen?’ vroeg Talmanes, kijkend naar de mannen die ruzieden over de verdeling van Marts goud. ‘Wacht.’ Mart nam een slurpende slok bier. Het was aangelengd met water, zoals Talmanes al had gevreesd. Hij draaide zich weer om naar de tafel en telde nog een paar gouden munten uit. Er schaarden zich steeds meer mensen rond de tafel. Mart zorgde ervoor dat hij ook een paar worpen won, net zoals hij altijd wat moest verliezen als hij een avond lang alles won, want hij wilde geen argwaan wekken met zijn reeks van tegenslagen. Maar beetje bij beetje belandden de munten uit zijn buidels in de handen van de mannen die tegen hem speelden. Het duurde niet lang voordat het stil werd in de taveerne, omdat de mannen zich om Mart verdrongen en wachtten op hun beurt om tegen hem te wedden. Verschillende jonge mannen waren snel weggegaan om hun vaders en neven te halen en die mee te sleuren naar De Beschonken Ruin, zoals de herberg heette. Op enig ogenblik – tijdens een onderbreking tussen de worpen terwijl Mart wachtte op een volgende kroes bier – stootte Talmanes hem aan. ‘Dit bevalt me niet, Mart,’ zei de pezige man op gedempte toon, dicht bij zijn oor. Het poeder op zijn geschoren voorhoofd was enige tijd eerder zo vochtig van het zweet geraakt dat hij het had afgeveegd, waardoor de huid nu glanzend bloot was. ‘Ik zei toch,’ Mart nam een slok waterig bier, ‘dat ik weet wat ik doe?’

Mannen aan de zijkant van de gelagkamer juichten toen een van hen drie kroezen leegdronk, de een na de ander. Het rook er naar zweet en bier, dat op de houten vloer was gemorst en waar doorheen was gelopen door mannen met modderige werklaarzen. ‘Niet dat,’ zei Talmanes, kijkend naar de juichende mannen. ‘Je mag wat mij betreft je geld verspillen, zolang je maar wat overhoudt om mij af en toe wat te drinken te geven. Dat is niet wat me dwarszit; niet meer.’

Mart fronste zijn voorhoofd. ‘Wat dan?’

‘Ik heb het gevoel dat er iets niet klopt met die mensen, Mart.’ Talmanes sprak heel zacht en keek over zijn schouder. ‘Terwijl jij bezig was, heb ik met ze gepraat. Ze geven niets om de wereld. De Herrezen Draak, de Seanchanen, niets. Geen enkele zorg.’

‘Nou en?’ vroeg Mart. ‘Het zijn eenvoudige lieden.’

‘Eenvoudige lieden zouden zich juist nog méér zorgen moeten maken,’ zei Talmanes. ‘Ze zitten hier vast tussen zich verzamelende legers. Maar zij halen gewoon hun schouders op als ik praat en drinken nog wat. Het lijkt wel alsof ze... zich te zeer op hun vrolijkheid richten. Alsof dat alles is waar ze om geven.’

‘Dan zijn ze volmaakt,’ vatte Mart samen.

‘Het wordt straks donker,’ zei Talmanes, kijkend uit het raam. ‘We zijn hier al zeker een uur. Misschien moeten we...’ Op dat ogenblik knalde de deur van de herberg open en kwam de potige burgemeester binnen, vergezeld door dezelfde mannen als eerder, hoewel ze hun bijlen nu niet bij zich hadden. Ze leken niet blij te zijn toen ze zagen dat het halve dorp binnen was om te gokken met Mart.

‘Mart,’ begon Talmanes opnieuw.

Mart stak zijn hand op. ‘Dit is waar we op hebben gewacht.’

‘O ja?’ vroeg Talmanes.

Mart draaide zich naar de dobbeltafel om en glimlachte. Hij had de meeste van zijn geldbuidels geleegd, maar hij had nog genoeg voor een paar worpen; zonder mee te tellen wat hij buiten nog had, natuurlijk. Hij pakte de dobbelstenen en telde een paar gouden kronen uit, en toen begonnen de omstanders hun eigen munten neer te gooien. Veel daarvan waren inmiddels gouden munten, die ze van Mart hadden gewonnen.

Hij gooide en verloor, wat een opgewonden gebrul aan de toeschouwers ontlokte.

Barlden keek alsof hij Mart eruit wilde gooien – het werd laat en het kon niet lang meer duren voordat de zon onderging – maar de man aarzelde toen hij zag dat Mart nog een handvol gouden munten tevoorschijn haalde. De hebzucht knaagde aan iedere man, en strikte ‘regels’ konden soms worden omgebogen, als er een kans voorbijkwam die verleidelijk genoeg knipoogde.

Mart gooide nog eens en verloor. Nog meer gebrul. De burgemeester sloeg zijn armen over elkaar.

Mart reikte in zijn buidel en vond niets dan lucht. De mannen om hem heen keken teleurgesteld, en een van hen riep om een rondje bier om de arme jonge edele ‘zijn pech te laten vergeten’. Weinig kans, dacht Mart terwijl hij een glimlach binnenhield. Hij stond op en stak zijn handen op. ‘Ik zie dat het al laat wordt,’ zei hij tegen de aanwezigen.

‘Té laat,’ beaamde Barlden, terwijl hij zich langs een paar stinkende geitenherders met bontmantels drong. ‘U moet gaan, uitlander. En denk maar niet dat ik die mannen u laat teruggeven wat u eerlijk aan ze hebt verloren.’