‘Wegwezen!’ schreewde Mart, die Pips liet steigeren toen een volgende bende dorpelingen hen in het oog kreeg. ‘Het goud!’ zei Talmanes.
‘Laat dat goud maar zitten!’ riep Mart. ‘We kunnen altijd meer winnen, en dat eten is ons leven niet waard. Wegwezen!’ Talmanes en de soldaten wendden hun paarden en galoppeerden de straat uit. Mart gaf Pips de sporen en ging achter hen aan, en hij liet het goud en de wagen achter. Het was hun leven inderdaad niet waard; indien mogelijk zou hij morgenochtend met het leger terugkomen om het op te halen. Maar eerst moesten ze dit overleven.
Ze galoppeerden een stukje, en bij de volgende hoek liet Mart hen vertragen door zijn hand op te steken. Hij keek over zijn schouder. De dorpelingen kwamen nog steeds achter hen aan, maar voorlopig konden ze de galopperende paarden niet bijhouden. ‘Ik geef nog steeds jou de schuld,’ zei Talmanes. ‘Ik dacht dat je vechten leuk vond,’ kaatste Mart terug. ‘Sommige gevechten wel,’ zei Talmanes. ‘Op het slagveld, of een leuk kroeggevecht. Dit... dit is waanzin.’ De bende dorpelingen achter hen had zich op handen en voeten laten zakken, en ze bewogen zich nu op merkwaardige wijze voort. Talmanes huiverde zichtbaar. Er was amper genoeg licht om nog iets te zien. Nu de zon was ondergegaan, blokkeerden de bergen en de grijze bewolking het weinige licht dat nog over was. Langs vele straten hingen lantaarns, maar het zag er niet naar uit dat iemand ze zou aansteken. ‘Mart, ze lopen op ons in,’ waarschuwde Talmanes, met zijn zwaard in de aanslag.
‘Dit gaat niet alleen maar om onze weddenschap,’ zei Mart, luisterend naar het geschreeuw en geroep. De geluiden kwamen van overal in het dorp. Langs een zijstraat barstten twee worstelende mensen door een raam op de bovenverdieping van een huis naar buiten. Het waren vrouwen, klauwend naar elkaar terwijl ze vielen, en ze belandden met een misselijkmakende klap op de grond. Daarna bewogen ze niet meer.
‘Kom mee,’ zei Mart, die Pips wendde. ‘We moeten op zoek naar Thom en de vrouwen.’
Ze galoppeerden door een zijstraat die de hoofdweg kruiste en kwamen langs groepen mannen en vrouwen die in de goten vochten. Een dikke man met bloedige wangen wankelde de straat op, en Mart reed met tegenzin over hem heen. Er vochten te veel mensen langs de kanten om het risico te nemen zijn mannen om die arme drommel heen te leiden. Mart zag zelfs kinderen vechten, die in de benen van grotere kinderen beten terwijl ze kinderen van hun eigen leeftijd wurgden.
‘Dit hele verdomde dorp is krankzinnig geworden,’ mompelde Mart grimmig terwijl ze met hun vieren de hoofdstraat in de richting van de mooie herberg opreden. Ze moesten de Aes Sedai ophalen en dan naar het oosten gaan voor Thom, want zijn herberg lag het verst weg.
Helaas was het op de hoofdstraat nog erger dan op de straat waar ze net uit waren gekomen. Het was nu bijna helemaal donker. Het leek hem zelfs dat de duisternis hier te snel inviel. Onnatuurlijk snel. Langs de hele weg waren kronkelende schaduwen, vechtende gestalten, gekrijs en gevechten in de diepe schemer. In die duisternis leken de vechtende mensen af en toe wel massieve, samengestelde schepsels; afgrijselijke monsters met tien maaiende ledematen en honderd monden om vanuit het donker mee te schreeuwen. Mart spoorde Pips aan. Er zat niets anders op dan er middendoor te denderen.
‘Licht,’ riep Talmanes terwijl ze naar de herberg galoppeerden. ‘Licht!’
Mart knarste met zijn tanden en boog zich naar voren over Pips hals, met zijn speer dicht langs zijn lichaam terwijl hij door de nachtmerrie reed. De duisternis beefde van het gebrul, en lijken rolden over straat. Mart huiverde van afgrijzen en vloekte binnensmonds. De nacht zelf leek hen te willen verstikken, wurgen, en er leken dodelijke, zwarte beesten aan te ontspruiten.
Pips en de andere paarden waren goed opgeleid, en met hun vieren stormden ze recht de straat door. Mart wist nog net te vermijden dat hij uit het zadel werd getrokken toen donkere gestalten naar zijn benen sprongen en probeerden hem eraf te sleuren. Ze schreeuwden en sisten als legioenen drenkelingen die hem onder water wilden trekken in een diepe, buitenaardse zee.
Naast Mart kwam Delarns paard plotseling tot stilstand. Toen er een massa zwarte gestalten voor sprong, steigerde de ruin van paniek en smeet Delarn uit het zadel.
Mart hield Pips in en draaide zich om toen hij de man hoorde schreeuwen, die om een of andere reden duidelijker hoorbaar was en menselijker klonk dan het gekrijs om hen heen.
‘Mart!’ riep Talmanes, die langs stormde. ‘Rij door! We kunnen niet stoppen!’
Nee, dacht Mart, die zijn paniek onderdrukte. Nee, ik laat hier niemand achter. Hij haalde diep adem en negeerde Talmanes, en toen stuurde hij Pips terug naar de zwarte massa lichamen waartussen Delarn was gevallen. Het zweet droop van zijn voorhoofd en werd verkild door de wind van het galopperen. Gekerm, geschreeuw en gesis leek van overal rondom op hem neer te dalen. Mart brulde en dook van Pips’ rug af. Hij kon niet dichterbij komen met zijn paard zonder het gevaar te lopen de man die hij wilde redden te vertrappen. Hij haatte vechten in het donker. Hij haatte het, verdomme. Hij viel die donkere gestalten aan, wier gezichten hij niet kon zien, op af en toe een fonkeling van tanden of waanzinnige ogen in het stervende licht na. Het deed hem heel even denken aan een andere avond, toen hij Schaduwgebroed had gedood. Alleen hadden de gestalten waartegen hij nu vocht niet de gratie van Myrddraal. Ze hadden niet eens de samenhang van Trolloks. Even leek het wel alsof Mart tegen de schaduwen zelf vocht; schaduwen geworpen door sputterend vuurlicht, willekeurig en onsamenhangend, maar des te dodelijker omdat hij hun bewegingen niet kon voorspellen. Hij wist maar net te voorkomen dat zijn schedel werd gekraakt door allerlei onvoorspelbare aanvallen. Overdag zouden die aanvallen lachwekkend zijn geweest, maar van dit donkere stel mannen – en vrouwen – die er niet om maalden wat ze raakten of wie ze verwondden, waren ze overstelpend. Mart moest vechten voor zijn leven en zwaaide zijn ashandarei in wijde bogen rond, gebruikte hem even vaak om mensen te laten struikelen als om ze te doden. Als er iets bewoog in de duisternis, sloeg hij toe. Hoe in het Licht moest hij hierin Delarn terugvinden?
Een klein stukje verderop bewoog een schaduw, en Mart herkende meteen een zwaardvorm. Rat knaagt aan het graan? Een dorpeling zou die niet kennen. Goed gedaan, kerel!
Mart draaide zich naar die schaduw toe en gaf twee andere schaduwen een houw over de borst, wat werd beantwoord met gegrom en gejammer van pijn. Delarns gestalte viel onder een stapel van enkele anderen. Mart brulde, sprong over een gevallen lichaam en belandde op de grond terwijl hij zijn speer in een brede zwaai omlaag bracht. Schaduwen bloedden waar hij iets raakte, al was het bloed gewoon weer een vlek van duisternis, en Mart gebruikte de steel van zijn wapen om een volgende achteruit te drijven. Hij reikte omlaag en trok een van de schaduwen overeind, waarop hij een gedempte vloek hoorde. Het was Delarn.
‘Kom mee,’ zei Mart, en hij trok de man naar Pips toe, die snuivend in het donker was blijven staan. De waanzinnige mannen schenen de dieren te negeren, gelukkig. Mart duwde de struikelende Delarn naar het paard toe, en toen draaide hij zich om om te vechten tegen de bende waarvan hij wist dat die achter hem aan zou komen. Wederom danste Mart met de duisternis, sloeg steeds opnieuw toe en probeerde zich uit het gevecht los te maken zodat hij in het zadel kon springen. Hij waagde een blik achterom en zag dat Delarn zich op Pips’ rug had weten te werken, maar de soldaat zat ineengedoken op een hoopje. Hoe ernstig was hij gewond geraakt? Hij leek amper in staat te zijn rechtop te blijven zitten. Bloed en bloedas! Mart wendde zich weer naar de aanvallers en draaide zijn speer rond in een poging hen achteruit te drijven. Maar ze gaven er niet om dat ze gewond konden raken, ze gaven er niet om hoe gevaarlijk Mart was. Ze bleven gewoon komen! Hem omringen. Van alle kanten op hem afkomen. Bloedas! Hij draaide zich nog net op tijd om om een donkere gestalte achter hem aan te zien komen. Iets fonkelde in de nacht en weerspiegelde een ver licht. De donkere gestalte achter Mart belandde op de grond. Een volgende fonkeling en een van de gestalten voor Mart viel neer. Plotseling stormde er iemand op een wit paard langs, een volgend mes flitste door de lucht en schakelde een derde man uit. ‘Thom!’ riep Mart toen hij de mantel herkende. ‘Klim op je paard!’ riep Thom terug. ‘Mijn messen zijn bijna op!’ Mart haalde uit met zijn speer, sloeg nog twee dorpelingen neer, rende naar voren en sprong in het zadel. Hij vertrouwde erop dat Thom zijn aftocht zou dekken en hoorde inderdaad een paar kreten van pijn achter zich. Even later kondigde een denderend geluid op de weg de komst van paarden aan. Mart trok zich in het zadel toen de beesten door het zwarte moeras stormden en de dorpelingen uiteendreven.