Een groep ruiters keerde terug met zakken graan die ze op hun paarden hadden gebonden. Het was ongelooflijk wat een beetje geld kon doen om mensen te prikkelen. Terwijl er nog meer ruiters aankwamen, draafde er een jonge knul over de weg naar hen toe. ‘Burgemeester,’ zei hij, trekkend aan Barldens purperen vest. Het vest was voorzien van kruiselingse, herstelde scheuren op het voorpand. ‘Moeder zegt dat die uitlandervrouwen nog steeds niet klaar zijn met baden. Ze probeert ze te laten opschieten, maar...’
De burgemeester verstijfde. Hij keek boos naar Mart. Mart snoof. ‘Denk maar niet dat ik dat stel kan opjagen,’ zei hij. ‘Als ik ze opjut, zetten ze zich schrap als muilezels en doen ze er nog twee keer zo lang over. Laat iemand anders nu verdomme maar eens tegen hen optreden.’
Talmanes bleef naar de lengende schaduwen op de weg kijken. ‘Bloedvuur,’ mompelde hij. ‘Als die geesten weer verschijnen, Mart...’
‘Dit is iets anders,’ zei Mart terwijl de mannen het graan op de wagen laadden. ‘Het voelt anders.’
De wagen lag al hoog opgetast met proviand; een goede lading uit een dorp van deze grootte. Het was wat de Bond nodig had, voldoende om hen op gang te houden en te eten te geven totdat ze bij het volgende dorp aankwamen. Het voedsel was natuurlijk niet al het goud in de kist waard, maar het stond ongeveer gelijk aan wat hij binnen met dobbelen had verloren, vooral met de wagen en paarden erbij. Het waren uitstekende dieren, sterk en goed verzorgd, aan hun vacht en hoeven te zien.
Mart opende zijn mond om te zeggen dat het zo genoeg was, maar hij aarzelde toen hij zag dat de burgemeester zachtjes stond te overleggen met een groep mannen. Het waren er zes, hun vesten vaal en sleets, hun zwarte haar ongekamd. Een van hen gebaarde met een vel papier in zijn hand naar Mart. Barlden schudde zijn hoofd, maar de man met het papier gebaarde indringender. ‘Kijk nou eens,’ zei Mart zachtjes. ‘Wat is dit?’
‘Mart, de zon...’ begon Talmanes.
De burgemeester maakte een scherp gebaar en de sjofele mannen schuifelden weg. De mannen die het voedsel hadden gebracht, dromden samen op de schemerige straat en bleven in het midden ervan. De meesten keken naar de horizon.
‘Burgemeester!’ riep Mart. ‘Zo is het genoeg. Maak de worp!’ Barlden aarzelde en keek naar hem, en toen wierp hij een blik op de dobbelstenen in zijn hand, bijna alsof hij ze vergeten was. De mannen rondom knikten gretig, en dus stak hij zijn vuist omhoog en rammelde ermee. De burgemeester keek Mart in de ogen en gooide de dobbelstenen op de grond tussen hen in. Ze leken te veel lawaai te maken, als een kleine, ratelende onweersbui, als knoken die tegen elkaar tikten.
Mart hield zijn adem in. Het was lang geleden dat hij reden had gehad om zich zorgen te maken over een worp van de dobbelstenen. Hij boog zich naar voren en keek naar de witte kubusjes die over het zand tuimelden. Hoe zou zijn geluk standhouden als iemand anders wierp?
De dobbelstenen kwamen tot stilstand. Twee vieren. Een winnende worp.
Mart slaakte een diepe, opgeluchte zucht, hoewel hij wel een druppeltje zweet op zijn slaap voelde.
‘Mart...’ zei Talmanes zacht, zodat hij opkeek. De mannen die op de weg stonden keken niet zo blij. Enkelen van hen juichten, tot hun vrienden uitlegden dat een winnende worp van de burgemeester betekende dat Mart de inzet mocht meenemen. Er viel een gespannen stilte. Mart keek Barlden in de ogen.
‘Ga,’ zei de potige man, die walgend naar Mart gebaarde en zich afwendde. ‘Neem uw winst mee en ga hier weg. Kom nooit meer terug.’
‘Nou,’ zei Mart, die zich ontspande, ‘vriendelijk bedankt voor het spel, dan. We...’
‘vertrek!’ brulde de burgemeester. Hij keek naar de laatste flarden zonlicht aan de horizon, vloekte en wuifde de mannen naar De Beschonken Ruin. Sommigen draalden en keken geschokt of vijandig naar Mart, maar de burgemeester joeg hen al snel de lage herberg in. Hij trok de deur dicht en liet Mart, Talmanes en de twee soldaten alleen op straat achter.
Het leek plotseling spookachtig stil. Er was geen dorpeling meer op straat. Zou er niet in ieder geval iets te horen moeten zijn binnen in de taveerne? Kletterende kroezen, wat gemor over de verloren weddenschap?
‘Nou,’ zei Mart, en zijn stem weerkaatste tegen de stille voorgevels van de huizen, ‘dat is dan dat, denk ik.’ Hij liep naar Pips toe om het paard te kalmeren, dat zenuwachtig was geworden. ‘Zie je wel, Talmanes? Ik zei het toch? Niks om je druk over te maken.’ En toen begon het geschreeuw.
28
Nacht in Hinderstap
‘Wet Licht brande je, Mart!’ riep Talmanes, die zijn zwaard uit de buik van een stuiptrekkende dorpeling trok. Talmanes vloekte bijna nooit. ‘Het Licht brande je twee keer, en dan nog een keer!’
‘Mij?’ snauwde Mart. Hij draaide zich om en zijn ashandarei fonkelde toen hij bij twee mannen in felgroene vesten netjes de pezen van de bovenbenen doorsneed. Ze vielen op de straat van aangestampte aarde en hun ogen waren groot van woede toen ze sputterden en gromden. ‘Mij? Ik probeer je niet te vermoorden, Talmanes. Geef hun de schuld!’
Talmanes wist zich in het zadel te sleuren. ‘Ze zeiden dat we moesten vertrekken!’
‘Ja,’ zei Mart. Hij greep Pips’ teugels en trok het paard weg bij De Beschonken Ruin. ‘En nu proberen ze ons te vermoorden. Je kunt mij toch niet de schuld geven voor hun onbeschaafde gedrag?’ Overal in het dorp klonk gejammer, geschreeuw en geroep. Sommige kreten klonken boos, andere doodsbang, weer andere gepijnigd. Steeds meer mannen kwamen de taveerne uit, elk grommend en schreeuwend, en iedereen deed zijn best om iedereen om zich heen te doden. Sommigen van hen kwamen op Mart, Talmanes of Marts Roodarmen af. Maar veel van hen vielen hun dorpsgenoten aan, trokken aan elkaar of harkten met hun nagels over eikaars gezicht. Ze vochten met een primitief gebrek aan vaardigheid, en slechts een paar van hen dachten eraan stenen, kroezen of stukken hout als wapens op te pakken.
Dit was geen gewoon kroeggevecht. Die mannen probeerden elkaar om te brengen. Nu al lagen er zes lijken of bijnalijken op straat, en voor zover Mart de herberg in kon kijken, waren de gevechten binnen al even fel.
Mart probeerde dichter bij de met voedsel beladen wagen te komen, met Pips naast zich. Zijn kist vol goud stond nog op straat. De vechtende mannen negeerden het voedsel en het geld en richtten zich uitsluitend op elkaar.
Talmanes, Harnan en Delarn gingen samen met hem achteruit en trokken zenuwachtig hun paarden mee. Een groep razende mannen dook al snel op de twee dorpelingen die Mart had verwond en sloeg hen steeds opnieuw met hun hoofd tegen de grond, net zolang tot ze niet meer bewogen.
Toen richtten de razende dorpelingen hun blikken vol bloeddorst op Mart en zijn mannen. Het was een uitdrukking die helemaal niet paste op de schone gezichten van dorpelingen in nette vesten en met gekamd haar.
‘Bloed en bloedas,’ zei Mart, die in het zadel sprong. ‘Opstijgen!’ Harnan en Delarn hadden geen verdere aansporing nodig. Ze vloekten, stopten hun zwaarden weg en sprongen te paard. De bende dorpelingen kwam naar voren, maar Mart en Talmanes sloegen hun aanval af. Mart probeerde hen alleen te verwonden, maar de dorpelingen waren verbazingwekkend sterk en snel, en hij merkte dat hij moest vechten om te voorkomen dat hij uit het zadel werd getrokken. Hij slaakte een verwensing en begon met tegenzin dodelijke slagen uit te delen, waarbij hij twee mannen uitschakelde met houwen in de hals. Pips schopte van zich af en sloeg een andere dorpeling met een hoef tegen het hoofd. Even later sloten ook Harnan en Delarn zich bij het gevecht aan.
De dorpelingen wisten van geen ophouden. Ze bleven in razernij vechten totdat hun hele groep van acht op de grond lag. Marts soldaten streden met grote ogen van angst, en Mart kon het zich wel voorstellen. Het was verrekt angstaanjagend om gewone dorpelingen zich zo te zien gedragen! Er leek geen greintje menselijkheid meer in hen over te zijn. Ze uitten alleen gegrom, gesis en geschreeuw, en op hun gezichten was niets dan woede en bloeddorst te zien. Nu begonnen de andere dorpelingen – degenen die niet rechtstreeks Marts mannen aanvielen – zich tot bendes te vormen. Ze slachtten de kleinere groepen af door ze neer te knuppelen, aan hen te klauwen, hen te bijten. Het bood een verschrikkelijke aanblik. Terwijl Mart toekeek, vloog er een lichaam door een van de ramen van de taveerne naar buiten. Het lijk rolde over de grond, de nek gebroken. Binnen stond Barlden, met wilde, bijna onmenselijke ogen. Hij brulde de nacht in, toen zag hij Mart en leek er – heel even – een flits van herkenning in zijn ogen te verschijnen. Meteen was het weer verdwenen en brulde de burgemeester opnieuw. Hij nam een aanloop, sprong door het raam en viel twee mannen die op straat stonden in de rug aan.