Выбрать главу

‘Ik zou het niet in m’n hoofd halen,’ zei Mart, die een beetje met een dikke tong sprak. ‘Harnan en Delarn!’ brulde hij. ‘Breng de kist binnen!’

Even later haastten de twee soldaten die buiten op wacht hadden gestaan zich naar binnen met het houten kistje van het pakpaard. Het werd stil in de taveerne toen de soldaat het naar de tafel droeg en neerzette. Mart viste de sleutel tevoorschijn, enigszins wankel, draaide het slot open en onthulde de inhoud.

Goud. Een heleboel. Zo goed als alles wat hij van zijn eigen geld over had. ‘Er is nog tijd voor één worp,’ zei Mart tegen de stomverbaasde omstanders. ‘Iemand belangstelling?’

Mannen begonnen munten neer te gooien totdat de stapel bestond uit zo ongeveer alles wat Mart had verloren. Het was bij lange na niet voldoende om te evenaren wat er in zijn kist zat. Hij keek ernaar en klopte op zijn kin. ‘Dat zal niet genoeg zijn, vrienden. Ik wil best een slechte weddenschap aangaan, maar als ik vanavond nog maar één worp heb, wil ik de kans hebben om hier met iets weg te lopen.’

‘Het is alles wat we hebben,’ zei een van de mannen, te midden van een paar aansporingen dat Mart gewoon toch maar moest gooien. Mart zuchtte en sloot het deksel van de kist. ‘Nee,’ zei hij. Zelfs Barlden keek met glanzende ogen toe. ‘Behalve...’ Mart zweeg even. ‘Ik ben hier gekomen voor proviand. Ik neem ook wel goederen aan. Jullie mogen de munten houden die jullie hebben gewonnen, maar ik wil deze kist inzetten voor proviand. Voedsel voor mijn mannen, een paar vaten bier. Een kar om het op te vervoeren.’

‘Er is niet genoeg tijd.’ Barlden keek naar de vensters en zag dat het begon te schemeren.

‘Natuurlijk wel,’ zei Mart, die zich naar voren boog. ‘Ik vertrek na deze worp. U hebt mijn woord.’

‘We springen hier niet losjes om met de regels,’ zei de burgemeester. ‘De prijs is te hoog.’

Mart verwachtte opmerkingen van de wedders, smeekbeden aan de burgemeester om een uitzondering te maken. Maar die kwamen niet. Hij voelde een plotselinge steek van angst. Na zoveel verlies... als ze hem er nu alsnog uitschopten... Wanhopig trok hij het deksel van de kist weer open en toonde hun de gouden munten. ‘Ik geef u het bier,’ zei de herbergier. ‘En Mardry, jij hebt een wagen en een span paarden. Die staan maar een straat verderop.’

‘Ja,’ zei Mardry, een man met een verweerd gezicht en kort, donker haar. ‘Die zet ik wel in.’

Mannen begonnen te roepen dat ze voedsel konden inzetten: graan uit hun voorraadkasten, aardappels uit hun kelders. Mart keek de burgemeester aan. ‘Het zal nog ongeveer een halfuur licht blijven. Waarom kijken we niet wat ze kunnen verzamelen? De dorpsschatkist kan hier ook wat van krijgen als ik verlies. Ik durf te wedden dat u het geld goed kunt gebruiken, na de winter die we hebben gehad.’ Barlden aarzelde, maar toen knikte hij, nog altijd kijkend naar de kist vol munten.

Mannen juichten en renden weg om de wagen te halen en het bier naar buiten te rollen. Meer dan een enkeling rende naar huis of de pakhuizen. Mart keek hen na en bleef in de snel leeglopende gelagkamer zitten wachten.

‘Ik zie wel wat u doet,’ zei de burgemeester tegen Mart. Hij leek geen haast te hebben om wat dan ook te gaan halen. Mart draaide zich vragend naar hem om.

‘Ik laat ons niet bedriegen met een wonderbaarlijke winst aan het eind van de avond.’ Barlden sloeg zijn armen over elkaar. ‘U gebruikt mijn dobbelstenen. En u doet die worp langzaam en beheerst. Ik weet dat u hier vele keren verloren hebt, zoals de mannen hebben gemeld, maar ik vermoed dat we wel een paar stel dobbelstenen zullen aantreffen als we uw zakken nagaan.’

‘U mag gerust kijken,’ zei Mart, die zijn armen opzij stak. Barlden weifelde. ‘U hebt ze natuurlijk weggegooid,’ zei hij uiteindelijk. ‘Het is een mooi plan, u uitdossen als een edele en dobbelstenen verzwaren, zodat u verliest in plaats van wint. Nog nooit gehoord van een man die zo driest was om op die manier goud te vergooien met nepdobbelstenen.’

‘Als u zo zeker weet dat ik vals speel,’ zei Mart, ‘waarom gaat u hier dan mee door?’

‘Omdat ik weet hoe ik u kan tegenhouden,’ antwoordde de burgemeester. ‘Zoals ik al zei, u gebruikt mijn dobbelstenen voor deze worp.’ Hij aarzelde, en toen glimlachte hij en pakte een stel dobbelstenen die Mart had gebruikt van tafel. Hij gooide ermee. Ze landden op één en twee. Hij gooide nog eens en kreeg dezelfde uitkomst. ‘Beter nog,’ de burgemeester glimlachte breed, ’u gebruikt deze. Sterker nog... ik zal zélf de worp voor u doen.’ Barldens gezicht nam in het schemerlicht een beslist duistere trek aan. Mart voelde een steek van paniek.

Talmanes pakte zijn arm. ‘Goed, Mart,’ zei hij. ‘Ik denk dat we beter kunnen gaan.’

Mart stak zijn hand op. Zou zijn geluk nog werken als iemand anders de worp maakte? Soms voorkwam zijn geluk ook dat hij gewond raakte in de strijd. Daar was hij zeker van. Hoopte hij. ‘Ga uw gang,’ zei hij tegen Barlden. De man keek geschokt.

‘U mag de worp doen,’ zei Mart. ‘Maar die telt dan alsof ik zelf geworpen had. Een winnende worp en ik loop hier weg met alles. Een verliezende worp en ik vertrek met mijn hoed en mijn paard en u mag die verdomde kist houden. Zijn we het eens?’

‘We zijn het eens.’

Mart stak zijn hand uit om die van de burgemeester te drukken, maar die draaide zich om en hield de dobbelstenen vast. ‘Nee,’ zei hij. ‘U krijgt geen kans om die dobbelstenen snel om te wisselen, reiziger. Laten we maar buiten wachten. En u blijft uit mijn buurt.’ Ze deden wat hij zei en verlieten de bedompte, van bier doordrongen lucht in de taveerne om in de buitenlucht te wachten. Marts soldaten brachten de kist mee. Barlden eiste dat de kist open bleef staan, zodat die niet kon worden omgewisseld. Een van zijn sterke mannen porde erin en beet op een paar munten om na te gaan of hij werkelijk vol was en de munten echt. Mart wachtte, leunend tegen de deur tot de wagen kwam aanrollen en mannen uit de taveerne vaten bier begonnen in te laden.

De zon was nauwelijks nog een waas van licht aan de horizon, achter die verrekte wolken. Terwijl Mart wachtte, zag hij de burgemeester steeds onrustiger worden. Bloed en bloedas, die man hechtte echt aan zijn regels!

Nou, Mart zou het hem laten zien, en hun allemaal. Hij zou ze laten zien... Wat zou hij hun laten zien? Dat hij niet te verslaan was? Wat bewees hij daarmee?

Terwijl Mart wachtte en de wagen steeds hoger met proviand werd beladen, begon hij zich merkwaardig schuldig te voelen. Ik doe niets verkeerds, dacht hij. Ik moet mijn mannen toch te eten geven? Die dorpelingen gaan een eerlijke weddenschap aan, en ik ook. Geen verzwaarde dobbelstenen. Geen valsspelerij.

Behalve zijn geluk. Nou, zijn geluk was van hemzelf, net zoals bij ieder ander. Sommige mensen werden geboren met aanleg voor muziek en werden bard of speelman. Wie kon hem misgunnen dat hij wat geld verdiende met wat de Schepper hem had gegeven? Mart had geluk, en dus gebruikte hij dat. Daar was niets mis mee. Maar toen de mannen de herberg weer in gingen, begon hij te zien wat Talmanes had opgemerkt. Er ging iets wanhopigs van die mensen uit. Waren ze te gretig geweest bij het gokken? Waren ze onbezonnen geweest in hun weddenschappen? Wat was die blik in hun ogen, die Mart onterecht had aangezien voor vermoeidheid? Hadden ze gedronken om het einde van de dag te vieren, of hadden ze gedronken om die getergde blik in hun ogen te verdrijven? ‘Misschien had je gelijk,’ zei Mart tegen Talmanes, die met bijna evenveel ongerustheid naar de zon keek als de burgemeester. Het laatste licht viel stoffig op de puntdaken van de huizen en kleurde de dakleien donker oranje. De ondergaande zon was een gloeiende bol achter de wolken. ‘Dus we gaan weg?’ vroeg Talmanes. ‘Nee,’ zei Mart. ‘We blijven.’

En de dobbelstenen hielden op met ratelen in zijn hoofd. Het kwam zo plotseling, en de stilte was zo onverwacht, dat hij verstijfde. Hij begon al te denken dat hij het verkeerde besluit had genomen. ‘Het Licht brande me, maar we blijven,’ herhaalde hij. ‘Ik heb me nog nooit uit een weddenschap teruggetrokken, en ik ben niet van plan daar nu mee te beginnen.’